Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL6458

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-02-2010
Datum publicatie
04-03-2010
Zaaknummer
AWB 10/4526, 10/4524
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BM1972, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

WBV 2009/5 / traumatabeleid / geen relevante wijziging van recht

Gemachtigde van verzoekster heeft het WBV 2009/5 aangevoerd als relevante wijziging van recht omdat onder paragraaf C2/4.2.1. van de Vc 2000 als uitgangspunt voor toepassing van het traumatabeleid is toegevoegd: “(…) terwijl als gevolg van de situatie in het land van herkomst kan worden aangenomen dat daders van deze mensenrechtenschendingen in het land van herkomst ongestraft blijven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter betreft deze passage in WBV 2009/5, geen wijziging van het traumatabeleid, maar een verduidelijking van dit beleid. In de toelichting behorend bij WBV 2009/5 is namelijk opgenomen: “Daarnaast zijn in dit wijzigingsbesluit enige aanpassingen opgenomen ter verduidelijking van de ratio achter het traumatabeleid. Deze aanpassingen waren nodig voor een duidelijker beeld van het beleid ten aanzien van het beschermingsalternatief in gevallen waarin het traumatabeleid een rol speelt”. Bovendien berust de stelling van gemachtigde van verzoekster op een onjuiste lezing omdat, waar in de ratio wordt gesproken over daders van mensenrechtenschendingen die ongestraft blijven, blijkens de nadere uitwerking van het beleid in C2/4.2.4 van de Vc 2000 onderzocht en beoordeeld moet worden of daders van deze handelingen in het algemeen worden bestraft in het land van herkomst en expliciet is opgenomen dat het niet gaat om de vraag of de specifieke daders van de betreffende gebeurtenis onbestraft zijn gebleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Assen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Zaaksnummer: AWB 10/4526 BEPTDN S7 en AWB 10/4524 BEPTDN S7

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 februari 2010

inzake:

[...],

geboren 1981,

van [...] nationaliteit,

IND-dossiernummer: [...],

V-nummer: [...],

verzoeker,

gemachtigde: mr. M.E. Muller, advocaat te Gouda,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. A. Wildeboer, ambtenaar bij de IND.

Procesverloop

Op 28 januari 2010 heeft verzoekster een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Bij besluit van 4 februari 2010 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd.

Bij beroepschrift van 4 februari 2010 heeft verzoekster beroep ingesteld bij de rechtbank tegen dit besluit. Dit beroep is geregistreerd onder Awb 10/4524 BEPTDN S7.

Verzoekster is meegedeeld dat zij de behandeling van het beroepschrift niet in Nederland mag afwachten. Bij verzoekschrift van 4 februari 2010 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen totdat op het beroep wordt beslist. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de voorzieningenrechter en verzoekster gezonden.

Openbare behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening heeft plaatsgevonden op 19 februari 2010. Verzoekster is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Motivering

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen het besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Verzoekster is tijdig op deze bevoegdheid gewezen.

Artikel 4:6 Awb bepaalt dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag is gedaan, de aanvrager is gehouden nieuw gebleken feiten of veranderende omstandigheden te melden. Indien daarvan geen sprake is, kan het bestuursorgaan de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerder afwijzende beschikking.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster op 2 juli 2008 voor de eerste maal een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van artikel 28 Vw 2000 heeft gedaan. Bij besluit van 2 februari 2009 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats plaats Rotterdam, niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van de gronden van beroep, waarmee de afwijzing van de aanvraag onherroepelijk is geworden. Met de laatste uitspraak is tevens in rechte komen vast te staan dat verzoekster bescherming kan verkrijgen van de zijde van de Keniaanse autoriteiten tegen haar vijf Mungiki buurjongens en dat zij zich met betrekking tot haar persoonlijke vrees voor deze vijf buurjongens aan hen kan onttrekken door zich in een ander gedeelte van Kenia te vestigen.

