Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL6667

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-03-2010
Datum publicatie
08-03-2010
Zaaknummer
357144 - KG ZA 10-78
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De burgemeester en een wethouder van de gemeente Leiden hebben in dit kort geding een rectificatie gevorderd van een in het Leidsch Dagblad verschenen artikel. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af.

In het artikel is opgenomen dat de wethouder (mogelijk) geen machtiging van de burgemeester zou hebben toen hij het huurcontract met betrekking tot de Stadsgehoorzaal te Leiden tekende en dat de burgemeester de ontbrekende machtiging ná de ondertekening van het huurcontract alsnog zou hebben opgesteld, met een datum van daarvóór erop.

Bij de beoordeling is vooropgesteld dat voldoende is gebleken dat er wel tijdig een machtiging was. In zoverre is de in het artikel opgenomen suggestie onjuist. De uitlatingen in het artikel worden ten opzichte van de wethouder echter gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder de inhoud en de formulering van de uitingen, niet onrechtmatig geoordeeld. Ten aanzien van de burgemeester geldt dat, voor zover de uitlatingen in het artikel omtrent het antedateren jegens hem onrechtmatig zouden zijn, er met de publicatie van een naderhand geplaatst hoofdredactioneel artikel onvoldoende belang meer bestaat bij een nadere rectificatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 5 maart 2010,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 357144 / KG ZA 10-78 van:

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon gemeente Leiden,

zetelende te Leiden,

2. [De wethouder],

wonende te [woonplaats 1],

3. [De burgemeester],

wonende te [woonplaats 1],

eisers,

advocaat mr. J.P. van den Brink te Amsterdam,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HDC Media B.V. tevens h.o.d.n. Leidsch Dagblad,

gevestigd te Alkmaar,

2. [gedaagde sub 1],

domicilie hebbende te [woonplaats 2],

3. [gedaagde sub 2],

domicilie hebbende te [woonplaats 2],

gedaagden,

advocaat mr. M.A. de Kemp te Amsterdam.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als 'de gemeente' 'de wethouder', 'de burgemeester', 'HDC', '[gedaagde sub 1]' en '[gedaagde sub 2]'.

1. Het procesverloop

1.1. Eisers hebben gedaagden op 21 januari 2010 doen dagvaarden om op 29 januari 2010 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op die datum behandeld en pro forma aangehouden tot 10 februari 2010, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen het geschil in onderling overleg te beëindigen.

1.2. Bij faxbericht van 10 februari 2010 hebben eisers de voorzieningenrechter gevraagd vonnis te wijzen. Met instemming van eisers hebben gedaagden bij faxbericht van 12 februari 2010 twee nadere producties met een toelichting overgelegd. Hierin hebben gedaagden ook gereageerd op twee door eisers reeds aangekondigde aanvullende producties. Bij brief van 16 februari 2010 hebben eisers twee aanvullende producties met een toelichting overgelegd.

1.3. Vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 29 januari 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. [De wethouder] en [De burgemeester] zijn respectievelijk wethouder en burgemeester van de gemeente.

2.2. HDC geeft het regionale dagblad het Leidsch Dagblad uit. [Gedaagde sub 1] is redacteur en [gedaagde sub 2] is hoofdredacteur van het Leidsch Dagblad.

2.3. De gemeente heeft een huurovereenkomst gesloten met de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Stedelijk Concertgebouw Leiden B.V. (hierna: het Stedelijk Concertgebouw). Op grond van de huurovereenkomst heeft de gemeente de bedrijfsruimte die is gelegen aan [adres 1] en [adres 2] en [adres 3] te Leiden en wordt aangeduid als de

[zaal 1] en de [zaal 2], aan het Stedelijk Concertgebouw verhuurd.

2.4. Op 9 december 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders (B&W) van de gemeente besloten tot het sluiten van de huurovereenkomst met het Stedelijk Concertgebouw.

2.5. Per e-mail van 8 september 2009 heeft [de heer V.] van de gemeente (hierna: [de heer V.]) aan [De wethouder] gevraagd of hij gemandateerd is om het huurcontract te ondertekenen. [De wethouder] heeft hierop - zakelijk weergegeven - diezelfde dag per e-mail aan zijn bestuursadviseur, [de heer Y.] (hierna: [de heer Y.]), verzocht om zonodig een volmacht van de burgemeester te regelen. In reactie hierop heeft [de heer Y.] eveneens op 8 september 2009 aan [De wethouder] gemaild dat dit al was gebeurd. Per e-mail van 10 september 2009 heeft [de heer Y.] aan [de heer V.] bericht dat het "mandaat [X]" is getekend.

2.6. In een door de gemeente overgelegd 'burgemeester-aanbiedingsformulier' staat vermeld dat [De wethouder] bij besluit van 10 september 2009 is gemandateerd om het huurcontract te ondertekenen. Dit formulier, dat op 8 september 2009 door [de heer V.] is aangemaakt, is door [De burgemeester] op 9 september 2009 geparafeerd. Als bijlage bevindt zich bij dit formulier de door [De burgemeester] ondertekende, op grond van artikel 171 van de Gemeentewet vereiste machtiging, die is gedateerd op 8 september 2009.

2.7. Het huurcontract is op 11 september 2009 ondertekend door [De wethouder]. In het huurcontract staat vermeld dat de gemeente wordt vertegenwoordigd door [De wethouder] conform een besluit van de burgemeester van 10 september 2009 tot het aangaan van deze overeenkomst.

2.8. Na een daartoe strekkend verzoek van [Gedaagde sub 1] heeft de gemeente op 7 december 2009 hem het huurcontract toegezonden en daarnaast verwezen naar het collegebesluit van 9 december 2008.

2.9. Op 24 december 2009 is op de derde pagina van het katern 'Leiden en regio' een artikel gepubliceerd van [Gedaagde sub 1] onder de kop "[De wethouder] weer in de fout?" (hierna: het Artikel). In het Artikel staat, voor zover thans relevant, het volgende:

"(..)

En weer is er iets met de Leidse [partij 1]-wethouder en de Stadsgehoorzaal. Ook in de politiek is driemaal kennelijk scheepsrecht. Wat er precies is, is niet zeker. In elk geval is het ernstig, want iedereen doet al maanden zijn uiterste best geen druppeltje informatie te laten uitlekken. Dat is niet helemaal gelukt en uiteindelijk is duidelijk dat er iets niet in orde was toen [De wethouder] het vernieuwde huurcontract tekende met de directie van de verbouwde concertzaal.

Het zou te maken hebben met de machtiging van de burgemeester, zoals een wethouder die altijd moet hebben voordat hij een contract mag ondertekenen. Eén onregelmatigheid is zichtbaar en openbaar: op het huurcontract staat dat burgemeester [De burgemeester] de machtiging 10 september tekende, terwijl op het document zelf 8 september staat. Dat lijkt geen reden voor paniek in het college en voor deze uiterste geheimdoenerij, want [De wethouder] tekende het huurcontract op de elfde.

Het verhaal gaat, bij doorgaans betrouwbare kringen rond het college van B en W, dat [De wethouder] helemaal geen machtiging had toen hij tekende. Dat zou consistent zijn, want de man blundert sinds hij wethouder is in Leiden regelmatig op zo'n manier. Na net een jaar ging hij al diep door het stof voor fouten rond de verbouwing van de Stadsgehoorzaal. Begin dit jaar nogmaals omdat gebleken was dat hij het contract met de aannemer zo veranderde, dat de gemeente miljoenenrisico's loopt. Verder komt hij in opspraak over een boeteclausule in een contract met Oegstgeest, een plan voor het voormalige Belastingkantoor en een contract met het ROC Lammenschansweg. Recent moest hij een deel van zijn portefeuille neerleggen vanwege een onderhandelingsblunder bij de verzelfstandiging van stedelijk beheer en kreeg hij de gemeenteraad over zich heen omdat hij stilletjes een topsportcoördinator had willen inhuren.

De ontbrekende machtiging zou ná de ondertekening alsnog zijn opgesteld, met dus een datum van daarvóór erop. Dat zou dan tevens betekenen dat [De burgemeester] een kwalijke uitglijder heeft gemaakt. Gevraagd om een reactie zegt [De burgemeester] dat het 'volkomen onzin' is. Ook [De wethouder] ontkent dat hij zonder machtiging heeft getekend. Via wethouders [wethouder 1] [partij 2] en [wethouder [2] [partij 3] blijkt echter, dat er wel degelijk iets niet in de haak is. ,,Er zijn een paar dingen waar ik me verre van houd. Dit is er één van", zei [wethouder 1] desgevraagd enkele weken na de ondertekening (..). Enkele weken daarna zegt hij: ,,Als er al een probleem was, dan is het er nu niet meer." [wethouder 2] (..) reageert met 'Jij hoort dingen die je niet mag horen'.

