Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL6285

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
03-03-2010
Zaaknummer
10/5764
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / gemeenschapsonderdaan / bewezen duurzame relatie / schadevergoeding gedeeltelijk toegewezen

Het door eiser gestelde verblijfsrecht is verblijf als gemeenschapsonderdaan, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Anders dan een verblijfsvergunning is de afgifte van een verblijfsdocument ten bewijze van rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan geen constitutief besluit, maar een declaratoire handeling. Hieruit volgt dat de rechter in bewaringszaken niet gebonden is aan verweerders oordeel ter zake, maar zelfstandig moet beoordelen of aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan is voldaan.

Niet in geschil is dat de partner van eiser de Portugese nationaliteit heeft. Evenmin is in geschil dat zij in Nederland werkt, hier al langer dan drie maanden verblijft en dat van een verblijfsbeëindiging geen sprake is. Indien moet worden aangenomen dat sprake is van een deugdelijk bewezen duurzame relatie, valt eiser onder artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000 en kan hij zijn rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan ontlenen aan artikel 8.13, eerste lid, van het Vb 2000, gelezen in samenhang met artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000.

De rechtbank is van oordeel dat van een deugdelijk bewezen duurzame relatie sprake is. Uit het overgelegde bewijs vloeit voort dat de relatie al ten tijde van de oplegging van de maatregel bestond en duurzaam was, zodat ten tijde van de inbewaringstelling eiser rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Derhalve was de bewaring van aanvang af onrechtmatig.

Het verzoek om schadevergoeding wordt gedeeltelijk toegewezen. Niet is gebleken dat verweerder ten tijde van de oplegging van de maatregel beschikte over een afschrift van de samenlevingsovereenkomst. Vaststaat dat verweerder op 23 februari 2010 bekend is geworden met de samenlevingsovereenkomst. Dit had voor verweerder aanleiding moeten zijn de bewaring op te heffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, enkelvoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr : AWB 10/5764

V-nummer: [xxx]

Inzake: [eiser], eiser,

gemachtigde mr. M. Wiersma, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde A.H. Kras.

I Procesverloop

1 Eiser stelt te zijn geboren op [1974] en de Kaapverdische nationaliteit te bezitten.

2 Op 12 februari 2010 is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 februari 2010 waarbij eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) de maatregel van bewaring is opgelegd.

3 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 24 februari 2010. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig A. Lyra, tolk in de Portugese taal.

II Overwegingen

1 Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

2 De rechtbank oordeelt als volgt.

2.1 Eisers betoog dat voorafgaand aan zijn staandehouding geen sprake was van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren, wordt verworpen.

De verbalisanten die de staandehouding verrichtten hebben, zoals onbetwist is gesteld, gehandeld naar aanleiding van een bericht van verweerder dat eiser geen verblijfstitel zou hebben. Daaruit mochten zij het redelijk vermoeden van illegaal verblijf afleiden. Dit vermoeden is weliswaar weerlegbaar, maar de omstandigheid dat bekend was dat [naam partner] de partner van eiser zou zijn, noch de aangetroffen situatie was daarvoor voldoende. Voorafgaand aan de staandehouding waren geen nadere stukken bekend die de eerder door verweerder gemaakte beoordeling in een ander licht konden plaatsen en verbalisanten waren ook niet verplicht daar in het kader van de staandehouding zelf onderzoek naar te doen. Het lag juist op de weg van eiser om hiermee te komen.

2.2.1 De rechter in bewaringszaken dient, binnen de grenzen van het geding, te toetsen of aan de voorwaarden van artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000 is voldaan. Derhalve moet worden onderzocht of eiser wel of geen rechtmatig verblijf heeft. Het door eiser gestelde verblijfsrecht is verblijf als gemeenschapsonderdaan, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Anders dan een verblijfsvergunning is de afgifte van een verblijfsdocument ten bewijze van rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan geen constitutief besluit, maar een declaratoire handeling. Hieruit volgt dat de rechter in bewaringszaken niet gebonden is aan verweerders oordeel ter zake, maar zelfstandig moet beoordelen of aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan is voldaan.

2.2.2 Niet in geschil is dat [naam partner] de Portugese nationaliteit heeft. Evenmin is in geschil dat zij in Nederland werkt, hier al langer dan drie maanden verblijft en dat van een verblijfsbeëindiging geen sprake is. Derhalve valt [naam partner] onder artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), gelezen in samenhang met artikel 8.7, eerste lid, van het Vb 2000.

Indien moet worden aangenomen dat sprake is van een deugdelijk bewezen duurzame relatie, valt eiser onder artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000 en kan hij zijn rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan ontlenen aan artikel 8.13, eerste lid, van het Vb 2000, gelezen in samenhang met artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000.

2.2.3 De rechtbank is van oordeel dat van een deugdelijk bewezen duurzame relatie sprake is. De gezamenlijke inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is niet betwist, noch de omstandigheden waaronder eiser is aangetroffen, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat eiser samenwoonde met [naam partner]. Dat zij een duurzame relatie hebben blijkt voorts voldoende uit de notarieel opgemaakte samenlevingsovereenkomst. De vraagtekens die verweerder heeft gesteld in de beschikkingen van 23 april 2009 en 16 november 2009 zijn, voor zover deze al in deze procedure als herhaald moeten worden beschouwd, onvoldoende.

Uit het bewijs vloeit voort dat de relatie al ten tijde van de oplegging van de maatregel bestond en duurzaam was, zodat ten tijde van de inbewaringstelling eiser rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Derhalve was de bewaring van aanvang af onrechtmatig. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal de opheffing van de maatregel bevelen.

2.3 Het verzoek om schadevergoeding wordt gedeeltelijk toegewezen. Schadevergoeding is slechts aan de orde wanneer een onrechtmatig handelen ook kan worden toegerekend aan verweerder.

Niet is gebleken dat verweerder ten tijde van de oplegging van de maatregel beschikte over een afschrift van de samenlevingsovereenkomst. Het enkele feit dat het bestaan ervan door eiser is gesteld, is onvoldoende. Nu het op de weg van de vreemdeling ligt om de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken waaruit zijn rechtmatig verblijf kan worden afgeleid, is er op dit punt ook geen sprake van een vorm van risicoaansprakelijkheid van verweerder.

Bij faxbericht van 18 februari 2010 is namens eiser een verzoek om toetsing aan het unierecht ingediend bij verweerder. Uit de thans overgelegde stukken is niet gebleken dat een afschrift de notariële akte is meegezonden. In het faxbericht wordt niet gerept van bijlagen, anders dan een schriftelijke aanvraag.

Vaststaat dat verweerder op 23 februari 2010 bekend is geworden met de samenlevingsovereenkomst. Dit had voor verweerder aanleiding moeten zijn de bewaring op te heffen. Er is derhalve grond voor schadevergoeding ter zake van één dag verweerder toerekenbare onrechtmatige bewaring in een huis van bewaring (van 23 februari 2010 tot 24 februari 2010) ten bedrage van 1 x € 80,- = € 80,-.

2.4 De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht, zoals dit luidde ten tijde van het instellen van het beroep, vastgesteld op € 874,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,-- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III Beslissing

De rechtbank ’s Gravenhage:

recht doende:

1 verklaart het beroep gegrond;

2 beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 24 februari 2010;

3 wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan eiser schadevergoeding toe ten bedrage van € 80,-- ten laste van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie), te betalen door de griffier van de rechtbank;

4 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,-- en bepaalt dat, nu aan eiser een toevoeging is verleend, deze kosten rechtstreeks aan de griffier (rekeningnummer 56 99 90 688) worden betaald.

Aldus gedaan door mr.drs. J. van den Bos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.M.J. Bos, griffier.

De griffier,

De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 24 februari 2010.

Rechtsmiddel

Krachtens artikel 95 van de Vw 2000 staat tegen deze uitspraak hoger beroep open. Ingevolge artikel 84, aanhef en onder d, van de Vw 2000 staat geen afzonderlijk hoger beroep open tegen de beslissing op het verzoek om schadevergoeding. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is één week na verzending van de uitspraak. Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.