Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL6512

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-02-2010
Datum publicatie
04-03-2010
Zaaknummer
346526 - HA ZA 09-2938
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Relatief bevoegdheidsincident van gedaagde die in Singapore woont/verblijft. Op grond van artikel 99 lid 2 Rv is voor relatieve bevoegdheid voldoende dat gedaagde in Nederland een werkelijk verblijf heeft. Nu gedaagde in onderhavige zaak met enige regelmaat in Den Haag verblijft, hij daartoe een appartement in eigendom heeft, de deurwaarder hem voor betekening van een beslag in 2009 in dit appartement heeft aangetroffen en de dagvaarding in onderhavige hoofdzaak in 2009 op ditzelfde adres aan zijn echt- en huisgenote heeft betekend, is dit voldoende om een werkelijk verblijf in Nederland aan te nemen ook al zou gedaagde woonachtig zijn in Singapore.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 346526 / HA ZA 09-2938

Vonnis in het incident tot relatieve onbevoegdheid van 10 februari 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap

[eiser] BEHEER BV,

gevestigd te Laren (NH),

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. G. van Amstel,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats] en/of te Singapore,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. E. van der Hoeden.

Partijen zullen hierna wederom [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis in het incident van 18 november 2009 en de daarin genoemde gedingstukken;

- de akte in het incident tot relatieve onbevoegdheid aan de zijde van [gedaagde], met 2 producties;

- de antwoordakte in incident aan de zijde van [eiser].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De verdere beoordeling in het incident

2.1. In het onderhavige relatieve bevoegdheidsincident dient allereerst te worden beoordeeld of [gedaagde] woonachtig is dan wel zijn werkelijk verblijf heeft in [woonplaats] of in Singapore. Nu [eiser] bij haar conclusie van antwoord in incident een aantal producties heeft gevoegd ter onderbouwing van haar stelling dat [gedaagde] in [woonplaats] woonachtig is, heeft de rechtbank [gedaagde] in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

2.2. Bij akte in het incident tot relatieve onbevoegdheid betoogt [gedaagde] - zakelijk weergegeven - dat hij woonachtig is in Singapore ter onderbouwing waarvan hij in kopie vier bescheiden heeft overgelegd (zie productie 9), te weten A) een Nederlands paspoort dat op 3 juli 2009 is afgegeven door de ambassadeur te Singapore, B) een Nederlands rijbewijs met daarop het adres van [gedaagde] in Singapore, C) een Singaporees rijbewijs en D) een document met daarop het adres van [gedaagde] in Singapore. Voorts voert hij aan dat hij samen met zijn broer eigenaar is van een zeilboot in [plaats X.] en dat zijn schoonmoeder in [woonplaats schoonmoeder] woonachtig is. Om wedstrijden te zeilen en om zijn schoonmoeder te bezoeken, is hij (en zijn echtgenote) incidenteel in Nederland, waarbij hij verblijft in zijn appartement in [woonplaats]. Ten slotte betwist [gedaagde] de door de deurwaarder afgelegde verklaring (overgelegd als productie 11 bij conclusie van antwoord in het incident) en betoogt hij dat hij de deurwaarder slechts heeft gemeld dat áls hij in Nederland is, hij op de [adres] te [woonplaats] verblijft.

[eiser] stelt bij antwoordakte in incident dat het mogelijk is dat [gedaagde] formeel zijn woonplaats in Singapore heeft, maar dat hij in [woonplaats] zijn verblijfplaats heeft, ter onderbouwing waarvan zij (wederom) naar de verklaring van de deurwaarder verwijst.

2.3. De rechtbank stelt voorop dat de stelling van [eiser] dat op grond van artikel 99 lid 2 Rv voor de relatieve bevoegdheid van de Haagse rechtbank voldoende is dat [gedaagde] in [woonplaats] zijn werkelijk verblijf heeft ondanks het feit dat mogelijk in Singapore zijn woonplaats is gelegen, correct is.

2.4. Nu [gedaagde] zelf heeft aangegeven dat hij met enige regelmaat in [woonplaats] verblijft om wedstrijden te zeilen en zijn schoonmoeder te bezoeken, hij daartoe een appartement in eigendom heeft, de deurwaarder hem voor betekening van het beslag op 4 juni 2009 in dit appartement heeft aangetroffen en de dagvaarding in de hoofdzaak op 17 augustus 2009 op ditzelfde adres aan zijn echt- en huisgenote is betekend, oordeelt de rechtbank dat [gedaagde] geacht moet worden een werkelijk verblijf in Nederland te hebben. Dat betekent dat zij haar relatieve bevoegdheid aan artikel 99 lid 2 Rv kan ontlenen, waarmee de incidentele vordering voor afwijzing gereed ligt.

2.5. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in het incident.

