Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL5738

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-02-2010
Datum publicatie
26-02-2010
Zaaknummer
Awb 09/47053
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herzieningsverzoek van uitspraak in volgberoep bewaring

De rechtbank overweegt dat, gelet op de hiervoor aangegeven gang van zaken het beeld naar voren komt dat de verschillende onderdelen van verweerder onvoldoende met elkaar hebben gecommuniceerd, waardoor reeds bestaande informatie niet volledig en/of niet tijdig bij elk onderdeel van verweerders organisatie bekend was. Dit dient voor rekening van verweerder te komen. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de rechtbank ter zitting van 16 november 2009 essentiële informatie heeft onthouden, te weten de mededeling dat reeds op 3 augustus 2009 de aanvraag in het kader van de T&O-overeenkomst was afgewezen, terwijl die informatie reeds (ver) vóór de uitspraak van 20 november 2009 bekend was.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat, indien zij ter zitting van 16 november 2009 de beschikking zou hebben gehad over de informatie waarover zij thans beschikt, zij tot een ander oordeel zou zijn gekomen. Het door verweerder ingezette traject tot uitzetting van verzoeker is immers zinledig gebleken, nu reeds op 3 augustus 2009 vast stond dat de aanvraag op basis van de T&O-overeenkomst was afgewezen. Van het in artikel 59, eerste lid, aanhef, Vw 2000 neergelegde doel van bewaring, te weten zicht op uitzetting, zou derhalve geen sprake zijn geweest, zodat de bewaring zou zijn opgeheven. De bewaring is van meet af aan onrechtmatig geweest. Verzoek om herziening toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Zaaknummer: Awb 09/47053

Uitspraak inzake het verzoek om herziening op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van de uitspraak van de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 20 november 2009 (Awb 09/40016), ingediend door

X

geboorteland Sovjet-Unie,

nationaliteit onbekend,

V-nummer:

verzoeker,

gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters, advocaat te Rijsbergen.

1. Procesverloop

1.1. Bij brief van 15 december 2009 heeft verzoeker verzocht de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 20 november 2009 (Awb 09/40016) te herzien, het beroep alsnog gegrond te verklaren en verweerder te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding.

1.2. Bij brief van 17 december 2009 heeft de rechtbank de Staatssecretaris van Justitie (hierna: verweerder) verzocht op het verzoek tot herziening te reageren. Bij brief van 29 december 2009 heeft verweerder zijn reactie aan de rechtbank en de gemachtigde van verzoeker doen toekomen.

1.3. Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 4 januari 2010. Voor verzoeker is aldaar verschenen zijn gemachtigde. Voor verweerder is als gemachtigde verschenen drs. B.H. Wezeman. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

2. Rechtsoverwegingen

Feiten

2.1. Verzoeker heeft van 10 november 2008 tot 19 juni 2009 in bewaring gezeten. Bij uitspraak van 19 juni 2009 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, de opheffing van de bewaring bevolen, om reden dat verweerder onvoldoende voortvarendheid inzake de uitzetting had betracht (Awb 09/19335).

2.2. Verweerder heeft op 1 november 2009 aan verzoeker (wederom) de maatregel van bewaring opgelegd, op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000.

2.3. Het tegen die maatregel ingestelde beroep van 2 november 2009, behandeld ter zitting van 16 november 2009, heeft deze rechtbank en nevenzittingsplaats bij uitspraak van 20 november 2009 (Awb 09/40016) ongegrond verklaard en voorts heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Nu tegen deze uitspraak geen hoger beroep is ingesteld, staat de uitspraak van 20 november 2009 in rechte vast.

2.4. Verweerder heeft de bewaring op 9 december 2009 opgeheven.

Beoordeling

2.5. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, Awb kan de rechtbank op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de rechtbank eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

Ingevolge artikel 8:88, tweede lid, Awb zijn, voor zover nodig, hoofdstuk 6 en de titels 8.2 en 8.3 van overeenkomstige toepassing.

2.6. Aan zijn herzieningsverzoek heeft verzoeker het volgende ten grondslag gelegd. Uit de in het kader van het volgberoep van 25 november 2009 door verweerder ingediende stukken en met name uit het faxbericht van 10 december 2009 van verweerder blijkt het volgende. Op 3 augustus 2009 – en derhalve vóór de uitspraak van 20 november 2009 – was het verweerder bekend dat de aanvraag in het kader van de zogenoemde “Terug- en Overnameovereenkomst”-procedure niet tot resultaat had geleid, nu de Federal Migration Service (FMS) te Moskou de aanvraag had afgewezen. Verweerder heeft die informatie niet ter zitting van 16 november 2009 naar voren gebracht en heeft de rechtbank derhalve informatie onthouden. Die informatie was verzoeker eerder niet bekend en kon verzoeker eerder ook niet bekend zijn. Zou bedoelde informatie eerder bij de rechtbank bekend zijn geweest, dan zou dat tot een andere uitspraak hebben kunnen leiden, nu de afwijzing van de aanvraag als hiervoor bedoeld er toe leidt dat verzoeker op 1 november 2009 ten onrechte de maatregel van bewaring is opgelegd, vanwege gebrek aan zicht op uitzetting. Subsidiair stelt verzoeker dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.

2.7. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het herzieningsverzoek moet worden afgewezen, omdat eerst op 23 november 2009 duidelijk was dat de aanvraag in het kader van de Terug- en Overnameovereenkomst, welke aanvraag op 5 november 2009 is verzonden aan de afdeling Bijzonder Vertrek, niet tot het gewenste resultaat zou leiden. Derhalve is niet voldaan aan artikel 8:88, eerste lid, onder a, Awb, aldus verweerder.

2.8. De rechtbank stelt voorop dat uit de stukken blijkt dat verweerder op 3 augustus 2009 bekend was met het feit dat er eerder een aanvraag in het kader van de Terug- en Overnameovereenkomst (T&O) was gedaan, die is afgewezen door de FMS in Moskou. Ondanks dat verzoeker ter zitting van 16 november 2009 naar voren heeft gebracht dat er eerder een T&O-aanvraag was geweest, die tot dan niets had opgeleverd, heeft verweerder ter zitting van 16 november 2009 desgevraagd niet aan de rechtbank aangegeven dat die aanvraag reeds op 3 augustus 2009 was afgewezen. Verweerder heeft ter zitting van 16 november 2009 alleen meegedeeld dat werd uitgezocht of verzoeker in Rusland had gewerkt en dat zodra die informatie er zou zijn, dat aan de afdeling Bijzonder Vertrek zou worden verzonden. Tevens blijkt uit de door verzoeker ingezonden stukken dat verweerder reeds ruim voor de zitting van 16 november 2009 ervan op de hoogte was dan wel had kunnen/moeten zijn dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren ten opzichte van de eerdere T&O-aanvraag, die op 3 augustus 2009 was afgewezen. De omstandigheid dat de regievoerder pas op 23 november 2009 van de afdeling Bijzonder Vertrek heeft vernomen dat die nieuwe feiten of omstandigheden er niet waren, maakt niet dat van deze datum moet worden uitgegaan. Immers, de informatie over de oude T&O-aanvraag, alsmede de gegevens op basis waarvan die aanvraag is gedaan en is afgewezen, was reeds bekend in de organisatie van verweerder. De rechtbank overweegt dat, gelet op de hiervoor aangegeven gang van zaken het beeld naar voren komt dat de verschillende onderdelen van verweerder onvoldoende met elkaar hebben gecommuniceerd, waardoor reeds bestaande informatie niet volledig en/of niet tijdig bij elk onderdeel van verweerders organisatie bekend was. Dit dient voor rekening van verweerder te komen. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de rechtbank ter zitting van 16 november 2009 essentiële informatie heeft onthouden, te weten de mededeling dat reeds op 3 augustus 2009 de aanvraag in het kader van de T&O-overeenkomst was afgewezen, terwijl die informatie reeds (ver) vóór de uitspraak van 20 november 2009 bekend was. Nu deze informatie eerst in het kader van de onderhavige procedure naar voren is gekomen, kon verzoeker hiervan niet eerder op de hoogte zijn.

2.9. Ten aanzien van andere mogelijke uitzettingstrajecten heeft verweerder desgevraagd ter zitting van 16 november 2009 aan de rechtbank meegedeeld dat, naast de uitzetting op basis van de T&O-overeenkomst, ook nog de mogelijkheid bestond van het aanvragen van een laissez passer. Aangezien dat laatste traject door verweerder na 3 augustus 2009 niet is ingezet, houdt de rechtbank het er voor dat dat traject evenmin mogelijk was. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat ter zitting van 16 november 2009 door verweerder desgevraagd niet kon worden aangegeven of het traject ter verkrijging van een laissez passer hetzelfde was als het traject inzake de aanvraag in het kader van de T&O-overeenkomst, dan wel, in het geval die trajecten niet hetzelfde zijn, of het traject inzake de aanvraag om een laissez passer tot de mogelijkheden behoorde, alsmede waarom dat traject niet is ingezet.

2.10. Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat, indien zij ter zitting van 16 november 2009 de beschikking zou hebben gehad over de informatie waarover zij thans beschikt, zij tot een ander oordeel zou zijn gekomen. Het door verweerder ingezette traject tot uitzetting van verzoeker is immers zinledig gebleken, nu reeds op 3 augustus 2009 vast stond dat de aanvraag op basis van de T&O-overeenkomst was afgewezen. Van het in artikel 59, eerste lid, aanhef, Vw 2000 neergelegde doel van bewaring, te weten zicht op uitzetting, zou derhalve geen sprake zijn geweest, zodat de bewaring zou zijn opgeheven. De bewaring is van meet af aan onrechtmatig geweest.

2.11. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen ziet de rechtbank aanleiding het verzoek om herziening van de uitspraak van 20 november 2009 toe te wijzen, nu cumulatief is voldaan aan de in artikel 8:88, eerste lid, Awb daartoe opgenomen voorwaarden.

2.12. Tevens ziet de rechtbank aanleiding voor het toekennen van schadevergoeding voor de dagen die verzoeker ten onrechte in een politiecel heeft doorgebracht (2 x € 105,- = € 210,-) en voor de ten onrechte in een huis van bewaring doorgebrachte dagen, te weten 36 x € 80,- = € 2.880,-. In totaal wordt aan verzoeker een bedrag van € 3.090,- toegekend.

2.13. De rechtbank ziet voorts aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoeker. Deze worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 437,- in verband met het indienen van het verzoek om herziening. Voorts ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die verzoeker in verband met de behandeling van het beroep in de zaak met procedurenummer Awb 09/40016 heeft moeten maken. Die kosten stelt de rechtbank vast op € 874,- (1 punt ad € 437,- voor het beroepschrift en 1 punt ad € 437,- voor het verschijnen ter zitting).

3. Beslissing

De rechtbank:

ten aanzien van het herzieningsverzoek:

- wijst het verzoek om herziening van de uitspraak van 20 november 2009 in de zaak met procedurenummer Awb 09/40016 toe;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ad € 437,-, welke kosten verweerder aan verzoeker dient te vergoeden.

ten aanzien van het beroep met procedurenummer Awb 09/40016:

- verklaart het beroep gegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan verzoeker ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding toe van € 3.090,- (zegge: drieduizendennegentig euro);

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,-, welke kosten verweerder aan de griffier van deze rechtbank dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. M.J.C. Dijkstra en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van H.M. Eleveld als griffier op 1 februari 2010.

Griffier

Rechter

Tegen deze uitspraak, voor zover daarbij opnieuw is beslist op het beroep tegen de inbewaringstelling, kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage) onder vermelding van ‘Hoger beroep vreemdelingenzaken’. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: