Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL6268

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-02-2010
Datum publicatie
20-04-2010
Zaaknummer
874577 \ CV EXPL 09-7417
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ0874, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeval, Smartengeld, Aanvullend toegekend € 35.000,-- (totaal € 85.000,--)

Buitengerechtelijke kosten, Zekerheidstelling.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 106
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010/316
VR 2011, 26
JA 2010/93
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector kanton

Locatie Delft

JW/EP

Rolnr. 874577 \ CV EXPL 09-7417

4 februari 2010 (bij vervroeging)

Vonnis in de zaak van:

1. [eiseres],

2. [eiseres], in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige dochter [dochter A.],

3. [eiseres], in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige dochter [dochter B.]

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

gemachtigde: mr. P. Meijer,

tegen

de besloten vennootschap [A.] B.V.,

gevestigd te [plaats A.],

gedaagde partij,

gemachtigde: mr.drs. H.M. Kruitwagen.

Partijen worden aangeduid als [eiseres] en [gedaagde].

Procedure

- de dagvaarding van 23 juli 2009, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek, met producties;

- akte uitlaten producties aan zijde van [eiseres].

1 Feiten

De kantonrechter gaat uit van de navolgende feiten.

1.1 [echtgenoot van eiseres, verder te noemen A.] is op 4 april 2005 tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden voor [gedaagde] een ernstig bedrijfsongeval overkomen toen hij, als bestuurder van zijn auto, het bedrijfsterrein van [gedaagde] wilde verlaten. De parkeerplaats was afgesloten met een slagboom. Deze slagboom vertoonde een storing als gevolg waarvan de slagboom 90 graden gedraaid was en gericht stond op voertuigen die het parkeerterrein van [gedaagde] wilden verlaten. Mede door de laagstaande zon was de slagboom nauwelijks zichtbaar. Bij het verlaten van het parkeerterrein heeft de slagboom zich door de voorruit van de auto geboord en het strottenhoofd van [A.] geraakt.

1.2 Er is door de arbeidsinspectie een proces-verbaal opgesteld. De aansprakelijkheid voor het ongeval is erkend door (de verzekeraar van) [gedaagde].

1.3 In verband met het ernstige letsel dat [A.] heeft opgelopen is er een stent (stalen buis) in zijn strottenhoofd geplaatst als gevolg waarvan [A.] het erg benauwd had; ook het littekenweefsel zorgde voor benauwdheid. [A.] heeft vele operatieve ingrepen ondergaan vanwege littekenweefsel. Door de gevolgen van het ongeval is [A.] volledig arbeidsongeschikt geraakt. Als gevolg van complicaties na een (laatste) operatieve ingreep is [A.] uiteindelijk op 3 maart 2008 komen te overlijden. Hij was toen 40 jaar oud.

1.4 De vordering van [A.] is overgegaan op de erven [A.], te weten zijn echtgenote en zijn twee dochters. Deze dochters waren ten tijde van het ongeval 13 jaar ([minderjarige dochter A.]) respectievelijk 1 maand ([minderjarige dochter B.]) oud.

1.5 Door (de verzekeraar van) [gedaagde] is inmiddels een bedrag ad € 50.000,-- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het ongeval, aan de erven [A.] betaalbaar gesteld. Totaal betreft dit een bedrag van € 58.265,--. Voorts is een bedrag ad € 48.550,-- aan materiele schade aan De erven [A.] betaald.

1.6 Ter zake van buitengerechtelijke kosten hebben De erven [A.] in totaal een bedrag van € 41.291,03 van [gedaagde] gevorderd. Dit bedrag is als volgt gespecificeerd:

- Streefkerk Advocaten € 3.642,29

- NRL € 963,90

- Weggemans Letselschade Adviseurs € 22.112,50

- Mens Advocaten € 14.572,34 +

totaal € 41.291,03.

1.7 Door [gedaagde] is ter zake van buitengerechtelijke kosten in totaal een bedrag van € 25.512,82 aan De erven [A.] voldaan. Dit bedrag kan als volgt gespecificeerd worden:

- Streefkerk Advocaten € 2.000,--

- NRL € 0,--

- Weggemans Letselschade Adviseurs € 8.000,--

- Mens Advocaten € 15.512,82 +

totaal € 25.512,82.

1.8 Eiseressen sub 2 en 3 (respectievelijk [minderjarige dochter A.] en [minderjarige dochter B.]) waren ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding nog minderjarig, zodat aan de kantonrechter toestemming is gevraagd om de procedure te starten. De kantonrechter heeft deze toestemming verleend.

2. Vordering

De erven [A.] vorderen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een (aanvullende) smartengeldvergoeding aan de erven [A.] van € 50.000,00, alsmede [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een (aanvullende) vergoeding aan kosten buiten rechte aan de erven [A.] ad (na wijziging van hun eis) € 15.778,21, met vergoeding van de wettelijke rente over (i) de (aanvullende) smartengeldvergoeding vanaf de ongevalsdatum en (ii) de kosten buiten rechte vanaf het verstrijken van de betalingstermijn, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

De erven [A.] leggen aan hun vordering, tegen de achtergrond van voormelde feiten, het volgende ten grondslag.

