Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL6311

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-02-2010
Datum publicatie
03-03-2010
Zaaknummer
Awb 09/3954
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Irak, Bagdad, asielaanvraag, art. 15c Definitierichtlijn, geen uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Middelburg

AWB nummer: 09/3954

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht

inzake

[naam],

eiser,

gemachtigde [naam],

advocaat te Terneuzen,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde [naam],

medewerkster bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

I. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 9 januari 2009 (het bestreden besluit), waarbij zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen.

Het beroep is op 14 januari 2010 behandeld ter zitting. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig H. Amin, tolk in de Arabische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

II. Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op 30 september 1970 en afkomstig te zijn uit Irak. Hij verblijft naar eigen zeggen sinds 16 maart 2008 als vreemdeling in de zin van de vreemdelingenwetgeving in Nederland. Hij heeft op 27 mei 2008 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft op 26 november 2008 eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Eiser heeft zijn zienswijze op dit voornemen schriftelijk naar voren gebracht. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen.

2. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) – voor zover van belang – kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In het tweede lid, aanhef en onder f, is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Ingevolge artikel 1 A van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) is van vluchtelingschap sprake in geval de betrokkene afkomstig is uit een land waarin hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

Ingevolge artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen

Op grond van artikel 2, aanhef en onder e, van de richtlijn 2004/83 EG inzake de minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven (hierna: de Definitierichtlijn) kan in aanmerking komen voor een subsidiaire beschermingsstatus, voor zover hier van belang, een onderdaan van een derde land ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

Ingevolge artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bestaat ernstige schade uit ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

3. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn asielaanvraag -samengevat- het volgende aangevoerd. Hij heeft Irak verlaten en in Nederland asiel aangevraagd omdat hij problemen heeft ondervonden als gevolg van zijn soennitische geloofsovertuiging. Eiser ondervond problemen van shi’itische burgers en shi’itische militieleden. Zijn zus en twee van zijn zwagers zijn door hen gedood. Daarnaast is eiser getuige geweest van de moord op een voorganger van een moskee. Deze gebeurtenissen en de algehele onveilige situatie in Irak

waren voor eiser aanleiding om zijn land van herkomst te verlaten.

4. Verweerder heeft met verwijzing naar het bepaalde in het eerste lid van artikel 31 van de Vw 2000, in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, onder f, van dat artikel, de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft daarbij overwogen dat niet ter discussie staat dat eiser een echt bevonden nationaliteitsverklaring heeft overgelegd en twee maal een kopie van een overlijdensakte. Verweerder stelt echter dat het toerekenbaar is dat eiser geen contact met zijn moeder heeft gelegd om zijn nationale identiteitskaart, zijn militair boekje en zijn diploma’s te verkrijgen. Verder heeft eiser met betrekking tot zijn gestelde reisroute geen consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen afgelegd. Verweerder stelt dat het niet aannemelijk is dat eiser, die hoogbegaafd is en een universitaire opleiding heeft, niets weet te vertellen over het grensdorpje in Irak en zijn reis naar Istanboel. Het vorenstaande doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

Daarnaast acht verweerder het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig. Verweerder stelt dat het niet aannemelijk is dat eiser en zijn familie na de dood van [naam 1] geen problemen hebben ondervonden van de shi’ieten. Te meer daar de shi’ieten op de hoogte waren van de verblijfsplaats van eiser en zijn familie en tegen [naam 1] hadden gezegd dat zij de wijk moesten verlaten. Verder stelt verweerder dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard op de vraag of hij nog met [naam 1] heeft kunnen praten toen deze zwaargewond was. Ook acht verweerder het niet aannemelijk dat eiser op 25 december 2007 op eenvoudige wijze en ongedeerd heeft kunnen ontsnappen uit de moskee, gelet op het aantal overvallers en de ingenomen posities. Eisers verklaring dat hij niet terug kon naar de bakkerij wordt ook niet gevolgd, nu eiser tijdens zijn verblijf in de bakkerij geen problemen heeft ondervonden en niet gebleken is dat hij wel problemen zou ondervinden na hetgeen hij verklaard heeft over de gebeurtenissen in de moskee. Voor zover eiser in verband met zijn geloofsovertuiging een beroep doet op de algemene situatie in Irak, is dat op zichzelf niet toereikend voor een beroep op vluchtelingschap. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder overwogen dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000. Eiser komt evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van het traumatabeleid. Tot slot stelt verweerder dat het categoriale beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Centraal-Irak is afgeschaft.

5. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij van mening is dat hij voldoende gegevens heeft overgelegd met betrekking tot zijn identiteit en nationaliteit, alsmede met betrekking tot zijn reisroute. Om die reden is er geen aanleiding om op voorhand te twijfelen aan zijn asielrelaas. Eiser stelt dat het voor hem moet pleiten dat hij consistent is in zijn verklaringen. Verder past zijn relaas perfect binnen hetgeen over Irak bekend is. Ten aanzien van zijn ontsnapping uit de moskee stelt eiser dat er paniek was en dat hij niet heeft verklaard dat de moskee volledig was omsingeld door gewapende belegeraars die hun formatie behielden, ondanks paniek. Eiser stelt dat hij vanwege zijn geloof is en wordt vervolgd. Verder heeft hij traumatische ervaringen ondergaan. Er wordt ten onrechte niet langer een categoriaal beleid gevoerd voor asielzoekers uit Centraal-Irak. Tot slot voert eiser aan dat verweerder ten onrechte voorbij is gegaan aan de mogelijkheid om hem bescherming te bieden op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Duidelijk is dat in Irak sprake is van een gewapend conflict en dat eiser al ernstige schade heeft geleden en nog meer dreigt te leiden bij terugkeer naar Irak. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een notitie van Vluchtelingenwerk over de veiligheidssituatie in Centraal-Irak van oktober 2008 overgelegd en een brief van Amnesty International van 6 oktober 2008 aan de Staatssecretaris van Justitie.

De rechtbank overweegt het navolgende.

6. De rechtbank overweegt allereerst dat eiser ter zitting het beroep op het categoriale beschermingsbeleid heeft ingetrokken.

7. Voorts heeft eiser eerst ter zitting een beroep gedaan op de Richtlijn 2005/85/EG betreffende minimumnormen voor de procedures van in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (Procedurerichtlijn). De rechtbank is van oordeel dat dit beroep buiten beschouwing dient te blijven wegens strijd met de goede procesorde. Eiser had dit eerder in de procedure naar voren kunnen en moeten brengen.

8. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de beoordeling van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten behoort tot de verantwoordelijkheid van verweerder. Die beoordeling kan slechts terughoudend door de rechter worden getoetst. Verweerder pleegt het relaas en de daarin gestelde feiten voor waar aan te nemen, indien de vreemdeling alle hem gestelde vragen zo volledig mogelijk beantwoordt en het relaas op hoofdlijnen innerlijk consistent en niet onaannemelijk is en strookt met wat over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is. Bovendien geldt als vereiste dat zich geen van de in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw 2000 opgesomde omstandigheden, die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling, voordoet. Indien aan dit laatste vereiste niet is voldaan, dan mogen ingevolge artikel 31 van de Vw 2000, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling en volgens de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels, in het relaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet dan positieve overtuigingskracht uitgaan.

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij toerekenbaar onvoldoende documenten heeft overgelegd om zijn nationaliteit en identiteit aan te tonen. Eiser heeft niet weerlegd waarom zijn moeder, nu zij wel in het bezit was van een nationaliteitsverklaring, niet in het bezit was van de andere documenten.

Verder heeft eiser geen verklaring gegeven voor het feit dat hij niets kan vertellen over zijn reis. Dat hij veelal ’s-nachts heeft gereisd en dat hij zijn reis noch reisroute vooraf heeft uitgestippeld, is geen afdoende verklaring. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het voorgaande afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser.

10. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat de verklaringen van eiser positieve overtuigingskracht missen en het relaas derhalve ongeloofwaardig is. Eiser heeft met zijn stelling dat zijn asielrelaas perfect past binnen hetgeen over Irak bekend is, niet weerlegd dat het vreemd is dat de shi’ieten hem na de dood van [naam 1] niet hebben gezocht in de woning van de zus. Ook heeft eiser geen plausibele verklaring gegeven voor de tegenstrijdige verklaringen die hij over [naam 1] heeft afgelegd. Dat er paniek was bij de moskeegangers is geen afdoende verklaring voor de eenvoudige ontsnapping van eiser. Eiser heeft immers tijdens het nader gehoor (pagina 8) verklaard dat er 6 à 7 gewapende leden van de Al Kehdi militie de voorganger doodschoten en er buiten de moskee nog meer gewapende mannen met auto’s stonden. Daarnaast zijn er geen aanwijzingen dat eiser persoonlijk wordt vervolgd vanwege zijn geloofsovertuiging.

11. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde vrees voor vervolging heeft als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

12. Nu uit de vorige rechtsoverweging tevens volgt dat eiser bij gedwongen terugkeer naar Irak geen reëel risico loopt te worden onderworpen aan foltering, dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, dreigt bij uitzetting geen schending van artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft dan ook terecht geen grond aanwezig geacht voor verlening van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

13. Eiser heeft daarnaast een beroep gedaan op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft overwogen in de uitspraak van 25 mei 2009 (LJN: BI4791), kan uit rechtsoverweging 43 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (Hof van Justitie) van 17 februari 2009 in de zaak Elgafaji (LJN: BH3646), gelezen in samenhang met de rechtsoverwegingen 35 tot en met 40 van dat arrest, worden afgeleid dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn, bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, bedoelde ernstige bedreiging. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 voorziet in de aldus vereiste bescherming, aangezien deze bepaling de grondslag biedt voor vergunningverlening in situaties die door artikel 3 van het EVRM worden bestreken en laatstgenoemde bepaling - gezien de daaraan door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) gegeven uitleg in het arrest van 17 juli 2008, in de zaak NA. tegen het Verenigd Koninkrijk (LJN: BF0248) - ook ziet op de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

14. Niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit Bagdad, Centraal Irak. Partijen verschillen van mening over de vraag of zich in Centraal-Irak een uitzonderlijke situatie als bedoeld in bovenaangehaalde uitspraak voordoet, waarbij de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar deze gebieden louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige bedreiging.

15. Eiser stelt in de gronden van beroep dat in Irak sprake is van een ‘binnenlands gewapend conflict’. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser een notitie van Vluchtelingenwerk van oktober 2008 over de veiligheidssituatie in Centraal-Irak overgelegd en een brief van Amnesty International van 6 oktober 2008 aan de Staatssecretaris van Justitie. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat volgens het ambtsbericht Irak van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 29 mei 2009 in de periode juni 2008/mei 2009 sprake was van een gewapend conflict. Verder heeft eiser gesteld dat nu artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn een bepaling is uit Richtlijn 2004/83/EG, het voor de hand ligt om voor uitleg van deze bepaling te kijken naar jurisprudentie van het Hof van Justitie in plaats van die van het EHRM. Uit de uitspraak van het Hof van Justitie van 17 februari 2009 in de zaak Elgafaji (LJN: BH3646) volgt volgens eiser uit rechtsoverweging 36 dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn een eigen werkingssfeer heeft. Daarnaast heeft eiser verwezen naar ‘UNHCR Eligibility guidelines for assessing the international protection needs of Iraqi asylum seekers’ van april 2009. Hieruit zou blijken dat ten tijde van het besluit in Centraal-Irak sprake was een binnenlands gewapend conflict en daarom van de hiervoor bedoelde uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, aldus eiser.

16. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de stelling van eiser, dat de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn niet juist zou zijn uitgevoerd, te laat is ingebracht. Verweerder stelt dat de toetsing aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn een resttoets is, waarbij individuele redenen geen rol spelen. Verweerder stelt dat zijn eerdere standpunt in het verweerschrift van 22 april 2009, dat de veiligheidssituatie in Irak is verbeterd, wordt ingetrokken. Verweerder handhaaft echter op basis van de thans voorhanden zijnde informatie, waaronder het ambtsbericht Irak van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 29 mei 2009 en jurisprudentie van de Afdeling (LJN: BK8692, reg.nr. 200904121/1/V2 uitspraakdatum 25/11/2009 en reg.nr. 200901464/1/V2 uitspraakdatum 14/10/2009) en deze rechtbank, nevenzittingsplaatsen Arnhem, ’s-Hertogenbosch en Roermond (LJN: BK6939, BK3813, BK2169), het standpunt dat de situatie in Irak in zijn algemeenheid en in Bagdad in het bijzonder niet zo uitzonderlijk en ernstig is dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

17. De rechtbank overweegt allereerst dat het ter zitting ingenomen standpunt van verweerder, dat eisers stelling betreffende de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn te laat is ingebracht, niet wordt gevolgd. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser in zijn gronden van beroep reeds heeft aangevoerd dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn onjuist is toegepast. Hetgeen ter zitting door eiser is aangevoerd kan daarom worden aangemerkt als een nadere toelichting. De rechtbank is echter van oordeel dat de stelling van eiser geen doel kan treffen. De jurisprudentie van het EHRM ziet immers ook op de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

18. Verder overweegt de rechtbank dat eiser eerst in beroep heeft verwezen naar artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Gelet hierop heeft verweerder in het bestreden besluit geen standpunt ingenomen over een eventueel binnenlands gewapend conflict in Centraal-Irak , noch over een mogelijke uitzonderlijke situatie. Verweerder heeft echter in het verweerschrift en ter zitting onder verwijzing naar het ambtsbericht Irak van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 29 mei 2009 en de voornoemde jurisprudentie gemotiveerd waarom er ten tijde van het bestreden besluit in Irak geen sprake was van een uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. Eiser heeft verweerders standpunt in beroep en ter zitting niet weerlegd. Daarnaast heeft de Afdeling in een uitspraak van 5 januari 2010 (LJN: BK9629) overwogen dat uit het in die zaak overgelegde rapport van de UNHCR van april 2009 niet kan worden afgeleid dat de mate van het willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict op dat moment in Irak in het algemeen, en in Bagdad in het bijzonder, dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat de vreemdeling, louter door haar aanwezigheid aldaar, een reëel risico loopt op ernstige en individuele bedreiging van haar leven of persoon.

19. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

20. Het beroep van eiser op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan evenmin slagen. De dood van zijn zuster [naam 2] en zwager [naam 3] zijn voor eiser destijds geen aanleiding geweest om Irak binnen zes maanden te verlaten. Verder is niet gebleken dat zijn latere vertrek uit Irak verband houdt met traumatische ervaringen.

21. Verweerder heeft gelet op het voorgaande de aanvraag van eiser terecht afgewezen.

22. Het beroep is derhalve ongegrond.

23. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. Uitspraak

De rechtbank ’s-Gravenhage,

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzitter, mr. W.M.P. van Alphen,

mr. B.J. Duinhof, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2010.

Afschrift verzonden op: