Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL6374

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-03-2010
Datum publicatie
03-03-2010
Zaaknummer
09/925276-09 (dagvaarding I); 09/665180-09 (dagvaarding II, ttz.gev.)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BR1678, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op zijn ex-vriendin door haar keel dicht te knijpen en een theedoek in haar mond te proppen. Het slachtoffer is daardoor buiten bewustzijn geraakt.

Voorts heeft hij zich schuldig gemaakt aan mensenhandel van zijn ex-vriendin door haar te dwingen om haar opbrengsten uit prostitutiewerkzaamheden aan hem af te geven. Daartoe heeft hij haar voortdurend opgebeld en ge-smst, terwijl zij als prostituee aan het werk was. Hij vroeg dan hoeveel klanten zij had, hoeveel zij verdiend had en hij droeg haar op de verdiensten op te schrijven. Hij mishandelde haar als hij vond dat zij te weinig had verdiend of als hij bemerkte dat zij geld had achtergehouden. Ook mishandelde hij haar op willekeurige momenten. Verdachte wordt vrijgesproken van afpersing met betrekking tot een auto, die zijn ex-vriendin in bezit had. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot 4 jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers 09/925276-09 (dagvaarding I);

09/665180-09 (dagvaarding II, ttz.gev.)

Datum uitspraak: 3 maart 2010

Tegenspraak (ex artikel 279 Wetboek van Strafvordering)

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1970,

adres: [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 17 februari 2010.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. F.A. Kuipers en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. M.L. van Gessel, advocaat te Amsterdam, die op de voet van artikel 279, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering door verdachte tot zijn verdediging is gemachtigd, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting (hetgeen als wijziging is toegestaan is hieronder cursief gedrukt) ten laste gelegd dat:

(bij dagvaarding I)

1.

hij op tijdstippen in de periode van 01 september 2005 tot en met 31 augustus 2006 te 's-Gravenhage en/of Mol (België) en/of Nijmegen en/of Eindhoven en/of Dordrecht en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, een ander, genaamd [slachtoffer], door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft gedwongen dan wel bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [slachtoffer] met een derde,

immers heeft hij, verdachte,

- die [slachtoffer], toen zij in de prostitutie werkte, zeer veelvuldig gebeld en/of sms-berichten gestuurd en/of haar aldus (voortdurend) gecontroleerd en/of (aldus)gecontroleerd hoeveel klanten zij had en/of hoeveel geld zij (per dag) verdiende en/of

- die [slachtoffer] (veelvuldig) mishandeld en/of

- die [slachtoffer] (veelvuldig) bedreigd dat hij haar en/of haar zoon en/of haar

familie zou vermoorden en/of

- die [slachtoffer] gedwongen om in de clubs waar zij werkte te overnachten en aldus 7 dagen per week te werken en/of

- alle, althans een zeer aanzienlijk deel van de verdiensten van die [slachtoffer] afgenomen en/of door bovengenoemde handelingen en/of omstandigheden haar ertoe gedwongen het door haar in de prostitutie verdiende geld aan hem, verdachte, af te geven en/of af te staan;

art 273a lid 1 ahf/sub 9° Wetboek van Strafrecht oud

2.

hij op tijdstippen in de periode van 01 september 2006 tot en met 13 februari 2008 te 's-Gravenhage en/of Mol (België) en/of Nijmegen en/of Eindhoven en/of Dordrecht en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, een ander, genaamd [slachtoffer], door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door

misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft gedwongen dan wel bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [slachtoffer] met een derde,

immers heeft hij, verdachte,

- die [slachtoffer], toen zij in de prostitutie werkte, zeer veelvuldig gebeld en/of sms-berichten gestuurd en/of haar aldus (voortdurend) gecontroleerd en/of (aldus) gecontroleerd hoeveel klanten zij had en/of hoeveel geld zij (per dag) verdiende en/of

- die [slachtoffer] (veelvuldig) mishandeld en/of

- die [slachtoffer] (veelvuldig) bedreigd dat hij haar en/of haar zoon en/of haar familie zou vermoorden en/of

- die [slachtoffer] gedwongen om in de clubs waar zij werkte te overnachten en aldus 7 dagen per week te werken en/of

- alle, althans een zeer aanzienlijk deel van de verdiensten van die [slachtoffer] afgenomen en/of door bovengenoemde handelingen en/of omstandigheden haar ertoe gedwongen het door haar in de prostitutie verdiende geld aan hem, verdachte, af te geven en/of af te staan;

art 273f lid 1 ahf/sub 9° Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 3 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 08 maart 2006 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, op de borstkas, althans het lichaam, heeft gestampt en/of op de borstkas is gesprongen en/of een doek in de mond van die [slachtoffer] heeft geduwd en/of gepropt en/of de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 08 maart 2006 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, op de borstkas, althans het lichaam, heeft gestampt en/of op de borstkas is gesprongen en/of een doek in de mond van die [slachtoffer] heeft geduwd en/of gepropt en/of de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op tijdstippen in de periode van 1 september 2005 tot en met 13 februari 2008 te 's-Gravenhage en/of Rotterdam en/of elders in Nederland meermalen opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer]), heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt op/tegen het hoofd en/of het gezicht en/of het lichaam, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