2.1 [gedaagde] is als de (voormalige) werkgever van [A.] aansprakelijk voor de door [A.] tengevolge van het ongeval van 4 april 2005 geleden schade. Die aansprakelijkheid is ook door [gedaagde] erkend.

2.2 Partijen hebben geprobeerd minnelijk overeenstemming te bereiken over de vergoeding van de diverse schadecomponenten. Dat is na een uitgebreide discussie uiteindelijk voor wat betreft vele schadecomponenten gelukt. Echter, voor wat betreft twee schadecomponenten bestaat verschil van inzicht. De inzet van de procedure betreft (i) de hoogte van het smartengeld en (ii) de vergoeding van de kosten buiten rechte. Verder bestaat er nog discussie over de omvang van de overlijdensschade welke op grond van art. 6:108 BW kan worden gevorderd. De onderhavige procedure betreft echter alleen de letselschade.

2.3 De erven [A.] vorderen op grond van art. 6:106 BW een smartengeldvergoeding (exclusief wettelijke rente) van € 100.000,--. [gedaagde] heeft een smartengeldvergoeding betaalbaar gesteld van € 50.000,--. Het verschil van inzicht betreffende de omvang van de smartengeldvergoeding bedraagt derhalve € 50.000,--.

2.4 Voorts vorderen de erven [A.] op grond van art. 6:96 BW een vergoeding aan buitengerechtelijke kosten ad € 41.291,03. [gedaagde] meent ten onrechte met de betaling van een bedrag ad € 25.512,82 de redelijke kosten van rechtsbijstand te hebben voldaan. Het verschil van inzicht voor wat betreft de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten bedraagt derhalve € 15.778,21.

2.5 De erven [A.] hebben hun vorderingen in de dagvaarding en conclusie van repliek nader onderbouwd. Voor zover nodig zal hierna bij de beoordeling op die stellingen en de onderbouwing daarvan nader worden ingegaan.

3. Verweer

3.1. [gedaagde] heeft geconcludeerd de erven [A.] bij vonnis niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, althans hen die vorderingen te ontzeggen, met veroordeling, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, van de erven [A.] in de kosten van dit geding, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis en (voor het geval voldoening niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis zou plaatsvinden) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2. [gedaagde] heeft voorts verzocht, voor zover de kantonrechter de vorderingen van de erven [A.], tot welke hoogte ook, zou toewijzen, dat de kantonrechter het eventueel voor de erven [A.] positieve vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren, althans dat de kantonrechter aan een uitvoerbaar bij voorraadverklaring de voorwaarde zal verbinden dat tot een door de kantonrechter te bepalen bedrag door de erven [A.] zekerheid zal worden gesteld. Een en ander met bepaling van de termijn:

A. waarbinnen de zekerheid moet worden aangeboden of gesteld, op straffe van verval van de bevoegdheid met het oog op welke uitoefening de zekerheid is bevolen;

B. waarbinnen de geboden zekerheid door [gedaagde] moet worden aanvaard of geweigerd, op straffe van verval van haar bevoegdheid zekerheidstelling te eisen.

3.3. [gedaagde] heeft haar verweer in de conclusie van antwoord en conclusie van dupliek nader onderbouwd. Op het gevoerde verweer zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.

4. Beoordeling

Smartengeld

4.1 Bij de beoordeling van de hoogte van het aan de betrokkene toe te kennen smartengeld dient de kantonrechter rekening te houden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en aard en de ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer.

4.2 In dat kader hebben de erven [A.] onder meer het volgende aangevoerd.

[A.] heeft door het ongeval ernstig letsel opgelopen aan zijn strottenhoofd;

als gevolg van het letsel ontstond er wildgroei van littekenweefsel in de luchtpijp;

het ontstane littekenweefsel zorgde voor enorme benauwdheid, moeite met spreken, moeite met slikken, angst om te stikken, moeite met hoesten, psychische klachten;

er is een deel van de luchtpijp verwijderd;

er is diverse malen een stent (metalen buis) in de luchtpijp geplaatst;

deze stent zorgde voor de nodige beperkingen (benauwdheid als gevolg van verschuivingen, wederom wildgroei van littekenweefsel etc.);

er hebben acht operatieve ingrepen plaatsgevonden in een periode van ongeveer drie jaar; bij de laatste operatieve ingreep is [A.] komen te overlijden;

[A.] heeft als gevolg van al deze ingrepen maanden lang in het ziekenhuis gelegen;

[A.] is uiteindelijk op de intensive care overleden als gevolg van een aantal complicaties;

[A.] was ten tijde van het ongeval 37 jaar oud en overleed op 40-jarige leeftijd;

op het moment van het ongeval was [A.] getrouwd en had hij een dochter van 13 jaar en een dochter van 1 maand oud;

[A.] kon niet meer naar buiten, noch zijn hobby's uitoefenen en kon zich nauwelijks meer verplaatsen vanwege enorme benauwdheid;

hij diende in de nabijheid van het ziekenhuis te blijven vanwege een mogelijke verslechtering;

[A.] is in de jaren na het ongeval verzorgd door zijn echtgenote die daardoor (na haar zwangerschapsverlof) niet meer heeft gewerkt;

[A.] is door het ongeval volledig arbeidsongeschikt geraakt en ontving een WIA-uitkering;

er ontstonden geldproblemen en de gezinswoning moest te koop worden gezet;

[A.] maakte zich ernstige zorgen over de (financiële) toekomst van zijn gezin.

4.3 De erven [A.] hebben vanwege het feit dat [A.] het vaak zo benauwd had en angst had om te stikken voorts bij dagvaarding gerefereerd aan uitspraak 703 uit de Smartengeldgids (productie 5 bij dagvaarding) nu naar hun mening in die zaak het slachtoffer ook met de dood voor ogen leefde. In die uitspraak werd een (geïndexeerde) smartengeldvergoeding toegewezen van € 205.385,-. Vanwege de kortere lijdensduur hebben de erven [A.] hun vordering gematigd tot een bedrag van € 100.000,- (waarvan dus reeds € 50.000,- is vergoed).

4.4 De kantonrechter is met [gedaagde] van oordeel dat de vergelijking met de door de erven [A.] bedoelde uitspraak niet opgaat. In het destijds berechte geval ging het om een man die tijdens een behandeling in het ziekenhuis was ingespoten met bloed van een Aidspatiënt. De rechter overwoog daarbij onder meer dat de man na de fatale vergissing voortdurend met de dood voor ogen heeft moeten leven met het reële vooruitzicht dat hij nog slechts één of twee jaar te leven had. Zijn bestaan had niet alleen in lichamelijke maar in alle opzichten in zeer ernstige mate aan kwaliteit ingeboet; de psychische druk was volgens de rechter onbeschrijfelijk. Zijn situatie creëerde een onvermijdelijke afstand in de intieme relatie met zijn echtgenote en in het contact met zijn kinderen en kleinkinderen, terwijl voorts moest worden aangenomen dat ook de omgang met zijn vrienden en kennissen op den duur zou verminderen en in een aantal gevallen zelfs geheel zou verdwijnen, waardoor hij in zijn sociale leven steeds sterker geïsoleerd zou raken.

4.5 Dat [A.] voortdurend met de dood voor ogen heeft moeten leven is een situatie die zich bij hem niet heeft voorgedaan. Zo schreef de longarts Willems van het LUMC op 3 april 2008 (productie 3 bij dagvaarding) onder meer, dat [A.] twee jaren vrij goed had kunnen functioneren met een stent en dat die stent op 14 januari 2008 is verwijderd in de hoop dat er voldoende rust was gekomen in het slijmvlies en dat er geen restenosering zou plaatsvinden, dit conform de richtlijnen en algoritmen. Hij voegde daaraan toe "Men wil iemand met een normale levensverwachting niet levenslang met een stent laten leven.".

4.6 Er was aldus naar het oordeel van de kantonrechter in ieder geval gedurende een relatief grote periode na het ongeval geen sprake van een situatie dat [A.] moest leven in en met de wetenschap dat hij binnen afzienbare tijd zou overlijden. Hij is overleden aan de complicaties van een operatie, welke vooraf - mede gelet op de rapportage van longarts Willems - niet voorzienbaar waren.

4.7 Het mag voorts zo zijn dat [A.] veel (ernstige) lichamelijke ongemakken heeft gehad in verband met de gevolgen van het ongeval, er heeft echter ook een behoorlijke verbetering plaatsgevonden in zijn toestand. Zo heeft [gedaagde] onweersproken aangevoerd dat [A.] van juni 2005 tot januari 2006 en van augustus 2006 tot januari 2008 niet in een ziekenhuis opgenomen is geweest, terwijl hij bovendien in december 2006 in staat geacht werd voor halve dagen (licht) werk te gaan verrichten. [A.] werd door de verzekeringsarts tot passende arbeid in staat geacht. Dat [A.] steeds in de nabijheid van het ziekenhuis moest blijven wordt door [gedaagde] gemotiveerd betwist en volgt ook niet - zoals [gedaagde] terecht heeft opgemerkt - uit de door de erven [A.] in het geding gebrachte medische informatie of anderszins. In tegendeel, uit een bericht van longarts Willems (zoals besproken in een advies van medisch adviseur Westerweel; productie 3 bij dagvaarding) blijkt dat [A.] in zijn toenmalige toestand naar het buitenland mocht. Dat laatste valt, zonder nadere toelichting welke ontbreekt, niet te rijmen met de stelling dat [A.] voortdurend in de nabijheid van het ziekenhuis moest blijven.

4.8 Ook de overige door de erven [A.] aangevoerde argumenten geven onvoldoende aanknopingspunten om de casus van [A.] te kunnen vergelijken met de eerderbedoelde uitspraak uit de Smartengeldgids; die vergelijking dient dus verder buiten beschouwing te blijven.

4.9 De erven [A.] hebben voorts aangevoerd dat zij het niet met [gedaagde] eens zijn dat voor wat betreft de bepaling van de hoogte van het smartengeld aansluiting gezocht zou dienen te worden bij het zogenaamde convenant asbestslachtoffers (verder: het convenant). Een beroep op dit convenant achten zij niet juist. Het gaat volgens de erven [A.] immers om een convenant waaraan de erven [A.] niet gehouden zijn. Voorts gaat het om een ander ziektebeeld en om over het algemeen oudere werknemers met een (na openbaring van de ziekte) zeer korte levensverwachting en lijdensweg. En als al aansluiting zou moeten worden gezocht bij de smartengeldvergoeding die mesothelioom slachtoffers toekomt moet volgens de erven [A.] worden gekeken naar andere uitspraken uit de Smartengeldgids. Het hof Den Haag en rechtbank Middelburg hebben in een dergelijke zaak een voorschot toegewezen van (geïndexeerd) € 62.150,-- (respectievelijk uitspraken 698 en 699). De kantonrechter te Rotterdam heeft voorts in een dergelijke zaak een (geïndexeerde) smartengeldvergoeding toegekend van € 79.775,- (uitspraak 700).

