Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL5522

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-02-2010
Datum publicatie
25-02-2010
Zaaknummer
AWB 09-17262
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BN7218, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet (Ranov). Uitleg begrip "in rechte" in beleid Ranov. De uitleg van verweerder, n.a.v. vragen van de vaste commissie voor Justitie, in de brief aan de Tweede Kamer van 5 juni 2007 (TK 2006-2007, 31018, nr. 3, pagina 17), laat geen enkele ruimte voor de andersluidende uitleg van verweerder dat de vreemdeling de hantering van verschillende identiteiten kan worden tegengeworpen, ook als de rechter zich nimmer over die kwestie heeft uitgelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 09/17262

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2010

inzake

[eiser]

geboren op 9 januari 1970,

nationaliteit Chinese,

eiser,

[gemachtigde]

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

[gemachtigde]

Procesverloop

Bij brief van 16 mei 2008 heeft eiser bij verweerder bezwaar gemaakt in verband met het uitblijven van een aanbod voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet (hierna: Ranov).

Verweerder heeft dit bezwaar van eiser bij besluit van 8 mei 2009 ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij de behandeling van een in te dienen beroepschrift niet in Nederland mag afwachten.

Eiser heeft op 13 mei 2009 tegen dit besluit beroep ingesteld en tevens de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen die er toe strekt dat uitzetting van eiser achterwege wordt gelaten totdat uitspraak zal zijn gedaan op het beroep. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer AWB 09/17263.

De zaak is behandeld op de zitting van 23 november 2009, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van de zaak uit van de volgende feiten.

Eiser heeft op 17 februari 1998 voor het eerst aanvragen om toelating als vluchteling en om een vergunning tot verblijf ingediend, welke aanvragen bij besluit van verweerder van diezelfde datum zijn afgewezen.

Bij brief van 14 mei 2008 heeft verweerder eiser een zogenoemde (concept)minuut toegezonden waaruit blijkt dat verweerder eiser niet in aanmerking wil laten komen voor een verblijfsvergunning op grond van de Ranov.

2. Volgens verweerder komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van de Ranov, omdat is gebleken dat hij in verschillende procedures verschillende identiteiten heeft opgegeven, waarvan in rechte is vastgesteld dat hieraan geen geloof kan worden gehecht. Derhalve voldoet eiser volgens verweerder niet aan de voorwaarden van het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2007/11 inzake de Ranov. Volgens verweerder houdt het begrip "in rechte vaststaand" niet in dat ter zake een rechterlijk oordeel moet zijn gegeven, maar is voldoende dat de vreemdeling de mogelijkheid heeft gehad een oordeel in rechte te verkrijgen over de tegenwerping dat sprake is van gebruikmaking van verschillende identiteiten of nationaliteiten. Eiser komt volgens verweerder niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van de Ranov, omdat hij geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen het besluit van 17 februari 1998 waarin is aangegeven dat eiser in verschillende procedures gebruik heeft gemaakt van verschillende identiteiten.

3. Eiser ontkent niet dat hij verschillende identiteiten heeft opgegeven. Wel bestrijdt hij dat in rechte is vastgesteld dat aan één van die identiteiten geen geloof mag worden gehecht. Voor de betekenis van dit begrip verwijst eiser naar het verslag van een schriftelijk overleg, vastgesteld op 6 juni 2007, betreffende de Ranov ( TK 2006-2007, 31018, nr.3, pagina 17), waarin de Staatssecretaris verwoord dat met de toevoeging "in rechte" in de Ranov is bedoeld aan te geven dat de omstandigheid dat geen geloof kan worden gehecht aan de identiteit of nationaliteit in een beschikking van de IND is neergelegd en de rechter dit heeft gesanctioneerd. Volgens eiser is in dit geval in het besluit van verweerder van 17 februari 1998 weliswaar overwogen dat aan de destijds door eiser opgegeven personalia geen geloof wordt gehecht, maar is dit niet door de rechter gesanctioneerd en daarmee, volgens het eigen beleid van verweerder, niet in rechte vast komen te staan. Eiser maakt derhalve onverminderd aanspraak op toelating op grond van de Ranov.

4. Ingevolge WBV 2007/11, thans: paragraaf B14/5 van de Vc 2000 wordt de verblijfsvergunning op grond van de Ranov ambtshalve verleend op grond van artikel 3.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en artikel 17a, onder b, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000). Uit WVB 2008/31 volgt, voor zover van belang, dat paragraaf B14/5 van de Vc 2000 komt te vervallen behoudens ten aanzien van de in artikel II genoemde categorieën van vreemdelingen. Onbestreden is dat eiser behoort tot één van de in dit artikel genoemde categorieën van vreemdelingen.

5. Uit paragraaf B14/5.3.5 van de Vc 2000 volgt dat aan vreemdelingen die in verschillende procedures verschillende identiteiten of nationaliteiten hebben opgegeven waarvan in rechte is vastgesteld dat hieraan geen geloof kan worden gehecht, geen verblijf op grond van de Ranov wordt verleend.

6. De rechtbank volgt verweerder niet in de uitleg in het verweerschrift dat eiser de hantering van verschillende identiteiten kan worden tegengeworpen, ook als de rechter zich nimmer heeft uitgelaten over die kwestie. Deze uitleg staat haaks op de uitleg die verweerder naar aanleiding van vragen van de vaste commissie voor Justitie heeft gegeven in de brief aan de Tweede Kamer van 5 juni 2007. De opvatting dat met de toevoeging "in rechte" is bedoeld aan te geven dat de omstandigheid dat geen geloof kan worden gehecht aan de identiteit of nationaliteit in een beschikking van de IND is neergelegd en de rechter dit heeft gesanctioneerd, laat geen enkele ruimte voor de andersluidende uitleg die verweerder thans, in afwijking van hetgeen zij de Tweede Kamer heeft geantwoord, aan die toevoeging lijkt te willen geven.

7. De rechtbank volgt eiser in zijn weergave van wat in het besluit van verweerder van 17 februari 1998 met betrekking tot de personalia van eiser is overwogen. Dit, gevoegd bij de door de rechtbank onjuist bevonden uitleg die verweerder thans aan het begrip "in rechte" lijkt te willen geven, leidt de rechtbank tot de conclusie dat het besluit een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ontbeert. Het bestreden besluit dient dan ook te worden vernietigd.

8. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, acht de rechtbank termen aanwezig verweerder , met toepassing van artikel 8:75 van de Awb, te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

9. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb, de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

10. Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder eiser het door hem betaalde griffierecht dient te vergoeden.

11. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 644,00, te voldoen aan de griffier;

- gelast verweerder eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, in tegenwoordigheid van drs. W. Smeding als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2010.

?