(bij dagvaarding II)

hij op of omstreeks 08 september 2006 te Rotterdam met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een personenauto, merk BMW, met kenteken [kenteken], in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- zetten van een mes tegen/op de keel van die [slachtoffer] en/of

- slaan van die [slachtoffer] en/of

- zeggen dat die [slachtoffer] de personenauto (weer) op naam van hem, verdachte, moest (laten) zetten en/of dat zij daaraan mee moest werken en/of

- door veelvuldige mishandelingen binnen hun relatie een zodanige dwang creëren dat voor die [slachtoffer] een (constante) dreigende situatie bestond waardoor zij er aan heeft meegewerkt dat voornoemde auto bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer op naam van verdachte werd gezet;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel (feiten 1 en 2 van dagvaarding I), een poging tot doodslag (feit 3 primair van dagvaarding I), mishandelingen (feit 4 van dagvaarding I) en afpersing (dagvaarding II) met telkens [slachtoffer] als slachtoffer.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de hem bij dagvaardingen I en II ten laste gelegde feiten heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van alle bij dagvaarding I en dagvaarding II ten laste gelegde feiten op het standpunt gesteld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor een bewezenverklaring van die feiten.

Daartoe heeft de raadsman in zijn pleitnotities aangevoerd, dat de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] ongeloofwaardig en onbetrouwbaar zijn. Niet alleen zijn deze verklaringen innerlijk tegenstrijdig; zij vinden bovendien geen steun in de tapgesprekken. Uit de tapgesprekken blijkt immers niet dat aangeefster door verdachte is gedwongen om haar verdiensten uit prostitutiewerkzaamheden aan hem af te staan en evenmin om de prostitutiewerkzaamheden voort te zetten. Het overige in het dossier voorhanden zijnde bewijs is gebaseerd op de verklaringen van aangeefster.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging1*

3.3.1 Vrijspraak

In tegenstelling tot de officier van justitie, acht de rechtbank het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Ten laste is gelegd dat [slachtoffer] door verdachte door middel van geweld of bedreiging met geweld is bewogen tot de afgifte van een auto. Uit de stukken van het dossier blijkt dat het kenteken van de in de tenlastelegging aangeduide auto na inbeslagneming van de deurwaarder op 8 september 2006 op naam van [slachtoffer] is gesteld. Voor zover uit de stukken zou kunnen worden afgeleid dat verdachte geweld heeft gebruikt of daarmee heeft gedreigd naar aangeefster, is er hooguit sprake geweest van het door middel van geweld of bedreiging met geweld bewegen tot wijziging van de tenaamstelling van het kenteken ten behoeve van verdachte, maar dat is niet ten laste gelegd. Van fysieke of juridische afgifte van de auto is niet gebleken. Uit de verklaring van getuige [A] bij de politie komt naar voren dat aangeefster de auto, ook na 8 september 2006, gebruikte en in haar bezit had.2*

3.3.2 Beoordeling van de feiten 1, 2, 3 primair en 4 van dagvaarding I

Uit de bij de politie en rechter-commissaris afgelegde verklaringen van aangeefster [slachtoffer] en de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van verdachte leidt de rechtbank het volgende af.

In september 2005 leerde [slachtoffer] verdachte kennen tijdens een Joegoslavisch feest in Rotterdam3*. Zij wisselden telefoonnummers uit en sindsdien onderhielden zij telefonisch contact. [slachtoffer] zocht verdachte in de weekenden daarna op in [plaats], waar hij destijds woonde. In het derde weekend na die eerste ontmoeting besloten zij te gaan samenwonen in [plaats]4*. Verdachte wilde een huis kopen in [plaats], maar omdat hij een schuld had van € 13.000 kon hij geen hypotheek krijgen. Verdachte was in die tijd ofwel werkzaam als lasser ofwel liep hij in de ziektewet. [slachtoffer] heeft toen met verdachte besproken dat ze alleen uit die schuld konden komen door met drugs of prostitutie geld te verdienen. Verdachte gaf te kennen niets met drugs te maken te willen hebben, maar verzette zich niet tegen het voorstel van [slachtoffer] de prostitutie te gaan bedrijven. [slachtoffer] las een advertentie in de krant van club [X] in Moll (België) en is daar gaan kijken, waarna zij heeft besloten om in die club als prostituee te gaan werken5*.

Tot zover stemmen de lezingen van aangeefster en verdachte overeen.

Verdachte heeft ontkend, zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris, dat hij [slachtoffer] heeft gedwongen haar verdiensten uit deze prostitutiewerkzaamheden aan hem af te geven, hij heeft eveneens ontkend dat hij haar meermalen heeft mishandeld en ook heeft hij ontkend dat hij geprobeerd heeft haar om het leven te brengen.