4.10 [gedaagde] heeft dienaangaande aangevoerd - waar het moeilijk is wel vergelijkbare uitspraken te vinden waarbij zou kunnen worden aangeknoopt - dat door haar met de betaling van een bedrag van € 50.000,-- enigszins aansluiting is gezocht bij het normbedrag dat op grond van het convenant wordt vergoed (in 2008 € 49.643 inclusief wettelijke rente). [gedaagde] voert daarbij aan dat zij zich realiseert dat er naast overeenkomsten ook grote verschillen bestaan met dergelijke gevallen; deze verschillen pleiten enerzijds vóór, maar anderzijds tegen een hogere schadevergoeding. Aan de ene kant betreft het in asbestzaken vaak personen met een hogere leeftijd dan [A.], aan de andere kant heeft [A.] niet meteen geweten dat hij (op korte termijn) zou komen te overlijden, hetgeen volgens [gedaagde] in asbestzaken juist dé aanleiding is voor het toekennen van voornoemd - naar de mening van [gedaagde] - niet gering normbedrag.

Deze aspecten in aanmerking nemend, en bij gebreke aan (andere) richtinggevende jurisprudentie/uitgangspunten, is [gedaagde] van mening dat met het bedrag van € 50.000,--, plus ruim € 8.000,-- wettelijke rente, door haar een (meer dan) redelijk bedrag aan smartengeld is betaald. De door de erven [A.] genoemde uitspraken zijn volgens [gedaagde] niet vergelijkbaar.

4.11 De kantonrechter is van oordeel dat er geen aanleiding bestaat aan te sluiten bij de door de erven [A.] genoemde uitspraken van het hof Den Haag, de rechtbank Middelburg en de kantonrechter te Rotterdam, reeds nu die uitspraken zijn gedaan vóór de totstandkoming van het convenant. De bedoelde uitspraken zijn naar het oordeel van de kantonrechter inmiddels achterhaald door het convenant, dat in mesothelioomzaken als leidend moet worden aangemerkt.

4.12 Terecht hebben de erven [A.] voorts aangevoerd dat zij niet gebonden zijn aan het convenant. Daar staat echter tegenover dat er geen andere uitspraken (bekend) zijn waarbij voor de beoordeling van de onderhavige casus (enigszins) aansluiting kan worden gevonden, zodat de norm die in het convenant wordt gehanteerd in casu - ondanks het feit dat [A.] geen asbestslachtoffer is -toch als uitgangspunt zal worden genomen. De reden daarvan is mede gelegen in het feit dat de aansprakelijkheid voor de schade in zowel mesothelioom-zaken als in de onderhavige zaak berust op de norm van artikel 7:658 BW.

4.13 De omstandigheid die pleit voor een hogere vergoeding dan in mesothelioomzaken, te weten de veelal hogere leeftijd van deze slachtoffers in vergelijking met de relatief jonge leeftijd van [A.], acht de kantonrechter zwaarwegend. [A.] was relatief jong toen hem het ongeval overkwam (37 jaar) en ook nog toen hij daaraan uiteindelijk is overleden (40 jaar). Daarbij komt dat [A.] door het ongeval volledig arbeidsongeschikt was geraakt, dat hij vader was van een jong gezin en dat hij gedurende langere tijd heeft geleden (benauwdheid/angst etcetera) en ook maandenlang in het ziekenhuis is opgenomen geweest en daar vele ingrepen heeft ondergaan. De ernst van die situatie schat de kantonrechter beduidend zwaarder in dan de situatie waarin mesothelioomslachtoffers - hoe ernstig die situatie voor hen ook moge zijn - in het algemeen moeten verkeren.

4.14 De daar tegenover staande omstandigheid dat [A.] niet meteen heeft geweten dat hij (op korte termijn) zou komen te overlijden, hetgeen - zoals [gedaagde] onweersproken heeft gesteld - bij asbestslachtoffers nu juist dé aanleiding is voor het toekennen van het normbedrag van het convenant, acht de kantonrechter minder zwaarwegend. Immers, weliswaar heeft [A.] er niet direct vanaf het tijdstip van het ongeval serieus rekening mee behoeven te houden dat hij tengevolge van dat ongeval binnen korte tijd zou overlijden - dat is althans gesteld noch gebleken -, maar vast staat tegenover (zoals blijkt uit de brief van longarts Willems d.d. 3 april 2008; productie 3 bij dagvaarding) dat [A.] in ieder geval vanaf het moment van de verwijdering van de stent op 14 januari 2008 tot zijn overlijden op 3 april 2008 een aantal malen op de IC opgenomen is geweest, zodat er aanleiding bestaat aan te nemen dat hij er in die periode - zeker toen zijn toestand verergerde - rekening mee moest houden dat hij (op korte termijn) zou overlijden.