Al wordt wellicht niet duidelijk wat zich precies heeft afgespeeld, het lijkt een menselijke fout te zijn. Het lijdt namelijk geen twijfel dat de gemeente het huurcontract wilde aangaan. Het kan gebeuren dat de burgemeester een van de vele handtekeningen over het hoofd ziet die hij wekelijks moet zetten. Evenzeer kan het gebeuren dat een wethouder die een contract gaat tekenen, niet controleert of de benodigde machtiging wel bij het contract zit.

Dat de kwestie dan toch zo geheim wordt gehouden, heeft mogelijk te maken met de voorgeschiedenis van deze specifieke wethouder. Nog meer contractfouten kan hij zich niet meer veroorloven; dat zou de spreekwoordelijke druppel zijn. (..)."

2.10. In een schriftelijke verklaring van 25 januari 2010 van [de heer Y.] staat vermeld dat [de heer V.] op 8 september 2009 een mandaatbesluit heeft opgesteld, dat [de heer Y.] dit mandaat bij het secretariaat van de burgemeester heeft afgegeven en dat hij het ondertekende mandaat op 9 of 10 september 2009 heeft teruggekregen.

2.11. In een schriftelijke verklaring van gemeenteraadslid [het raadslid] van 25 januari 2010 staat vermeld dat hij bij de griffie van de gemeente heeft gevraagd de machtiging op te zoeken in het Bestuurlijk Informatie Systeem (BIS), maar dat die niet gevonden is en evenmin een expliciet collegebesluit over de machtiging.

2.12. Op 30 januari 2010 heeft het Leidsch Dagblad een artikel gepubliceerd onder de kop "'Gemeente had mist kunnen wegnemen'". In dit artikel staat - zakelijk weergegeven - onder meer vermeld dat uit in het kader van dit kort geding overgelegde stukken blijkt dat [De burgemeester], twee dagen voor het tekenen van het huurcontract op 11 september 2009, de benodigde volmacht heeft ondertekend.

2.13. Op 11 februari 2010 is in het Leidsch Dagblad op pagina 1 van het katern 'Leiden en omgeving' een hoofdredactioneel artikel van [gedaagde sub 2] gepubliceerd onder de kop "Burgemeester maakte geen 'uitglijder'". In dit artikel (hierna: het hoofdredactionele artikel) staat, voor zover thans relevant, onder meer vermeld:

"(..)

Het gebeurt niet dagelijks dat een gemeente en een krant voor de rechter een conflict uitvechten (..) Het is ook geen schande je ongelijk te bekennen en waar we fout zitten is het beleid van de krant dat ook ruiterlijk en tijdig toe te geven.

Toch stonden de gemeente Leiden en Het Leidsch Dagblad voor de rechter in Den Haag omdat [De burgemeester] zich in zijn eer en goede naam aangetast voelde door een artikel in de krant van 24 december. Onderwerp van geschil was het artikel '[De wethouder] weer in de fout?' Daarin werd gesteld dat er mogelijk geen machtiging was van de burgemeester toen wethouder [De wethouder] namens de gemeente een huurcontract tekende met de Stadsgehoorzaal.

En dat die machtiging later is opgesteld. Hoewel in het artikel de mogelijkheid werd opengelaten dat - als dat zo was - het ook om een vergissing zou kunnen gaan die later is hersteld, vond [De burgemeester] dat hij van 'valsheid in geschrifte' werd beschuldigd. Lezing van het artikel geeft daartoe naar mijn mening geen aanleiding en ook op deze plaats wil ik dus nog eens gezegd hebben dat de integriteit van de burgemeester niet ter discussie stond en staat.

Toch zijn wij uiteindelijk bij de rechter aanbeland.

Bij de behandeling van het kort geding kwam de gemeente met documenten die het standpunt van de gemeente onderbouwden. Op basis van die overgelegde documenten moeten we constateren dat onze bewering dat er mogelijk iets mis was met de volmacht voor de ondertekening van het huurcontract met Stadsgehoorzaal, geen stand kan houden. De machtiging was er wel en op tijd. Dat betekent dat ook [De wethouder] geen verwijt kon worden gemaakt.

Het is goed dat de gemeente uiteindelijk inhoudelijk op de zaak is ingegaan, zij het pas voor de rechter. Nog beter was het geweest als betrokken bestuurders de kwestie eerder uit de doeken hadden gedaan. Hopelijk is de winst van dit geding dat in de toekomst sneller inhoudelijk op vragen over dergelijke geruchten wordt ingegaan. (..)"

3. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

3.1. Eisers vorderen - zakelijk weergegeven - gedaagden te veroordelen tot het publiceren van de in de dagvaarding vermelde rectificatie op de eerste pagina van het katern "Leiden en omgeving" van de eerstvolgende zaterdageditie van het Leidsch Dagblad, althans tot plaatsing van een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen rectificatie. Daarnaast vorderen eisers om voormelde rectificatie gedurende twee weken op de homepage van de website van het Leidsch Dagblad, althans op een andere door de voorzieningenrechter in goede justitie aan te wijzen plaats op de website, te publiceren en zich te onthouden van iedere verdere openbaarmaking van het Artikel. Eisers wensen aan al hun vorderingen een dwangsom verbonden te zien.

3.2. Daartoe voeren eisers - samengevat - het volgende aan.

De in het Artikel geuite beschuldigingen zijn onjuist. [De wethouder] is ten onrechte beschuldigd van het zonder machtiging ondertekenen van het huurcontract. Ook de stelling dat [De burgemeester] dit zou hebben getracht recht te zetten door alsnog een machtiging op te stellen en die te antedateren klopt niet. Met deze beschuldigingen wordt de integriteit van [De wethouder] en [De burgemeester] ernstig beschadigd. Voor de beschuldigingen in het Artikel bestaat geen enkele feitelijke onderbouwing, terwijl het Artikel onderzoeksjournalistiek betreft. Hiervoor gelden strenge zorgvuldigheidseisen, temeer nu het Leidsch Dagblad een serieus dagblad is. De beschuldigingen kunnen niet uitsluitend op anonieme bronnen worden gebaseerd. De omstandigheid dat het mandaat niet in BIS te vinden is, betekent niet dat het mandaat er niet zou zijn. De uitlatingen van de wethouders [1] en [2] leveren evenmin een grondslag op voor het publiceren van de beschuldigingen. Er is daarnaast geen wederhoor gepleegd ten aanzien van de ernstigste beschuldiging van het antedateren. Gedaagden hebben met het (onjuist) aanhalen van andere kwesties bovendien ten onrechte gedaan of er sprake is van een patroon van blunders van [De wethouder].

Dit levert een onrechtmatige daad op en rechtvaardigt een rectificatie. Het hoofdredactionele artikel vormt geen daadwerkelijke rechtzetting, nu hierin alleen de beschuldiging dat het huurcontract zonder volmacht was getekend, is teruggenomen en niet de beschuldiging dat de machtiging is geantedateerd. Het Leidsch Dagblad heeft bovendien ten onrechte doen voorkomen dat pas tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding nieuw bewijsmateriaal is overgelegd, terwijl dit al daarvoor was gebeurd. Het hoofdredactionele artikel vormt voorts geen rechtzetting richting [De wethouder]. Ten slotte worden in het artikel van 30 januari 2010 en het hoofdredactionele artikel ten onrechte nieuwe beschuldigingen geuit, die erop neerkomen dat de gemeente eerder helderheid had kunnen verschaffen.

3.3. Gedaagden voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. De vorderingen van eisers vormen een beperking van het grondrecht op de vrijheid van meningsuiting dat aan gedaagden op grond van artikel 10 lid 1 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) toekomt. Dit recht kan slechts worden beperkt, indien deze beperking bij de wet is voorzien en deze in een democratische samenleving noodzakelijk is, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake wanneer de uitingen van gedaagden onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek.

4.2. De beantwoording van de vraag of het Artikel onrechtmatig is, ligt in het spanningsveld tussen het recht op vrijheid van meningsuiting enerzijds en het recht op bescherming van de eer en goede naam en de persoonlijke levenssfeer anderzijds. Hierbij staan derhalve twee hoogwaardige maatschappelijke belangen tegenover elkaar: aan de ene kant het belang niet door publicaties te worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen; aan de andere kant het belang zich (in het openbaar) kritisch, informerend, opiniërend, of waarschuwend te kunnen uitlaten. Welke van deze belangen de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden. De juistheid van de aantijgingen, althans de feitelijke grondslag en de inkleding daarvan, vormt onder meer een omstandigheid die in de afweging van de hiervoor genoemde belangen dient te worden betrokken.

4.3. In het Artikel komen twee hoofdpunten aan de orde. In het Artikel is opgenomen dat (i) dat [De wethouder] geen machtiging van [De burgemeester] zou hebben toen hij het huurcontract tekende en (ii) dat [De burgemeester] de ontbrekende machtiging ná de ondertekening van het huurcontract alsnog zou hebben opgesteld, met een datum van daarvóór erop.

4.4. Vooropgesteld wordt dat uit de overgelegde e-mails van de gemeente, in samenhang gelezen met de verklaring van [de heer Y.] van 25 januari 2010, voldoende blijkt dat er voorafgaande aan het ondertekenen van het huurcontract een machtiging is verstrekt en dat er dus geen sprake is geweest van het antedateren van de machtiging door [De burgemeester]. In zoverre is de in het Artikel opgeworpen suggestie dienaangaande onjuist. De vraag is of het Artikel daarmee onrechtmatig is jegens [De wethouder] en/of [De burgemeester] en, zo ja, of dit een rectificatie rechtvaardigt.

4.5. Ten aanzien van de uitingen richting [De wethouder] wordt als volgt overwogen. De in het Artikel opgenomen suggestie dat [De wethouder] (mogelijk) de gemeente onbevoegd heeft vertegenwoordigd door zonder machtiging het huurcontract te tekenen, zou een ernstige beschuldiging kunnen zijn indien de vertegenwoordigde of de wederpartij zich niet aan de overeenkomst gebonden zou achten. Die situatie doet zich hier echter niet voor. Niet ter discussie staat immers dat de gemeente en het Stedelijk Concertgebouw gebonden wensten te raken. In het Artikel is ook uitdrukkelijk opgenomen dat er geen twijfel over bestaat dat de gemeente de huurovereenkomst wilde aangaan. In het Artikel wordt ook niet de suggestie gewekt dat [De wethouder], door het huurcontract te tekenen, in strijd met beleid van B&W zou hebben gehandeld. Overigens had een eventueel onbevoegde vertegenwoordiging achteraf door de burgemeester bekrachtigd kunnen worden. Anders dan [De wethouder] heeft betoogd, is de voorzieningenrechter gelet op het voorgaande van oordeel dat geen sprake is van een ernstige verdachtmaking in de richting van zijn persoon.

4.6. Bij de beoordeling van de (on)rechtmatigheid van het Artikel ten opzichte van [De wethouder] wordt voorts meegewogen dat de uitingen niet als vaststaande feiten maar als geruchten zijn gepresenteerd. Dit blijkt onder meer uit het vraagteken in de titel en de formulering van het Artikel. Daarbij komt dat het standpunt van [De wethouder] (en [De burgemeester]) in het Artikel is weergegeven. Verder is van belang dat [De wethouder] als wethouder een publieke functie uitoefent. Dit brengt mee dat hij zich een grotere belangstelling van de media - en meer kritiek ten aanzien van zijn functioneren - dient te laten welgevallen dan de doorsnee burger. Gelet op al deze omstandigheden is van de onrechtmatigheid van het Artikel jegens hem onvoldoende gebleken. De omstandigheid dat er wordt verwezen naar een aantal andere gevallen, waarin al dan niet terecht kritiek op [De wethouder] is uitgeoefend, leidt niet tot een ander oordeel.

4.7. Ten aanzien van [De burgemeester] geldt dat, voor zover de uitlatingen in het Artikel omtrent het antedateren jegens hem onrechtmatig zouden zijn, er met de publicatie van het hoofdredactionele artikel onvoldoende belang meer bestaat bij een nadere rectificatie. Daartoe is doorslaggevend dat in het hoofdredactionele artikel - zakelijk weergegeven - is opgenomen dat [De burgemeester] geen 'uitglijder' maakte, dat uit de overgelegde documenten blijkt dat de bewering in het Artikel met betrekking tot de machtiging geen stand kon houden en dat de machtiging er wel was en op tijd. De enkele omstandigheid dat er in het hoofdredactionele artikel ook wordt opgemerkt dat de gemeente pas bij de rechter inhoudelijk op de zaak is ingegaan en zij er goed aan had gedaan eerder de kwestie uit de doeken te doen, doet - wat hiervan ook zij - niet aan voormelde rechtzetting af.

4.8. De slotsom luidt dat de vorderingen van eisers zullen worden afgewezen. Hetgeen overigens nog is aangevoerd, behoeft daarmee geen bespreking meer.

4.9. Eisers zullen, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. De omstandigheid dat het hoofdredactionele artikel pas na de mondelinge behandeling van dit kort geding is gepubliceerd, rechtvaardigt, gelet op hetgeen is overwogen ten aanzien van [De wethouder], geen andersluidende proceskostenveroordeling.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt eisers in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagden begroot op € 1.079,--, waarvan

€ 816,-- aan salaris advocaat en € 263,-- aan griffierecht;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A. Koppen en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2010.

cb