Verdachte heeft bij de rechter-commissaris6* verklaard dat hij in augustus 2006 teleurgesteld was dat aangeefster weer wilde gaan werken als prostituee en dat zij hem toen smeekte om weer aan het werk te mogen gaan. In het licht van hetgeen hierna uit de bewijsmiddelen wordt afgeleid, acht de rechtbank deze verklaring van verdachte kennelijk leugenachtig.

De rechtbank is van oordeel dat de lezing van aangeefster ten aanzien van feiten 1, 2, 3 primair en 4 van dagvaarding I voldoende wordt ondersteund door getuigen die verklaren over feiten en omstandigheden die zij zelf hebben waargenomen.

Het verweer van de verdediging, voor zover inhoudende dat de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] ongeloofwaardig zijn en al het overige bewijs op die verklaringen is gebaseerd, wordt dan ook door de rechtbank verworpen.

Het verweer van de verdediging, voor zover inhoudende dat uit de tapgesprekken het tegenovergestelde blijkt van hetgeen door [slachtoffer] is verklaard, wordt eveneens verworpen. De inhoud van de tapgesprekken (die een periode van 17 dagen bestrijken) is voor meer interpretaties betreffende de relatie tussen verdachte en aangeefster vatbaar en zijn in zoverre belastend noch ontlastend ten aanzien van feiten 1 en 2 van dagvaarding I.

De rechtbank zal daarom de tapgesprekken niet bezigen tot het bewijs voor deze feiten.

De volgende uit de bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden acht de rechtbank redengevend voor de bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 3 primair en 4 van

dagvaarding I.

Eind september 2005 is aangeefster [slachtoffer] in de [X] gaan werken. Zij heeft daar ongeveer negen maanden gewerkt. Verdachte belde haar de hele dag. Hij vroeg altijd wat zij verdiend had en hij dwong haar hem te bellen en te sms-en op het moment dat zij met een klant naar boven ging. Op deze manier wist hij hoeveel klanten zij had. Op deze manier controleerde hij haar. Ook moest zij van verdachte opschrijven wat zij verdiend had. Nadat zij het geld aan hem had afgegeven, telde hij het na en vergeleek het bedrag met de bedragen die zij op papier had geschreven. Een keer, nadat zij een bedrag van 1500 euro in haar broekzak had verstopt, vond hij dat bedrag, waarna zij door verdachte is mishandeld. Na een paar maanden begon hij haar te mishandelen en te vernederen7*. Verdachte sloeg haar overal op haar lichaam. Ook schopte hij met zijn voeten tegen haar benen, buik, rug, hoofd en gezicht. Verdachte klaagde altijd dat er te weinig geld was en dat de hypotheek moest worden betaald. Op die manier legde hij druk op aangeefster om weer aan het werk te gaan als prostituee. Hij liet haar advertenties van clubs zien waarin meisjes werden gevraagd voor de prostitutie8*.

Getuige [B] heeft aangeefster [slachtoffer] eind september 2005 leren kennen toen zij werkzaam was als prostituee in de [X] in Mol (België). Aanvankelijk was hij een klant van haar. Daarna bleef hij haar ontmoeten. Hij heeft ongeveer zes keer gezien dat zij blauwe plekken op haar lichaam had. Deze plekken zaten op haar benen, armen en billen9*. Getuige [B] heeft [slachtoffer] ongeveer vijf maanden in de [X] bezocht. Als hij haar zag, kwam er ieder kwartier een telefoontje of sms. De stemming sloeg dan om, zij werd bang. Hij concludeerde dat dat met die smsjes te maken had10*.

Getuige [C] is in februari 2006 op verzoek van verdachte naar Nederland gekomen. Nadat verdachte in [plaats] een huis had gekocht is [C] bij verdachte en [slachtoffer] gaan wonen11*. Hij is van een aantal mishandelingen van [slachtoffer] door verdachte getuige geweest. Verdachte mishandelde [slachtoffer] wanneer het hem uitkwam. [slachtoffer] werd door verdachte geslagen, geschopt, aan haar haren getrokken en tegen de muur geschopt. Getuige [C] heeft vaak verwondingen bij [slachtoffer] gezien, zoals blauwe plekken op haar hoofd, kale plekken op haar hoofd omdat haren waren uitgetrokken en opgezwollen lippen.

Hij heeft in een periode van vier maanden ongeveer tweeëneenhalve maand bij verdachte en [slachtoffer] gewoond in [plaats]. In juni 2006 is hij teruggegaan naar Joegoslavië12*.

[C] heeft bij de politie verklaard dat hij eens op verzoek van verdachte onder de matras in de slaapkamer een zakje geld moest weghalen. Hij heeft dat gedaan en zag in het zakje een dikke stapel geld met bankbiljetten van € 500 en € 100. Verdachte liep vaak te showen met stapels geld. Verdachte vertelde over het geld dat het door zijn vrouwtje werd verdiend. Hij bedoelde daar [slachtoffer] mee.13*

Volgens aangeefster14* heeft verdachte op 8 maart in het jaar dat getuige [C] bij verdachte en haar in hun woning verbleef, geprobeerd haar om het leven te brengen.

Het was die dag vrouwendag in Joegoslavië. Zij had van haar vriendin [D] uit Joegoslavië een sms-bericht ontvangen. Op dat moment was zij in de woonkamer. Verdachte pakte haar telefoon af en las het sms-bericht. Hij werd boos. Zij liep naar de keuken en op het moment dat zij richting de woonkamer liep voelde zij dat verdachte haar hard sloeg. Door de klap viel zij op de grond. Direct daarna voelde zij dat verdachte hard met zijn voeten tegen haar rug schopte. Verdachte pakte vervolgens haar handen beet en probeerde haar handen uit elkaar te trekken. Hierna voelde zij dat verdachte een prop in haar mond stopte. Zij kreeg daardoor geen adem meer. Het werd zwart voor haar ogen en zij raakte bewusteloos. Getuige [C] bevestigt deze gebeurtenis en verklaart daarover bij de rechter-commissaris15 dat hij op 8 maart 2006 wist dat er iets aan de hand was tussen [slachtoffer] en verdachte. Hij was die dag bij hen thuis en bevond zich in de woonkamer toen hij uit de slaapkamer gillen hoorde. Hij zag dat [slachtoffer] naar hem toe rende en dat verdachte haar achterna rende en met vuisten in het gezicht van [slachtoffer] begon te slaan. Hij maande verdachte om daarmee te stoppen, maar dat deed verdachte niet. Op een gegeven moment is [slachtoffer] op de grond gevallen als gevolg van het slaan en schoppen. Verdachte probeerde [slachtoffer] te laten stikken. Hij had zijn handen om haar keel. Verdachte pakte vervolgens een theedoek, is met zijn knie op haar borst gaan zitten en duwde de doek in haar mond. Getuige [C] zag dat [slachtoffer] begon te stikken en met haar benen begon te trekken omdat zij geen lucht meer kreeg. Hij heeft toen verdachte opgepakt en weggeduwd en heeft de doek uit de mond van [slachtoffer] gehaald. Zij was toen bewusteloos en blauw aangelopen. Voorafgaand aan die dag waren er ruzies tussen verdachte en [slachtoffer].

Getuige [C] zag dat verdachte op internet zocht naar adressen van nachtclubs; naar plaatsen waar [slachtoffer] kon werken. Getuige [C] is mee gegaan toen verdachte en [slachtoffer] bordelen bezochten in de omgeving van Antwerpen. Nadat hij verdachte had gevraagd of [slachtoffer] zich met prostitutie bezig hield, antwoordde verdachte dat zij zich daarmee bezighield en dat zij voor verdachte werkte. Er waren veel ruzies over geld. Als [slachtoffer] niet genoeg geld bracht, dan kwamen er ruzies16*. Iedere keer als [slachtoffer] thuiskwam gaf ze geld aan verdachte. Getuige [C] heeft dat zeker tien keer gezien. Een paar keer heeft hij gezien dat verdachte de tas en schoenen van [slachtoffer] doorzocht, terwijl zij onder de douche stond17*. Verdachte zei wel eens tegen [slachtoffer] als zij geld aan hem gaf dat zij niet veel uren had gemaakt18*.

Getuige [C] verklaart bij de politie dat er perioden waren dat [slachtoffer] twee of drie dagen achtereen weg was om te werken in seksclubs waar zij dan overnachtte. Tijdens die dagen controleerde verdachte haar constant door haar te bellen. Nadat [slachtoffer] het door haar verdiende geld aan verdachte had afgegeven, zag getuige [C] dat verdachte het geld telde19*.

Getuige [D] verklaart bij de politie dat zij eind december 2005 in Joegoslavië was en daar aangeefster zag die daar samen met verdachte was. Verdachte had een aparte koffer met cadeautjes voor iedereen van de familie, onder andere een witte bontjas voor [E], de zus van aangeefster. Verdachte zei heel nadrukkelijk dat híj dit allemaal gekocht had20*.

Getuige [E] verklaart bij de rechter-commissaris dat zij in mei 2006 naar Nederland is gekomen om een tijdje met haar zuster [slachtoffer] door te brengen. Zij is ongeveer twee weken bij [slachtoffer] in huis geweest die toen bij verdachte in [plaats] woonde. Na een paar dagen was zij getuige van een ruzie tussen verdachte en haar zuster. In zijn woede zei verdachte tegen getuige: "Weet je dat je zus een hoer is en werkt als prostituee". Zij zag dat verdachte haar zuster sloeg en aan haar haren trok. Hij schopte haar en zei dat zij een hoer was. Hij trok de hairextensions uit het haar van [slachtoffer]. Daarna gooide hij haar op de grond en heeft hij haar geschopt. Vervolgens hebben getuige en verdachte [slachtoffer] naar het ziekenhuis gebracht21*.

Aangeefster verklaart bij de politie22* dat zij na de [X] bij "[X2]", vlakbij Nijmegen, "[X3]" in Eindhoven, "[X4]" in Eindhoven, [X5] te Dordrecht, [X6] in Zundert en [X7] in Rotterdam heeft gewerkt en dat zij ook daar onder controle van verdachte stond. Iedereen daar in die clubs merkte dat aan de constante telefoontjes van verdachte. Al het geld dat zij daar verdiende moest zij afstaan aan verdachte. Bij de rechter-commissaris verklaart aangeefster dat zij ongeveer twee maanden in een privéhuis genaamd "[X8]" heeft gewerkt en dat zij in "[X7]" in Rotterdam werkte toen verdachte in de gevangenis zat. Dat was in 2007. Van september 2005 tot februari 2008 heeft zij onafgebroken in de prostitutie gewerkt23*.

Getuige [F] leerde aangeefster kennen in seksclub [X7] in Rotterdam.

Zij werkte daar al als prostituee. [slachtoffer] kwam daar in 2007 werken. Zij heeft daar ongeveer een jaar samen met [slachtoffer] gewerkt. In de club merkte zij dat [slachtoffer] de hele dag gebeld werd op haar mobiele telefoon. Soms wel 20 keer binnen een uur. Zij zag aan [slachtoffer] dat zij heel nerveus was en dat zij in paniek raakte als de telefoon weer overging. Op een bepaald moment kreeg [slachtoffer] van de beheerder of exploitant van de club waarschuwingen dat zij niet meer gebeld mocht worden op haar mobiele telefoon. Dit was niet goed voor de andere meisjes in de club en de klanten. Die zagen ook dat zij steeds in paniek raakte en vaak begon te huilen als de telefoon ging. Getuige [F] weet nog wel dat [slachtoffer] helemaal in paniek raakte als ze een keer niet zoveel had verdiend24*.

De eigenaar van seksclub [X7] te Rotterdam genaamd [eigenaar] heeft bij de politie bevestigd dat hij [slachtoffer] had aangesproken op het feit dat zij de hele dag door gebeld werd op haar mobiele telefoon door haar vriend. Ook beheerster van diezelfde seksclub genaamd [beheerster] heeft bij de politie verklaard dat [slachtoffer] de hele dag door gebeld werd door haar vriend. Zij zag dat [slachtoffer] erg nerveus reageerde als ze gebeld werd25*.

Getuige [eigenaar2] is eigenaar van seksinrichting "[X8]" gevestigd te Rotterdam.

Hij verklaart op 8 juli 2009 dat [slachtoffer] ongeveer anderhalve week in zijn privehuis heeft gewerkt. Dat was ongeveer tweeënhalf jaar geleden. Hij heeft de vriend van [slachtoffer] twee keer bij zijn privehuis gezien. Hij merkte dat er op haar telefoon veelvuldig gebeld werd; om het kwartier of half uur. Hij hoorde dat er een buitenlandse taal werd gesproken. Hij begreep dat het de vriend van [slachtoffer] was. Hij zag dat [slachtoffer] regelmatig geïrriteerd was omdat haar vriend belde26*.

Getuige [eigenaar3] is eigenaar van priveclub "[X3]", gevestigd te Eindhoven. In mei 2007 kwam een Joegoslavisch meisje in die club werken. Haar werknaam was [slachtoffer].

Op een gegeven moment hoorde hij van andere meiden die daar werkten dat [slachtoffer] de hele dag door haar vent gebeld werd. Die vent belde volgens de meiden, om bij [slachtoffer] te informeren hoeveel klanten ze had gehad en hoeveel ze verdiend had. Toen hij dit hoorde, heeft hij [slachtoffer] gevraagd wat er aan de hand was. [slachtoffer] bevestigde hem, dat haar vriend om het door haar verdiende geld vroeg. Hij heeft toen haar het idee aangereikt om geld achter te houden. Zij gaf hem vervolgens geld dat hij voor haar bewaarde en dat zij dan in het weekend meenam naar huis in [plaats]. Voordat [slachtoffer] daar kwam werken, werkte ze in club [X4]27*.

Op 13 februari 2008 belde een beheerster van seksclub [X9] te 's-Gravenhage de politie met de mededeling dat aangeefster in deze club als prostituee werkte en dat zij mogelijk het slachtoffer was van mensenhandel28*.

Samengevat blijkt uit deze feiten en omstandigheden:

- dat verdachte aangeefster tijdens haar werk als prostituee in alle clubs waar zij werkte, zo stelselmatig en obsessief belde en sms-te, dat haar collega's en werkgevers hiertegen bezwaar gingen maken;

- dat getuigen verklaren dat aangeefster van deze telefoontjes en sms-berichten nerveus werd en zelfs in paniek raakte;

- dat getuigen gezien hebben dat verdachte aangeefster ernstig heeft mishandeld en vernederd, zowel na een ruzie alsook zonder enige aanleiding;

- dat getuigen bij aangeefster letsel hebben gezien;

- dat verdachte naar de familie van aangeefster de indruk wekte dat hij over veel geld kon beschikken;

- dat verdachte aangeefster naar het leven heeft gestaan en dat zij desondanks bij hem is blijven wonen.