4.15 Alle overige omstandigheden van het geval in ogenschouw nemend is de kantonrechter van oordeel dat een bedrag van € 85.000,-- aan smartengeld in casu billijk moet worden geacht. Dit betekent dat alsnog een bedrag van € 35.000,-- aan (aanvullend) smartengeld zal worden toegewezen.

Kosten buiten rechte

4.16 Met betrekking tot de vordering tot betaling van kosten buiten rechte heeft [gedaagde] als verweer aangevoerd, dat deze kosten in zijn totaliteit als excessief zijn aan te merken. [gedaagde] betaalde in totaal een bedrag ad € 106.815,-- aan schadevergoeding, terwijl de totale buitengerechtelijke kosten volgens De erven [A.] € 41.291,03 bedragen. Aldus bestaan de buitengerechtelijke kosten ruim een derde van de totale schadevergoeding. Van redelijke buitengerechtelijke kosten is aldus volgens [gedaagde] geen sprake meer.

4.17 Dit betoog gaat niet op, reeds omdat de verhouding tussen het totaal te betalen schadebedrag en de kosten buiten rechte door de onderhavige uitspraak in een ander perspectief komt te staan. Bovendien gaat het bij de vraag of de kosten voor vergoeding in aanmerking komen niet (enkel) om de verhouding van die kosten tot de hoofdsom maar om de vraag of de kosten in redelijkheid gemaakt zijn. Daarop zal hierna nader worden ingegaan.

Streefkerk Advocaten

4.18 De erven [A.] hebben aangevoerd dat Streefkerk Advocaten een conceptdagvaarding betreffende de aansprakelijkheid aan [gedaagde] heeft toegestuurd. Pas daarna heeft (de verzekeraar van) [gedaagde] de aansprakelijkheid in der minne erkend. Er heeft geen procedure plaatsgevonden. Nu het volgens de erven [A.] gaat om redelijke kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid komen deze kosten naar haar mening integraal voor vergoeding in aanmerking. Het betreft een factuur van € 3.642,29.

4.19 [gedaagde] heeft aangevoerd, dat zij een bedrag van € 2.000,-- ter zake van deze factuur heeft betaald. Het restant bedrag van de declaratie ziet op het opstellen van de conceptdagvaarding. De kosten daarvan komen niet ex artikel 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking, maar worden ex artikel 241 Rv. in een proceskostenveroordeling geconverteerd.

4.20 Het verweer van [gedaagde] gaat niet op. Nu er geen procedure heeft plaatsgevonden en er dus ook geen proceskostenveroordeling is geweest, dienen deze kosten als redelijke kosten buiten rechte te worden aangemerkt. Het door [gedaagde] onbetaald gelaten bedrag ad € 1.642,29 is mitsdien alsnog toewijsbaar.

NRL

4.21 De erven [A.] hebben ter zake aangevoerd dat mr. Weggemans - nadat er discussie was ontstaan over de omvang van het verlies aan arbeidsvermogen - het Nederlands Rekencentrum Letselschade (NRL) een berekening heeft laten maken. Die kosten dienen als kosten buiten rechte door [gedaagde] vergoed te worden.

4.22 [gedaagde] heeft aangegeven dat reeds een dermate hoog bedrag aan buitengerechtelijke kosten is voldaan dat de kosten van het NRL niet apart voor vergoeding in aanmerking dienen te komen. Volgens [gedaagde] zou een bedrag dat "te veel" aan mr. Meijer is betaald kunnen worden verrekend met het bedrag van de factuur van het NRL.

4.23 [gedaagde] heeft in feite niet betwist dat door het NRL kosten zijn gemaakt die (in ieder geval in beginsel) als buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Dat er al veel kosten door [gedaagde] zijn voldaan doet er niet aan af dat de kosten van het NRL als terechte kosten buiten rechte kunnen worden opgevoerd. Dat mr. Weggemans de opdracht voor deze werkzaamheden zonder instemming van (de verzekeraar van) [gedaagde] zou hebben gegeven, zoals [gedaagde] heeft aangevoerd, maakt een en ander niet anders. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de berekening volgens [gedaagde] uiteindelijk onjuist bleek te zijn. De onderhavige kosten ad € 963,90 zijn dan ook toewijsbaar. Voor verrekening met mogelijk te veel betaalde kosten aan mr. Meijer is geen plaats, nu onvoldoende duidelijk is of er sprake is van te veel betaalde bedragen aan mr. Meijer, omdat er immers ook nog een claim ligt met betrekking tot schade ex artikel 6:108 BW.

Weggemans Letselschade Adviseurs

4.24 De erven [A.] hebben ter zake aangevoerd dat mr. Weggemans gedurende bijna 2 jaar de belangen van [A.] heeft behartigd. Hij heeft goed gespecificeerde urenopgaven verstrekt vergezeld van diverse verschottennota's. Er is uitgegaan van tijdseenheden van 10 minuten; dat houdt in dat er naar boven en naar beneden wordt afgerond (13 minuten wordt 10 minuten en 17 minuten wordt 20 minuten) hetgeen gemiddeld genomen een redelijke uitkomst geeft.

Er is veel tijd gaan zitten in het verzamelen, bestuderen en interpreteren van de verkregen informatie betreffende de aansprakelijkheid, de medische aspecten en de schade. Daar kwam bij dat de communicatie wat meer tijd vergde dan gebruikelijk vanwege het feit dat [A.] als Iraniër de Nederlandse taal minder goed beheerste, zeer moeilijk en langzaam kon praten vanwege het bij het ongeval opgelopen letsel, veel vragen had over het Nederlandse schadevergoedingsrecht en zich enorme zorgen maakte over zijn gezondheid en de (financiële) toekomst van zijn nog jonge gezin.

Mr. Weggemans is - mede op verzoek van Slachtofferhulp Nederland - ongeveer elk kwartaal bij [A.] op bezoek geweest; die gesprekken waren zeer intensief en emotioneel, hetgeen onder meer bevestigd kan worden door de huidige gemachtigde van de erven [A.].

4.25 [gedaagde] heeft niet betwist dat de behandeling van zaken als de onderhavige de nodige tijd kost. De zaak is volgens [gedaagde] nu ook weer niet zo ingewikkeld en/of tijdrovend dat deze de thans geclaimde kosten rechtvaardigt. Volgens [gedaagde] kon er voorts goed gecommuniceerd worden met [A.] en diens echtgenote. De communicatie was in elk geval niet van dien aard dat daardoor (veel) meer tijd met de zaak gemoeid zou moeten zijn.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat het aantal uren dat door mr. Weggemans aan de zaak besteed is (78,5), veel te hoog is. Met name de tijd die besteed is aan het bestuderen van het dossier (7 uur en 50 minuten) en de huisbezoeken (8 x en in totaal 22 uur) acht [gedaagde] excessief. De kosten die dit met zich heeft gebracht zijn in de ogen van [gedaagde] niet te beschouwen als redelijke buitengerechtelijke kosten. Daarbij komt dat mr. Weggemans de zaak over nam van mr. Gruben die - naar men mag aannemen - al het nodige (voorbereidende) werk zal hebben verricht.

Bij gebrek aan bekendheid betwist [gedaagde] verder dat mr. Weggemans mede op verzoek van Slachtofferhulp Nederland ieder kwartaal een bezoek bracht aan [A.]. En zelfs als dat wel zo was geldt volgens [gedaagde] dat mr. Weggemans had moeten beseffen dat het niet redelijk was om alle kosten die daaraan verbonden waren bij de verzekeraar van [gedaagde] in rekening te brengen. [gedaagde] merkt daarbij nog op dat een belangenbehartiger ook een zekere maatschappelijke functie heeft, maar het onderhavige verzoek gaat de taak van een raadsman te buiten. Daarvoor dienen/kunnen andere personen/instanties (waaronder Slachtofferhulp zelf) aangesproken worden.

Volgens [gedaagde] kunnen alleen de kosten die voor een adequate beoordeling/behandeling van de zaak noodzakelijk zijn voor vergoeding in aanmerking komen. [gedaagde] handhaaft subsidiair haar betwisting dat alle huisbezoeken noodzakelijk waren. De redelijke buitengerechtelijke kosten van mr. Weggemans zijn naar de mening van [gedaagde] voldaan door de betaling van € 8.000,--.

4.26 De kantonrechter stelt voorop dat een behoorlijk gespecificeerde urenverantwoording, zoals in casu door mr. Weggemans gegeven, in beginsel behoort te worden geaccepteerd. In dit geval is dat niet anders. De gegeven specificaties zijn weliswaar summier (brief aan cliënt, uitgaande brief, overleg advocaat, bestuderen dossier etc. etc.), maar een dergelijke specificatie kan als algemeen gebruikelijk de toetst der kritiek wel doorstaan. Indien er op specifieke onderdelen vragen bij bepaalde posten zouden bestaan, had het op de weg van [gedaagde] gelegen ter zake specifieke opmerkingen te maken. Nu [gedaagde] dat - behoudens het navolgende - heeft nagelaten is er geen aanleiding een verdere of nadere specificatie te verlangen.

4.27 De algemene opmerking dat [gedaagde] het aantal gedeclareerde uren te hoog acht oordeelt de kantonrechter te weinig specifiek om daar een gevolgtrekking aan te verbinden. Hetzelfde geldt voor de opmerking dat 7 uur en 50 minuten voor de bestudering van het dossier excessief zou zijn; een tijdsbesteding van ongeveer 10% aan de bestudering van het dossier mag veel zijn, excessief kan het niet genoemd worden, zeker niet nu mr. Weggemans bijna twee jaar (met tussenpozen) aan het dossier heeft gewerkt. Een en ander wordt niet anders als er rekening mee wordt gehouden dat mr. Weggemans de opvolger was van mr. Gruben, nu dat onverlet laat dat de gespecificeerde werkzaamheden door mr. Weggemans zijn verricht.

4.28 Met betrekking tot de huisbezoeken geldt dat het begrijpelijk geacht kan worden dat er in een zaak als de onderhavige (zeer ernstige letselschade met een Iranese cliënt) meer persoonlijk contact nodig is geweest dan in andere (minder ingrijpende) zaken. Een totaal aantal uren van 22 aan huisbezoeken (naast telefonisch en schriftelijk contact) bij een totaal aantal gedeclareerde uren van 78,5 moet echter wel als buitensporig worden aangemerkt. Dat mr. Weggemans die bezoeken mogelijk (ook) op verzoek van Slachtofferhulp Nederland heeft afgelegd doet aan dat oordeel niet af, nu niet goed valt in te zien (en de erven [A.] hebben daar ook geen afdoende verklaring voor gegeven) waarom (de verzekeraar van) [gedaagde] de bezoeken namens Slachtofferhulp Nederland zou dienen te bekostigen. Het zou eerder op de weg van die organisatie zelf hebben gelegen [A.] te bezoeken en/of de bezoeken door een belangenbehartiger als mr. Weggemans te betalen.

4.29 De kantonrechter is van oordeel dat een redelijk aantal huisbezoeken kan worden gesteld op 5 met een duur van telkens 2 uur. Deze door de erven [A.] gestelde buitengerechtelijke kosten ad € 22.112,50 dienen mitsdien te worden verminderd met een bedrag van 12 uur a (gemiddeld) € 195,-- per uur = € 2.340,-- exclusief btw, = € 2.784,60 inclusief btw.

4.30 Het totaal ter zake door de erven [A.] gevorderde bedrag komt daarmee op (€ 22.112,50 minus € 2.784,60 =) € 19.327,90. Nu [gedaagde] ter zake van de kosten buiten rechte van mr. Weggemans reeds een bedrag van € 8.000,-- heeft betaald, resteert een te betalen bedrag van € 11.327,90.

Mens Advocaten

4.31 Ter zake van deze kosten zijn partijen niet langer verdeeld. Hetgeen door [gedaagde] meer is betaald dan in deze procedure aan buitengerechtelijke kosten werd gesteld, dient - naar het zich voorshands laat aanzien - te worden verrekend met de kosten ter zake de vordering ex artikel 6:108 BW.

Kosten buiten rechte overig

4.32 [gedaagde] heeft ter zake van de kosten buiten rechte subsidiair nog aangevoerd, dat door de erven [A.] geen stukken zijn overgelegd, waaruit blijkt dat deze kosten ook daadwerkelijk door [A.]/de erven [A.] zijn betaald. Volgens [gedaagde] hebben de erven [A.] slechts recht op vergoeding van deze kosten indien zij van deze betalingen bewijsstukken kunnen overleggen. [gedaagde] heeft daarbij verwezen naar een arrest van het hof Den Bosch d.d. 12 april 1999 (VR 2000, 39). Niet uitgesloten is voorts dat [A.]/de erven [A.] (zelf) geen advocaatkosten hebben voldaan. [gedaagde] verzoekt De erven [A.] om aan de hand van betalingsbewijzen te onderbouwen dat zij (zelf of [A.]) kosten voor juridische bijstand hebben gemaakt.

Bij dupliek heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat in dit geval niet vast staat dat de buitengerechtelijke kosten daadwerkelijk bij [A.]/de erven [A.] in rekening zijn gebracht. Alleen de kosten die [A.]/de erven [A.] daadwerkelijk zelf (heeft/hebben) moeten betalen kunnen voor vergoeding in aanmerking komen. Daarop ziet haar verzoek om betalingsbewijzen over te leggen.

4.33 De erven [A.] hebben dienaangaande aangevoerd, dat het in de Bosche zaak ging om de vraag of een rechtsbijstandverzekeraar de declaraties voldeed. Die vraag speelt hier volgens de erven [A.] niet, omdat er geen rechtsbijstandverzekeraar is. De erven [A.] achten het verzoek van [gedaagde] om betalingsbewijzen over te leggen irrelevant, omdat ook als er niet betaald zou zijn, deze kosten (inclusief wettelijke rente vanaf het verstrijken van de betalingstermijn) nog wel verschuldigd zijn. De erven [A.] verwijzen daarbij naar een uitspraak van de rechtbank Den Bosch van 25 juli 2007; LJN BB 1808).

4.34 Tussen partijen staat vast dat door of namens [A.]/de erven [A.] vele kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid zijn gemaakt. Die (redelijke) kosten dienen aan de erven [A.] te worden vergoed door (de verzekeraar van) [gedaagde]; daar kan in redelijkheid niet anders over geoordeeld worden. Of de erven [A.] die kosten al hebben betaald of niet acht de kantonrechter met de erven [A.] irrelevant, omdat voldoende is dat zij die kosten verschuldigd zijn. Waarom overigens de kosten niet bij de erven [A.] in rekening zouden worden gebracht heeft [gedaagde] niet verduidelijkt zodat die stelling reeds daarom doel mist. Voor het in het geding brengen van betalingsbewijzen acht de kantonrechter mitsdien geen grondslag aanwezig.

4.35 Aan (nog niet vergoede) kosten buiten rechte dient [gedaagde] gelet op al het vorenstaande nog een bedrag ad (€ 1.642,29 + € 963,90 + € 11.327,90 =) € 13.934,09 aan de erven [A.] te vergoeden.

Wettelijke rente

4.36 [gedaagde] heeft ter zake aangevoerd - voor zover in casu nog van belang - dat de wettelijke rente pas verschuldigd kan zijn vanaf het moment dat sprake is van verzuim. Daarvan is echter volgens [gedaagde] geen sprake.

4.37 De erven [A.] hebben op dit punt aangevoerd dat de stelling van [gedaagde] omtrent het verzuim niet juist is. [gedaagde] heeft de aansprakelijkheid erkend en uit artikel 6:83 sub b BW blijkt dat bij een verbintenis uit onrechtmatige daad het verzuim intreedt zonder ingebrekestelling. De wettelijke rente voor wat betreft het smartengeld loopt vanaf de ongevalsdatum (zoals [gedaagde] ook impliciet heeft erkend nu er immers wettelijke rente is vergoed vanaf de ongevalsdatum over de reeds betaalde smartengeldvergoeding van € 50.000,--). De wettelijke rente over de kosten buiten rechte loopt volgens de erven [A.] vanaf het moment van verval van de betalingstermijn.

4.38 Bij dupliek heeft [gedaagde] nog aangevoerd, dat geen sprake is van een onrechtmatige daad; [gedaagde] heeft erkend dat zij op grond van artikel 7:658 BW voor het ongeval van [A.] en de gevolgen daarvan aansprakelijk is. Namens [gedaagde] zijn vervolgens de materiele schade, de redelijke immateriële schade en de redelijke buitengerechtelijke kosten vergoed. Indien de kantonrechter van oordeel mocht zijn dat het restant van de buitengerechtelijke kosten moet worden voldaan, geldt volgens [gedaagde] subsidiair dat [gedaagde] die kosten eerst op de datum van het vonnis verschuldigd wordt en pas vanaf dat moment de wettelijke rente gaat lopen. De rente over de eventuele aanvullende smartengeldvergoeding gaat lopen vanaf de datum van het ongeval..

4.39 De gevorderde rente over het aanvullende smartengeld zal, gelet op het vorenstaande, worden toegewezen vanaf de datum van het ongeval, derhalve vanaf 4 april 2005. De wettelijke rente over de kosten buiten rechte zal worden toegewezen vanaf de dag der dagvaarding (16 juli 2009) nu door De erven [A.] in de procedure onvoldoende duidelijk is onderbouwd vanaf welk eerder tijdstip [gedaagde] met betaling van die kosten in verzuim is geraakt en de erven [A.] ter zake vertragingsschade lijden.

Proceskosten

4.40 [gedaagde] dient te worden aangemerkt als de overwegend in het ongelijk gesteld partij. Zij zal daarom in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

4.41 [gedaagde] heeft tegen de toewijzing van de door de erven [A.] gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad bezwaar gemaakt. De kantonrechter gaat echter aan dat bezwaar voorbij. Enerzijds kunnen de erven [A.] geacht worden een groter belang te hebben bij een spoedige voldoening aan de te uit te spreken veroordeling dan [gedaagde] lijkt te hebben bij het uitblijven daarvan in afwachting van de uitkomsten van een eventueel in te stellen hoger beroep. Anderzijds zal, zoals hierna zal worden overwogen, de door [gedaagde] gevraagde zekerheidstelling worden toegewezen, zodat van een restitutierisico geen sprake zal zijn.

Zekerheidstelling

4.42 Waar de erven [A.] niet hebben bestreden dat er sprake is van een aanzienlijk restitutierisico - in tegendeel zij hebben in het kader van de smartengeld toekenning een beroep gedaan op hun slechte financiële positie -, zal aan de uitvoerbaarheid bij voorraad de door [gedaagde] gevraagde voorwaarde van zekerheidstelling worden verbonden. De erven [A.] zullen een zekerheid (bankgarantie of anderszins door [gedaagde] goed te keuren zekerheid) dienen te stellen tot een bedrag gelijk aan de som van de beide toe te wijzen bedragen, vermeerderd met rente en kosten. De hoogte van die zekerheid wordt door de kantonrechter begroot op € 60.000,--. Aan de zekerheidstelling zal uitsluitend de voorwaarde worden verbonden, dat de erven [A.] ten minste 2 weken vóór de betekening van het vonnis de zekerheid dienen te stellen. Voor het bepalen van andere termijnen en/of voorwaarden als bedoeld in artikel 616 lid 3 Rv. ziet de kantonrechter geen aanleiding, mede nu door partijen ter zake de wenselijkheid en/of noodzakelijkheid dienaangaande niets is gesteld.

Slotsom

4.43 Gelet op al het vorenstaande zal als volgt worden beslist.

4.44 Op hetgeen verder door partijen is aangevoerd zal de kantonrechter niet nader ingaan, nu een inhoudelijke behandeling daarvan niet tot een andere beslissing zal leiden.

Beslissing

1 veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de erven [A.] te betalen een bedrag van € 35.000,-- ten titel van aanvullende smartengeldvergoeding ,vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 4 april 2005 tot de dag van de voldoening;

2 veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de erven [A.] te betalen een bedrag van € 13.934,09 ten titel van kosten buiten rechte, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 16 juli 2009 tot de dag van de voldoening;

3 veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure tot hiertoe aan de zijde van de erven [A.] vastgesteld op € 1.480,25, waaronder begrepen een bedrag van € 1.200,00 als het aan de gemachtigde van de erven [A.] toekomende salaris, onverminderd de eventueel over deze kosten verschuldigde BTW;

4 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad onder de voorwaarde, dat door de erven [A.] ten minste 14 dagen voor de betekening van het vonnis zekerheid zal worden gesteld tot een totaalbedrag van € 60.000,--, een en ander conform hetgeen hiervoor sub 4.42 nader is overwogen;

5 wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Windt, kantonrechter, en bij vervroeging uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 februari 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.