3. De beoordeling in de hoofdzaak

Comparitie van partijen

3.1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van het griffiedossier en zal een comparitie van partijen bevelen. Het doel daarvan is:

a. het verkrijgen van inlichtingen en/of

b. het onderzoeken van schikkingsmogelijkheden dan wel het oplossen van bepaalde geschilpunten en/of

c. de bespreking van de bewijslast en/of

d. het geven van een voorlopig oordeel over de zaak en/of

e. het maken van afspraken over het verdere verloop van de procedure.

Verdere gang van zaken

3.2. De verdere gang van zaken is als volgt:

1. In de regel ontvangen de advocaten over enige tijd van de rechtbank een instructieformulier. Daarin kan de rechtbank

- een agenda van ter comparitie te bespreken onderwerpen aankondigen

- nadere instructies geven, waaronder vragen om overlegging van bescheiden, schriftelijke getuigenverklaringen of een reactie naar aanleiding van bepaalde stellingen/verweren.

Het staat de advocaten daarnaast vrij om zelf de rechter te voorzien van aanvullende informatie ter voorbereiding van de comparitie.

De advocaten dienen op de voet van 2.9 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken uiterlijk veertien dagen vóór de comparitiedatum deze stukken per post te sturen aan het CNA-bureau Sector civiel recht, Paleis van Justitie, Postbus 20302, 2500 EH 's-Gravenhage, ter attentie van de te benoemen behandelend rechter en

aan de wederpartij(en). Het mailadres van het CNA-bureau luidt:

cna-bureau.rb.den.haag@rechtspraak.nl. Dit adres is niet bestemd voor het sturen van processtukken.

2. Voor de comparitiezitting is in beginsel anderhalf uur gereserveerd. Partijen en advocaten doen er goed aan rekening te houden met enige uitloop.

3. Tijdens de comparitie zal de rechter aan partijen vragen stellen over de voorgeschiedenis van het geschil. Meestal kunnen deze vragen het beste worden beantwoord door degenen die bij de voorgeschiedenis betrokken waren: partijen doen er daarom goed aan om bij voorkeur deze betrokkenen mee te nemen naar de zitting.

Een partij kan ook een deskundige meenemen naar de comparitie. De rechtbank verzoekt de advocaat dit tijdig aan de rechtbank en de wederpartij te laten weten.

De kosten die gemaakt moeten worden om dergelijke betrokkenen of

deskundigen op de comparitie aanwezig te laten zijn, zijn voor

rekening van de partij die hen meeneemt.

4. De advocaten krijgen ter comparitie de gelegenheid om in het kort mondeling een juridische toelichting te geven. Zij kunnen geen pleitnotities voordragen, tenzij de rechter dit ruim tevoren heeft toegestaan. Partijen kunnen daartoe binnen twee weken na dit vonnis een gemotiveerd verzoek indienen.

5. Op gezamenlijk verzoek van partijen kan de rechtbank de zaak ter comparitie doorverwijzen naar een mediator.

6. Als tijdens de comparitie geen schikking tot stand komt, wordt verkort proces-verbaal opgemaakt van hetgeen ter zitting naar voren is gekomen. Dat proces-verbaal wordt ter zitting opgesteld en ondertekend door partijen, of - met toestemming van partijen - buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Een griffier is ter zitting of op afroep aanwezig.

7. Als een partij niet op de comparitie verschijnt of niet reageert op verzoeken uit het instructieformulier kan de rechter daaruit de gevolgtrekkingen maken die hij raadzaam acht, ook in het nadeel van die partij.

Verzoek om uitstel van de comparitie

3.3. Op de voet van artikel 8.3 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken zal een verzoek om uitstel van de comparitie - bijvoorbeeld vanwege schikkingsonderhandelingen - dat niet binnen twee weken na de kennisgeving van het tijdstip van de comparitie is ontvangen, in beginsel worden afgewezen.

Tijdstip van de comparitie nog niet bekend

3.4. Wegens een (tijdelijk) tekort aan rechters zullen dag- en tijdstip van de zitting op een later tijdstip worden bepaald. Ook de naam van de behandelend rechter zal dan worden meegedeeld.

4. De beslissing

De rechtbank

in het relatieve bevoegdheidsincident

4.1. wijst het gevorderde af,

4.2. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 452,00 aan salaris advocaat,

in de hoofdzaak

4.3. beveelt een persoonlijke verschijning van partijen zelf - rechtspersonen deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die goed van de feiten op de hoogte is en die bevoegd is tot het treffen van een minnelijke regeling - en hun advocaten, met hiervoor aangegeven doelen op een nader te bepalen dag en tijdstip in het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag, ten overstaan van de nog aan te wijzen rechter,

4.4. houdt in afwachting van de datumbepaling deze zaak pro forma aan tot zaterdag 27 maart 2010 te 23:00 uur,

4.5. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wien en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.