Door deze feiten en omstandigheden is aannemelijk geworden dat aangeefster in de relatie met verdachte leefde in een sfeer van dwang en (dreiging met) geweld, waartegen zij zich als gevolg van langdurige vernederingen en mishandelingen niet meer durfde te verzetten. In die omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat aangeefster onder dwang haar verdiensten uit de prostitutie aan verdachte heeft afgegeven.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

in de periode van 01 september 2005 tot en met 31 augustus 2006 te

's-Gravenhage en/of Mol (België) en/of Nijmegen en/of Eindhoven en/of Dordrecht en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, een ander, genaamd [slachtoffer] door dwang en geweld heeft gedwongen dan wel bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [slachtoffer] met een derde,

immers heeft hij, verdachte,

- die [slachtoffer], toen zij in de prostitutie werkte, zeer veelvuldig gebeld en sms-berichten gestuurd en haar aldus voortdurend gecontroleerd en aldus gecontroleerd hoeveel klanten zij had en hoeveel geld zij per dag verdiende en

- die [slachtoffer] veelvuldig mishandeld en

- door bovengenoemde handelingen haar ertoe gedwongen het door haar in de prostitutie verdiende geld aan hem, verdachte, af te geven

2.

in de periode van 01 september 2006 tot en met 13 februari 2008 te

's-Gravenhage en/of Mol (België) en/of Nijmegen en/of Eindhoven en/of Dordrecht en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, een ander, genaamd [slachtoffer], door dwang en geweld heeft gedwongen dan wel bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [slachtoffer] met een derde,

immers heeft hij, verdachte,

- die [slachtoffer], toen zij in de prostitutie werkte, zeer veelvuldig gebeld en sms-berichten gestuurd en haar aldus voortdurend gecontroleerd en aldus gecontroleerd hoeveel klanten zij had en hoeveel geld zij per dag verdiende en

- die [slachtoffer] veelvuldig mishandeld en

- door bovengenoemde handelingen haar ertoe gedwongen het door haar in de prostitutie verdiende geld aan hem, verdachte, af te geven

3.

op 08 maart 2006 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, een doek in de mond van die [slachtoffer] heeft gepropt en de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

4.

op tijdstippen in de periode van 1 september 2005 tot en met 13 februari 2008 te Rotterdam meermalen opzettelijk een persoon te weten [slachtoffer], heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt op/tegen het hoofd en/of het gezicht en/of het lichaam, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat ook geen omstandigheid aannemelijk is geworden die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De straf

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van de hem bij dagvaarding I onder 1, 2, 3 primair, 4 tenlastegelegde en het bij dagvaarding II tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de tijd in voorlopige hechtenis doorgebracht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak voor alle feiten bepleit en geen standpunt ingenomen ten aanzien van de strafeis van de officier van justitie.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft ongeveer vier jaar geleden geprobeerd zijn toenmalige vriendin om het leven te brengen door haar keel dicht te knijpen en een theedoek in haar mond te proppen. Het slachtoffer is daardoor buiten bewustzijn geraakt. Dat zij niet door verstikking is overleden is geenszins aan verdachte te danken, maar aan een vriend van verdachte die van het gebeuren getuige is geweest en die het slachtoffer uit de handen van verdachte heeft bevrijd en de theedoek uit haar mond heeft gehaald.

Voorts heeft verdachte gedurende een periode van twee jaar en vier maanden zijn toenmalige vriendin stelselmatig uitgebuit door haar te dwingen om haar opbrengsten uit prostitutiewerkzaamheden aan hem af te geven. Dit heeft hij bewerkstelligd door een sfeer te creëren waarin zij zich verplicht voelde om dat te doen. Daartoe belde hij haar voortdurend op of stuurde haar sms-berichten, terwijl zij als prostituee aan het werk was, en hij vroeg dan hoeveel klanten zij had, hoeveel zij verdiend had en hij droeg haar op de verdiensten op te schrijven. Als zij na afloop van het werk naar hun woning terugkeerde, moest zij haar verdiende geld aan hem afstaan en telde hij het geld na. Als hij vond dat zij te weinig had verdiend of als hij bemerkte dat zij een bedrag had achtergehouden, mishandelde hij haar. Er werd tussen hen regelmatig geruzied over geld, waarbij verdachte het slachtoffer kleineerde door haar uit te schelden en te beledigen. Deze ruzies hadden meestal tot gevolg dat verdachte zijn ex-vriendin mishandelde.

Daarnaast mishandelde verdachte zijn ex-vriendin ook op willekeurige momenten.

Zij zat regelmatig onder de blauwe plekken en had ook verwondingen in haar gezicht.

De rechtbank is van oordeel dat deze feiten verdachte zwaar moeten worden aangerekend.

Met de uitbuiting van zijn ex-vriendin heeft verdachte enkel oog gehad voor financieel gewin. Bij het begaan van deze feiten heeft verdachte geen enkel respect getoond voor zijn ex-vriendin en heeft hij ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke vrijheid.

Uit de slachtofferverklaring die ter terechtzitting is voorgelezen is bovendien naar voren gekomen dat de feiten het leven van zijn ex-vriendin volkomen hebben veranderd en dat zij sindsdien lijdt aan depressies en een posttraumatische stress stoornis.

Uit een op naam van verdachte staand uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte in 2003 is veroordeeld voor mishandeling, hetgeen verdachte niet heeft weerhouden om zich binnen drie jaar opnieuw schuldig te maken aan mishandelingen en een poging tot doodslag. Bovendien heeft verdachte de uitbuiting voortgezet terwijl hij in 2007 een gevangenisstraf onderging.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank dan ook een gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden.

7. De voorlopige hechtenis

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert ten aanzien van feiten 1, 2, 3 primair, 3 subsidiair en 4 van dagvaarding I en het bij dagvaarding II tenlaste gelegde feit de gevangenneming van de verdachte en stelt zich daarbij op het standpunt dat gevangenneming op grond van artikel 65 van het Wetboek van Strafvordering ook na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting mogelijk is. Zij voert hiervoor aan dat er voldoende ernstige bezwaren zijn en dat de gronden van recidivegevaar en vluchtgevaar van toepassing zijn.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich - zo begrijpt de rechtbank het verweer - primair op het standpunt dat de gevangenneming uitsluitend kan worden bevolen indien de verdachte in verzekering is gesteld of zich op vrije voeten bevindt doch niet als de verdachte, zoals in deze zaak, reeds in voorlopige hechtenis heeft gezeten.

De verdediging stelt zich subsidiair op het standpunt dat, nu de voorlopige hechtenis van de verdachte op 28 augustus 2009 door de rechtbank is opgeheven, de gevangenneming van de verdachte alleen dan kan worden bevolen, indien er sinds die laatste beslissing sprake is van een significante wijziging van omstandigheden. Dat is in deze zaak niet het geval. Daarmee moet de vordering van de officier van justitie worden opgevat als een verkapt rechtsmiddel en reeds daarom worden afgewezen.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het primaire en subsidiaire standpunt van de verdediging.

De gevangenneming kan wel degelijk worden bevolen, indien de rechtbank daarvoor gronden aanwezig acht naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting. De rechtbank is, gezien vorenstaande bewezenverklaring, van oordeel dat er voldoende ernstige bezwaren jegens verdachte bestaan voor de verdenking dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de feiten 1, 2, 3 primair en 4 en dat de gronden van recidivegevaar en vluchtgevaar (verdachte heeft nauwe banden met Joegoslavië) aanwezig zijn.

De rechtbank zal daarom voor deze feiten de gevangenneming van de verdachte bevelen, welke beslissing apart zal worden geminuteerd.

8. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

8.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering ter zake van de materiële schadeposten "BMW 530 serie (gekregen van [H])", "Reiskosten 10 sessies PsyQ, kosten € 5,- per keer", "Eigen bijdrage ziektekostenverzekering € 165,- per jaar", zijnde een totaalbedrag van € 46.045,= en tot toewijzing van immateriële schade tot een bedrag van € 25.000,=.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij voor zover de vordering betrekking heeft op materiële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daartoe is aangevoerd dat op de materiële schadepost betreffende inkomsten uit prostitutie, nummers 1 tot en met 15, gelet op de inhoud van de tapgesprekken, onwaarschijnlijk hoge dagopbrengsten staan vermeld, zodat dit deel van de vordering niet eenvoudig is vast te stellen. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat de benadeelde partij vrijwillig in de prostitutie werkzaam is geweest en om die reden het bedrag te matigen.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

[slachtoffer], p/a Leidraad Advocaten, Haven 52, 2312 MK Leiden, heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 994.393,= ten aanzien van bij dagvaarding I onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten en het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit. Bij juiste optelling van de opgevoerde posten is het totaal niet € 994.393,=, maar € 692.393,°.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de materiële schadepost "BMW 530 serie (gekregen van [H])", zijnde een bedrag van € 45.500,=, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, aangezien verdachte ten aanzien van het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de overige materiële schadeposten, zijnde een totaalbedrag van € 621.893,=, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien dit deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat het zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Ter zake van de gevorderde immateriële schade, zal de rechtbank naar billijkheid bij wijze van voorschot een bedrag van € 10.000,= toewijzen.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 10.000,=.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bij dagvaarding I onder 1, 2, 3 primair en 4 bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 10.000,=, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer].