Verzoekster heeft op 28 januari 2010 een herhaalde asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag legt verzoekster allereerst ten grondslag dat zij geen bescherming van de Keniaanse autoriteiten kan verkrijgen tegen de dreiging van de zijde van de Mungiki. Voorts brengt verzoekster als nieuwe omstandigheid in dat zij voor besnijdenis te vrezen heeft van de zijde van de Masai waartegen zij geen bescherming van de autoriteiten stelt te kunnen verkrijgen. Tevens doet verzoekster een beroep op de verslechterde algemene situatie in Kenia sinds de vorige afwijzende beschikking van 2 februari 2009 en stelt zij zich op het standpunt dat Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2009/5 een relevante wijziging van het traumatabeleid inhoudt en derhalve een novum oplevert. Ten slotte heeft verzoekster ter ondersteuning van haar herhaalde aanvraag ingebracht dat zij bij terugkeer naar Kenia vreest te worden ondervraagd door de Keniaanse autoriteiten omtrent het waarom van haar vlucht uit Kenia.

Ter ondersteuning van de aanvraag heeft verzoekster de volgende stukken overgelegd.

1. Een artikel van de Immigration and Refugee Board of Canada van 16 november 2009.

2. Een artikel van het Refugee Documentation Centre of Ireland van 8 oktober 2009.

3. Een nieuwsbericht van 25 december 2009, Somali Islamists Declare war on Kenya.

4. Een nieuwsbericht van 22 december 2009, 10 Districts Face Acute Food Crisis.

5. Een nieuwsbericht van 23 september 2009, Australia Mulls Kenyan women “circumcision” case.

6. Een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 12 mei 2009 met 4 bijlages.

bijlage 1: UK Home Office, Operational Guidance Note, 15 september 2008.

bijlage 2: US State Department, Country Report on Human Rights Practices, 25 februari 2009.

bijlage 3: UN Comittee Against Torture, Concluding observations of the Committee against Torture, 19 januari 2009.

bijlage 4: World Organization against Torture, 31 mei 2008.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

Volgens vaste jurisprudentie moet de rechter, ter bepaling van de omvang van de door hem te verrichten beoordeling in dit geval, direct treden in de vraag of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat hetgeen door of namens verzoekster ter ondersteuning van haar herhaalde asielaanvraag is aangevoerd, geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden betreffen in de zin van artikel 4:6 Awb. Met betrekking tot het standpunt van verzoekster dat zij geen bescherming kan krijgen van de Keniaanse autoriteiten tegen de door haar gevreesde besnijdenis van de zijde van de Mungiki, overweegt de voorzieningenrechter dat de door gemachtigde ter zitting aangevoerde passages ter ondersteuning van dit standpunt, op één na, zijn opgenomen in rapportages die dateren van vóór het in de vorige procedure genomen besluit, welke derhalve in die eerdere procedure hadden kunnen en behoren te worden ingebracht. Ten aanzien van de verwijzing van gemachtigde ter zitting in dit verband naar een rapportage van het US State Department, Country Report on Human Rights Practices van 25 februari 2009, is de voorzieningenrechter van oordeel dat genoemd stuk geen grond biedt voor de stelling van eiseres dat de Keniaanse autoriteiten geen bescherming bieden tegen de Mungiki. Het betreft hier veeleer een weergave van de algemene stand van zaken ten aanzien van het voorkomen van besnijdenis in Kenia. Hetgeen overigens aan stukken ter onderbouwing van voornoemd standpunt is ingebracht leidt niet tot een ander oordeel.

Met betrekking tot het door verzoekster gestelde novum, dat zij te vrezen heeft voor besnijdenis van de zijde van de Masai, onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 4 april 2008 (06/25028), is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet valt in te zien dat verzoekster genoemde vrees niet reeds ten tijde van haar eerste procedure had kunnen in brengen, te meer daar zij toen wél heeft verklaard woonachtig te zijn op Masai grondgebied en zij ook toen al alleenstaand was, na het overlijden van haar vader.

Ten aanzien van de door verzoekster aangevoerde stelling dat de algemene situatie in Kenia, sinds februari 2009 is verslechterd overweegt de voorzieningenrechter dat het aan verzoekster is om dit aannemelijk te maken. De ter ondersteuning van dit standpunt aangevoerde nieuwsberichten (genoemd onder 3 en 4 ), te weten: de aankondiging van een aanval op Kenia door de Islamitische beweging Al Shabaab en een dreigende voedselcrisis in Kenia zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om te kunnen spreken van een verslechtering van de algemene veiligheidssituatie in Kenia ten opzichte van het eerdere besluit van 2 februari 2009.

