Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL5433

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
AWB 10/4864
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Eiser is bij een MTV-controle staandegehouden, waarbij is geconstateerd dat hij met een vals document Nederland is ingereisd .Voor dit feit heeft eiser aansluitend bijna twee maanden in strafrechtelijke detentie verbleven. Eiser heeft rechtmatig verblijf in Frankrijk. Hij heeft daar ook een gezin, een huurhuis en een baan. Verweerder heeft nagelaten om tijdens de strafrechtelijke detentie uitzettingshandelingen te verrichten. Een Dublinclaim is eerst tien dagen na de aanvang van de vreemdelingenbewaring ingediend. Niet kan worden uitgesloten dat, indien er tijdig een aanvang was gemaakt met de uitzettingshandelingen, eiser aansluitend aan zijn strafrechtelijke detentie overgedragen had kunnen worden aan Frankrijk. De rechtbank is van oordeel dat de belangen aan de kant van eiser en zijn gezin zwaarder wegen dan de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittinghoudende te Roermond

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Vreemdelingenkamer

Procedurenummer: AWB 10 / 4864

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 94 juncto artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[Eiser], volgens zijn verklaring geboren op [geboortedatum] en van Angolese nationaliteit, verblijvende [adres],

hierna te noemen: eiser,

gemachtigde mr. K.L.W. Brummans, advocaat te Venlo,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Op 5 februari 2010 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

1.2. Bij beroepschrift van 5 februari 2010 is namens eiser beroep ingesteld. Ingevolge het bepaalde in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt dit beroep tevens een verzoek tot toekenning van schadevergoeding in.

1.3. Bij faxbericht van 12 februari 2010 heeft verweerder nadere informatie verstrekt en een nader stuk ingezonden.

1.4. De gemachtigde van eiser heeft bij fax van 17 februari 2010 de gronden van beroep ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2010, alwaar eiser in persoon is verschenen. De gemachtigde van eiser is, zoals vooraf schriftelijk is aangekondigd, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.B. Deckers. Als tolk in de Franse taal was aanwezig drs. M.H.J. van Kasteren.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank beoordeelt thans of de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in overeenstemming is met deze wet en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is.

2.2. De rechtbank overweegt als volgt.

2.3. Uit de gedingstukken alsmede het verhandelde ter zitting is gebleken dat eiser op 9 december 2009 bij een controle in het kader van het Mobiel Toezicht Vreemdelingen (MTV) is staandegehouden. Eiser toonde bij die MTV-controle een nationaal Angolees paspoort en een verblijfsvergunning voor Frankrijk. Aangezien het bij die MTV-controle getoonde nationaal Angolees paspoort vals dan wel vervalst was, is eiser aansluitend op grond van het bepaalde in artikel 231, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht aangehouden. Eiser heeft vervolgens van 9 december 2009 tot 5 februari 2010 in strafrechtelijke detentie verbleven. Tijdens deze strafrechtelijke detentie heeft verweerder, zoals ter zitting door verweerders gemachtigde is erkend, geen aanvang gemaakt met handelingen ter voorbereiding van eisers uitzetting naar Frankrijk, waar dit, zoals eveneens door verweerder ter zitting is erkend, wel mogelijk was en ook had gemoeten. Op 5 februari 2010 is eiser krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in vreemdelingrechtelijke bewaring gesteld. Na met eiser op 5 februari 2010 een identiteitsgehoor te hebben gehouden, is op 10 februari 2010 aan het Bureau Dublin verzocht om eiser te claimen bij de Franse autoriteiten. Op 15 februari 2010 is bij de Franse autoriteiten ten behoeve van eiser een claim gelegd. Ten tijde van het sluiten van het onderzoek was verweerder in afwachting van een reactie van de Franse autoriteiten.

2.4. Namens eiser is – kort weergegeven – aangevoerd dat, nu eiser in het bezit is van een verblijfsvergunning voor Frankrijk, verweerder reeds tijdens eisers strafrechtelijke detentie een aanvang had moeten maken met handelingen ter voorbereiding van eisers uitzetting naar Frankrijk. Nu dit niet is geschied, heeft verweerder in strijd met de zogenoemde “inspanningsverplichting” gehandeld en moet eiser onnodig lang op zijn uitzetting naar Frankrijk wachten.

2.5. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

2.6. Verweerder heeft, zoals ook erkend, niet voldaan aan de in paragraaf A6/5.3.7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 omschreven inspanningsverplichting om zoveel mogelijk te voorkomen dat de vreemdeling na zijn strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring gesteld moet worden. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) onder meer in de uitspraak van 23 januari 2009 (LJN: BH1548, gepubliceerd in JV 2009/125) heeft overwogen, maakt de enkele omstandigheid dat niet zoveel als mogelijk is gedaan om te voorkomen dat een vreemdeling na zijn strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring is gesteld, die bewaring niet onrechtmatig, tenzij de daarmee gediende belangen niet in een redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Er is aldus bij schending van de in het beleid neergelegde inspanningsverplichting steeds ruimte voor een belangenafweging.

2.7. Verweerder heeft in het kader van de te maken belangenafweging gewezen op de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden, zijnde de veroordeling ter zake het plegen van een misdrijf, het gebruikmaken van een vals/vervalst document, het niet beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats, het niet beschikken over een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en het niet beschikken over voldoende middelen van bestaan. Verweerder heeft daarbij opgemerkt dat eiser willens en wetens illegaal Nederland met een vals document is ingereisd. Eiser heeft hier tegenover gesteld dat hij bijna twee maanden in strafrechtelijke detentie heeft gezeten, waardoor – indien tijdig een aanvang zou zijn gemaakt met uitzettingshandelingen – hij aansluitend op zijn strafrechtelijke detentie overgedragen had kunnen worden aan Frankrijk, alwaar hij – zoals onbestreden is gesteld – beschikt over rechtmatig verblijf. Nu dit niet is geschied, dreigt eiser in Frankrijk zijn baan te verliezen en is zijn in Frankrijk verblijvende gezin niet in staat aan hun financiële verplichtingen te voldoen. Eiser vreest dat zij mogelijk in verband met het niet betalen van de huur, uit huis gezet zijn of worden.

2.8. De rechtbank is van oordeel dat de met de bewaring gediende belangen niet in een redelijke verhouding staan tot de door het niet door tijdige uitzettingshandelingen te verrichten, voorkomen dat eiser na afloop van zijn strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring moest worden gesteld geschonden belangen. De onder 2.7 door eiser genoemde en door verweerder niet bestreden belangen, die voor eiser en zijn gezin in Frankrijk ingrijpende gevolgen hebben, wegen naar het oordeel van de rechtbank zwaarder dan de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat eiser voor het tonen van een vals paspoort een gevangenisstraf van bijna twee maanden heeft uitgezeten, waardoor de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden dat eiser is veroordeeld ter zake het plegen van een misdrijf en hij gebruik heeft gemaakt van een vals/vervalst document qua belang voor relativering in aanmerking komen. De overige - veelal op iedere in een ander Europees land legaal verblijvende vreemdeling van toepassing zijnde gronden - acht de rechtbank onvoldoende zwaarwegend om zodanig af te doen aan de door eiser gestelde belangen dat verweerders belang dient te prevaleren. Van doorslaggevend belang acht de rechtbank voorts dat eiser, indien tijdig een aanvang zou zijn gemaakt met uitzettingshandelingen, hij, gelet op het voorhanden zijn van een Franse verblijfsvergunning, meer dan waarschijnlijk niet dan wel slechts zeer kort in vreemdelingenbewaring had hoeven te verblijven.

2.9. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de inbewaringstelling van meet af aan onrechtmatig is te achten. De rechtbank acht dan ook termen aanwezig om eiser schadevergoeding toe te kennen.

2.10. Eiser komt over de periode van 5 februari 2010 tot 17 februari 2010 schadevergoeding toe. Uitgangspunt bij de vaststelling van de schadevergoeding vormt de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak betreffende de vergoeding van immateriële schade bij inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, die uitgaat van een schadevergoeding van EUR 105,= voor elke dag die in een politiecel is doorgebracht en van EUR 80,= voor elke dag die in een huis van bewaring is doorgebracht. In totaal bedraagt de schadevergoeding 4 x EUR 105,= en 8 x EUR 80,= is EUR 1060,=.

2.11. Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op in totaal EUR 437,= voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand welk bedrag is opgebouwd uit:

- 1 punt voor het indienen van het beroepschrift;

- waarde per punt EUR 437,=;

- wegingsfactor 1.

Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

2.12. Mitsdien wordt beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming ex artikel 59 van de Vw 2000 van eiser met ingang van 17 februari 2010;

wijst het verzoek om schadevergoeding toe, ten laste van verweerder, ten bedrage van EUR 1060,=;

bepaalt dat de uitbetaling geschiedt door de griffier van de rechtbank;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op EUR 437,=, te vergoeden aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen in tegenwoordigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010.

w.g. mr. D.D.R.H. Lechanteur,

griffier

w.g. mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van EUR 1060,= (ZEGGE: DUIZENDZESTIG EURO)

Aldus gedaan op 17 februari 2010 door mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen.

Afschrift verzonden: 17 februari 2010

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 16113

2500 BC ’s-Gravenhage

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.