9. De inbeslaggenomen goederen

9.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage aan dit vonnis is gehecht) vermelde personenauto, merk BMW, type 530D, kenteken [kenteken] zal worden teruggegeven aan [slachtoffer].

9.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de op de beslaglijst vermelde auto niet kan worden teruggegeven aan [slachtoffer], aangezien de auto niet op haar naam staat.

De auto moet daarom worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

9.3. Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting kan met betrekking tot de op de beslaglijst vermelde auto geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt, nu niet vaststaat wie naar burgerlijk recht de rechtmatige eigenaar van de auto is.

De rechtbank zal daarom de bewaring van dit voorwerp ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

10. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 56, 57, 287, 300, 273a (oud) en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij gewijzigde dagvaarding II tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij gewijzigde dagvaarding I onder 1, 2, 3 primair en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feiten 1 en 2:

de voortgezette handeling van:

- mensenhandel;

ten aanzien van feit 3 primair:

- poging tot doodslag;

ten aanzien van feit 4:

- mishandeling, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 JAREN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

beveelt de gevangenneming van de verdachte (apart geminuteerd);

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan

[slachtoffer], p/a Leidraad Advocaten, Haven 52, 2312 MK Leiden, een bedrag van € 10.000,=;

bepaalt dat de benadeelde partij voor een bedrag van € 45.500,= (betreffende de BMW 530 serie) niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding, nu verdachte van het feit, waaruit deze vordering voortvloeit, is vrijgesproken;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding, nu dit gedeelte van de vordering niet eenvoudig van aard is, en dat zij dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 10.000,= ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 85 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de op de beslaglijst vermelde personenauto.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A.C. van Rossum, voorzitter,

mrs M.A. Dirks en H.N. Pabbruwe, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Gest,griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2010.

1* Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina's betreft dit de pagina's van een bundel processen-verbaal met het dossiernummer PL15J1/2008/568, regiopolitie Haaglanden, met bijlagen, doorgenummerd pagina 1 tot en met 329.

2* Een proces-verbaal van verhoor van getuige [A], opgemaakt op 23 juli 2009. Een concept (niet-ondertekend) exemplaar bevindt zich in het dossier, zie voor de weergave van deze verklaring pagina 328. Door de officier van justitie is op de terechtzitting van 17 februari 2010 een origineel en door verbalisanten ondertekend exemplaar van dit proces-verbaal overgelegd.

3* Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer], pagina 39 en proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 22 en 29 september 2009, alinea 1.

4* Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] bij de rechter-commissaris d.d. 22 juni 2009, alinea 4. en proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 22 en 29 september 2009, alinea 1.

5* Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer], pagina 39-40 en proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 22 en 29 september 2009, alinea 2.

6* Proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 22 en 29 september 2009, alinea 8.

7* Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer], pagina 41 en 42.

8* Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer], pagina 43.

9* Proces-verbaal van verhoor aangever [B], pagina 32 en 33.

10* Proces-verbaal van verhoor getuige [B] bij de rechter-commissaris d.d. 24 juni 2009, alinea 8 en 12.

11* Proces-verbaal van verhoor getuige [C], pagina 65 en proces-verbaal van verhoor getuige [C] bij de rechter-commissaris d.d. 25 juni 2009, alinea 6.

12* Proces-verbaal van verhoor getuige [C], pagina 67.

13* Proces-verbaal van verhoor getuige [C], pagina 70.

14* Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer], pagina 252-253.

15* Proces-verbaal van verhoor getuige [C] bij de rechter-commissaris d.d. 25 juni 2009, alinea 10.

16* Proces-verbaal van verhoor getuige [C] bij de rechter-commissaris d.d. 25 juni 2009, alinea 11 en 12.

17* Proces-verbaal van verhoor getuige [C] bij de rechter-commissaris d.d. 25 juni 2009, alinea 14.

18* Proces-verbaal van verhoor getuige [C] bij de rechter-commissaris d.d. 25 juni 2009, alinea 19.

19* Proces-verbaal van verhoor getuige [C], pagina 70.

20* Proces-verbaal van verhoor getuige [D], pagina 60-61.

21* Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] bij de rechter-commissaris d.d. 26 juni 2009, alinea 7, 8, 9 en 10.

22* Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer], pagina 43.

23* Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] bij de rechter-commissaris d.d. 22 juni 2009, alinea 3.

24* Proces-verbaal van verhoor getuige [F], pagina 304 en 305.

25* Proces-verbaal van bevindingen, pagina 323 en 324.

26* Proces-verbaal van verhoor getuige [eigenaar2], pagina 325 en 326.

27* Een proces-verbaal van verhoor van getuige [A], opgemaakt op 23 juli 2009. Een concept (niet-ondertekend) exemplaar bevindt zich in het dossier, zie voor de weergave van deze verklaring pagina 327 en 328. Door de officier van justitie is op de terechtzitting van 17 februari 2010 een origineel en door verbalisanten ondertekend exemplaar van dit proces-verbaal overgelegd.

28* Proces-verbaal van bevindingen, pagina 26.