Gemachtigde van verzoekster heeft voorts het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (hierna: WBV) 2009/5, betreffende het traumatabeleid, aangevoerd als relevante wijziging van recht omdat onder paragraaf C2/4.2.1. van de Vc 2000 als uitgangspunt voor toepassing van het traumatabeleid is toegevoegd: “(…) terwijl als gevolg van de situatie in het land van herkomst kan worden aangenomen dat daders van deze mensenrechtenschendingen in het land van herkomst ongestraft blijven. In dat geval kan van de vreemdeling niet gevergd worden terug te keren naar het land van herkomst. Daarmee beschermt het traumatabeleid de vreemdeling tegen de confrontatie met de ongestraft gebleven daders”. Op grond van vorenstaande stelt gemachtigde van verzoekster dat verzoekster in aanmerking komt voor een traumatavergunning nu de daders in haar individuele zaak onbestraft zijn gebleven.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter betreft deze door gemachtigde van verzoekster aangehaalde passage in WBV 2009/5, anders dan gemachtigde namens verzoekster stelt, geen wijziging van het traumatabeleid, maar een verduidelijking van dit beleid. In de toelichting behorend bij WBV 2009/5 is namelijk opgenomen: “Daarnaast zijn in dit wijzigingsbesluit enige aanpassingen opgenomen ter verduidelijking van de ratio achter het traumatabeleid. Deze aanpassingen waren nodig voor een duidelijker beeld van het beleid ten aanzien van het beschermingsalternatief in gevallen waarin het traumatabeleid een rol speelt”. Bovendien berust de stelling van gemachtigde van verzoekster op een onjuiste lezing omdat, waar in de ratio wordt gesproken over daders van mensenrechtenschendingen die ongestraft blijven, blijkens de nadere uitwerking van het beleid in C2/4.2.4 van de Vc 2000 onderzocht en beoordeeld moet worden of daders van deze handelingen in het algemeen worden bestraft in het land van herkomst en expliciet is opgenomen dat het niet gaat om de vraag of de specifieke daders van de betreffende gebeurtenis onbestraft zijn gebleven. Vorenstaande betekent dat er in casu geen sprake is van gewijzigd beleid en dat derhalve niet gesproken kan worden van een novum in de zin van artikel 4:6 Awb.

Ten aanzien van de stelling van eiseres dat zij bij terugkeer naar Kenia vreest te worden ondervraagd door de Keniaanse autoriteiten omtrent het waarom van haar vlucht naar Nederland, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De voorzieningenrechter verstaat vorenstaande als een beroep op artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Onder verwijzing naar een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998, in de zaak Bahaddar tegen Nederland (LJN: AG8817), overweegt de voorzieningenrechter dat slechts onder bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden, de noodzaak kan bestaan om de in het nationale recht neergelegde procedureregels, waaronder artikel 4:6 van de Awb, niet aan de vreemdeling tegen te werpen. De enkele niet nader onderbouwde stelling van verzoekster dat zij bij terugkeer zal worden ondervraagd door de Keniaanse autoriteiten kan niet worden gezien als bijzondere omstandigheden in voornoemde zin, zodat artikel 4:6 van de Awb niet om die reden buiten toepassing kan worden gelaten.

Derhalve is de voorzieningenrechter van oordeel dat hetgeen door verzoekster is aangevoerd geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn in de zin van artikel 4:6 van de Awb, die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen.

Uit het voorgaande volgt tevens dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan beoordeling van de hoofdzaak en dat deze slechts in ongegrondverklaring van het beroep kan eindigen. De voorzieningenrechter ziet derhalve aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk op dat beroep te beslissen.

Nu het beroep ongegrond dient te worden verklaard, wordt het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

-wijst het verzoek om een voorlopige voorziening bekend onder nummer Awb 10/4526 af;

-verklaart het beroep, bekend onder nummer Awb 10/4024, ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.A. Vlietstra, rechter, bijgestaan door E.R. Horstman, griffier.

E.R. Horstman mr. N.A. Vlietstra

In het openbaar uitgesproken op 26 februari 2010.

Tegen deze uitspraak ten aanzien van het gedeelte waarin ten aanzien van het beroep is beslist, kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”,postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

afschrift verzonden op: