Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL5588

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-02-2010
Datum publicatie
25-02-2010
Zaaknummer
AWB 10 - 6631
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening om opvang / Somalische asielzoeker / beroep asiel niet bij voorbaat kansloos

Verzoeker vraagt (zo begrijpt de voorzieningenrechter) om een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat aan verzoeker opvang wordt verleend totdat op het beroep in de asielprocedure is beslist. Ter onderbouwing van het verzoek is aangevoerd dat nu de afwijzende beslissing op zijn asielaanvraag aan verzoeker is uitgereikt, terwijl hij in bewaring verbleef, het beroep schorsende werking ontbeert, waardoor hij genoodzaakt is om tot aan de uitspraak op het beroep in de asielprocedure op straat te zwerven. Verweerder heeft meegedeeld dat verzoeker vanuit de opvang in bewaring is gesteld, nadat een vermoeden was gerezen van vingermutilatie. De bewaring is opgeheven mede in verband met de uitkomst van een taalanalyse, waaruit is gebleken dat verzoeker eenduidig is te herleiden tot Zuid-Somalië. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker, omdat hij in bewaring is gesteld, niet langer aan te merken was als asielzoeker in de zin van artikel 1, aanhef en onder d, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva). De opheffing van de bewaring leidt er niet toe dat verzoeker weer als een asielzoeker in de zin van artikel 1, aanhef en onder d, Rva moet worden aangemerkt. De voorzieningenrechter ziet in de voormelde gang van zaken alsmede in de uitkomst van de taalanalyse, op grond waarvan het asielberoep, met name het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn niet bij voorbaat kansloos is, aanleiding voor het treffen van de voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummers: AWB 10 / 6631

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 februari 2010

in de zaak van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum], van Somalische nationaliteit,

verzoeker,

gemachtigde: mr. C.M. da Cunha, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft op 13 mei 2009 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 10 december 2009 afgewezen. Verzoeker heeft tegen het besluit op 14 december 2009 beroep ingesteld (kenmerk: AWB 09 / 46730) alsmede gevraagd een voorlopige voorziening te treffen (kenmerk: AWB 09 / 46731). Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.2 Verzoeker heeft op 19 februari 2009 een (tweede) verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening (kenmerk: AWB 10 / 6631) opdat verzoeker in afwachting van de zitting opvang kan verkrijgen.

1.3 Verweerder heeft op 19 februari 2010 telefonisch op het verzoek gereageerd.

2. Overwegingen

2.1 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd dat nu de afwijzende beslissing op zijn asielaanvraag aan hem is uitgereikt, terwijl hij in bewaring verbleef, het beroep met kenmerk AWB 09 / 46730 schorsende werking ontbeert, waardoor hij genoodzaakt is om tot aan de uitspraak op het beroep in de asielprocedure op straat te zwerven.

2.3 Verweerder heeft in reactie op het verzoek en op telefonische vragen van de rechtbank meegedeeld dat verzoeker op 11 november 2009 vanuit de opvang in bewaring is gesteld, nadat een vermoeden was gerezen van vingermutilatie. Op 29 januari 2010 is de bewaring opgeheven mede in verband met de uitkomst van een taalanalyse, waaruit is gebleken dat verzoeker eenduidig is te herleiden tot Zuid-Somalië.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.4 De voorzieningenrechter begrijpt het verzoek aldus dat verzoeker vraagt om een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat aan verzoeker opvang wordt verleend totdat op het beroep in de asielprocedure is beslist.

2.5 Omdat de afwijzende beslissing in bewaring werd uitgereikt en het beroep dan geen schorsende werking heeft, is aan verzoeker geen opvang verleend. Omdat verzoeker in bewaring is gesteld, was hij niet langer aan te merken als asielzoeker in de zin van artikel 1, aanhef en onder d, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva). Inmiddels is de bewaring opgeheven, maar dat leidt er niet toe dat verzoeker weer als een asielzoeker in de zin van artikel 1, aanhef en onder d, Rva moet worden aangemerkt.

2.6 De voorzieningenrechter ziet in de voormelde gang van zaken alsmede in de uitkomst van de taalanalyse, op grond waarvan het asielberoep, met name het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn niet bij voorbaat kansloos is, aanleiding, met toepassing van artikel 8:83 derde lid, Awb, voor het treffen van een voorlopige voorziening als hierna bepaald.

2.7 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 437,- (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

1.1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

1.2 bepaalt dat verzoeker wordt behandeld als ware hij een asielzoeker in de zin van artikel 1, aanhef en onder d, Rva en dat aan verzoeker derhalve uit dien hoofde opvang wordt verleend totdat op het beroep is beslist;

1.3 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 437,- te betalen aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, en op 19 februari 2010 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. S.S. de Groot, griffier.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.