Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL5399

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
09/13153
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BN6295, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ranov / burgemeestersverklaring is geen besluit / ontbreken burgemeestersverklaring / bewijsaanbod ononderbroken verblijf / onzorgvuldig onderzoek

De burgemeestersverklaring was bedoeld als een vorm van deskundigenadvies [..] Naar vaste jurisprudentie, onder andere neergelegd in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 januari 2004 (LJN AO1686) is een advies niet op rechtsgevolg gericht en is het daarom geen besluit. Er kan dan ook niet zelfstandig tegen een advies worden opgekomen, ook al is het afkomstig van een bestuursorgaan. Daarentegen staat wel de mogelijkheid open om in de procedure waarin het advies wordt gebruikt op te komen tegen de inhoud ervan. Hieruit volgt dat ook tegen het ten onrechte uitblijven van een advies niet zelfstandig kan worden opgekomen, maar dat dit in de procedure waarvoor dat advies zou moeten worden afgegeven moet gebeuren. Gelet hierop staat het eiser in de onderhavige procedure vrij die feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig aannemelijk te maken waaruit volgt dat een burgemeestersverklaring had moeten worden afgegeven. Echter, in plaats van eiser daartoe in de gelegenheid te stellen, heeft verweerder ondanks eisers uitdrukkelijke bewijsaanbod ten aanzien van zijn ononderbroken verblijf in bezwaar slechts beoordeeld of een burgemeestersverklaring was afgegeven. Derhalve heeft verweerder onvoldoende zorgvuldig onderzoek naar de feiten gedaan en eiser onvoldoende in de gelegenheid gesteld zijn stellingen aannemelijk te maken. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, enkelvoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr.: AWB 09/13153

V-nummer: […]

Inzake: […], eiser,

gemachtigde mr. P.J. de Bruin, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. F.R. Baeten.

I Procesverloop

1 Eiser, geboren op […] 1982, bezit de Soedanese nationaliteit. Bij brief van 14 januari 2009 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet (oud), zoals neergelegd in het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Pardonregeling). Bij besluit van 3 april 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

2 Op 10 april 2009 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

3 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2009. Ter zitting is eiser niet verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mr. I.A.M. de Groot. De rechtbank heeft de behandeling van het beroep op verzoek van eiser aangehouden en het onderzoek ter zitting geschorst. Het onderzoek is voortgezet op 18 december 2009. Ter zitting is verschenen eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Tevens is verschenen H.M.M. Abdel Gawad, tolk in de Engelse taal.

II Overwegingen

1.1 Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is verweerder bevoegd ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te verlenen.

Ingevolge artikel 3.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kunnen bij ministeriële regeling andere beperkingen dan genoemd in het eerste lid worden aangewezen waaronder de verblijfsvergunning ambtshalve kan worden verleend.

Ingevolge artikel 3.17a, aanhef en onder b, van het Voorschrift vreemdelingen 2000 (Vv 2000) worden als beperking, bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, van het Vb 2000 aangewezen de beperkingen verband houdende met afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet.

1.2 Volgens onderdeel B14/5.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), zoals dit luidde ten tijde en voor zover hier van belang, wordt een verblijfsvergunning gegeven aan de vreemdeling die sinds 1 april 2001 ononderbroken in Nederland heeft verbleven. Ononderbroken verblijf wordt slechts aangenomen indien dit blijkt uit een verklaring van burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling feitelijk verblijft (hierna: burgemeestersverklaring). In de burgemeestersverklaring dient te worden bevestigd dat de vreemdeling aantoonbaar ononderbroken sinds 1 januari 2006 in het kader van noodopvang in die gemeente heeft verbleven. Indien de vreemdeling niet aantoonbaar uit Nederland is vertrokken, wordt, indien uit de verklaring van de burgemeester blijkt dat de vreemdeling gedurende het gehele jaar 2006 in het kader van noodopvang in die gemeente heeft verbleven, ononderbroken verblijf sinds 1 april 2001 aangenomen.

2 De rechtbank oordeelt als volgt.

2.1 Vaststaat dat voor eiser geen burgemeestersverklaring is afgegeven. Dit is voor verweerder de aanleiding geweest de aanvraag af te wijzen. In bezwaar en beroep heeft eiser zich samengevat en zakelijk weergegeven op het standpunt gesteld dat hij wel sinds 1 april 2001 onafgebroken heeft verbleven in Nederland, dat bewijs daarvan niet enkel met een burgemeestersverklaring geleverd kan worden en heeft hij getuigen aangedragen die zouden kunnen bevestigen dat hij onafgebroken in Nederland heeft verbleven.

2.2 Uit de ontstaansgeschiedenis van de Pardonregeling blijkt het volgende.

Het uitgangspunt voor verweerder was een ambtshalve beoordeling van dossiers van vreemdelingen die voor verlening van een pardonvergunning in aanmerking zouden kunnen komen, zonder de mogelijkheid van bezwaar of beroep tegen die ambtshalve beoordeling (TK 31 018, nr. 3, p. 39; Handelingen II, p. 4189). Wel had verweerder voorzien dat vreemdelingen een vergunning op grond van de regeling zouden aanvragen en dat de afwijzing daarvan voor bezwaar en beroep vatbaar zou zijn (TK 31 018, nr. 3, p. 17). Teneinde de regeling goed te kunnen uitvoeren, diende verweerder te beschikken over de gegevens van vreemdelingen die voor verlening van de vergunning in aanmerking zouden kunnen komen. Van drie categorieën vreemdelingen, genoemd in onderdeel 5.2, ad b, van de Vc 2000, zouden de gegevens reeds bekend zijn bij verweerder. Voor andere gevallen geldt de regeling van de burgemeestersverklaring (TK 31 018, nr. 3, p. 16).

Hoewel de Pardonregeling als voorwaarde stelt ononderbroken verblijf sinds 1 april 2001, dient uit de burgemeestersverklaring slechts ononderbroken verblijf sinds 1 januari 2006 te blijken. De gedachte hierachter is dat de vreemdeling niet een onevenredig zware bewijslast moet worden opgelegd, die niet significant bijdraagt aan de zorgvuldige uitvoering van de regeling (TK 31 018, nr. 3, pp. 25, 26, 28). De burgemeestersverklaring was bedoeld als een vorm van deskundigenadvies; verweerder ging ervan uit dat bij uitstek de burgemeester in staat was zich een oordeel te vormen over het verblijf van de vreemdeling in Nederland vanaf 1 januari 2006 (TK 31 018, nr. 3, p. 20, 36; Handelingen II, p. 4160). Weliswaar is de burgemeesters een indicatieve lijst van bewijsmiddelen verstrekt aan de hand waarvan zij tot een oordeel in individuele zaken konden komen, doch deze lijst is niet als uitputtend bedoeld en niets staat er dan ook aan in de weg dat de burgemeester zijn verklaring op andere dan de genoemde bewijsmiddelen baseert (TK 31 018, nr. 3, p. 20). De Pardonregeling beoogt hoewel de tekst anders suggereert niet een onderscheid te maken naar de vorm van (nood )opvang waarin een vreemdeling heeft verbleven; alleen het verblijf in Nederland is relevant (TK 31 018, nr. 3, pp. 28-29).

Wanneer een burgemeestersverklaring wordt afgegeven, gaat verweerder van de juistheid daarvan uit (TK 31 018, nr. 3, p. 33; Handelingen II, p. 4161). Dit laat de mogelijkheid onverlet dat uit andere bronnen blijkt dat de vreemdeling Nederland wel op enig moment na 1 april 2001 heeft verlaten; in dat geval wordt toch geen verblijfsvergunning verleend, ondanks de aanwezigheid van een burgemeestersverklaring (TK 31 018, nr. 3, pp. 25-26, 36).

Verweerder is ervan uitgegaan dat geen rechtsmiddelen open staan tegen het niet afgeven van een burgemeestersverklaring (Handelingen II, p. 4160-4161).

2.3 Naar vaste jurisprudentie, onder andere neergelegd in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 januari 2004 (LJN AO1686) is een advies niet op rechtsgevolg gericht en is het daarom geen besluit. Er kan dan ook niet zelfstandig tegen een advies worden opgekomen, ook al is het afkomstig van een bestuursorgaan. Daarentegen staat wel de mogelijkheid open om in de procedure waarin het advies wordt gebruikt op te komen tegen de inhoud ervan. Hieruit volgt dat ook tegen het ten onrechte uitblijven van een advies niet zelfstandig kan worden opgekomen, maar dat dit in de procedure waarvoor dat advies zou moeten worden afgegeven moet gebeuren.

Gelet hierop staat het eiser in de onderhavige procedure vrij die feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig aannemelijk te maken waaruit volgt dat een burgemeestersverklaring had moeten worden afgegeven. Echter, in plaats van eiser daartoe in de gelegenheid te stellen, heeft verweerder ondanks eisers uitdrukkelijke bewijsaanbod ten aanzien van zijn ononderbroken verblijf in bezwaar slechts beoordeeld of een burgemeestersverklaring was afgegeven. Derhalve heeft verweerder onvoldoende zorgvuldig onderzoek naar de feiten gedaan en eiser onvoldoende in de gelegenheid gesteld zijn stellingen aannemelijk te maken. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

2.4 Er bestaat geen aanleiding thans te beoordelen of eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij sinds 1 januari 2006 ononderbroken in Nederland heeft verbleven. Het is in eerste instantie aan verweerder om, eventueel het advies vragend van de betrokken burgemeester, het door eiser aangedragen bewijs te waarderen. Bovendien heeft eiser ter zitting verklaard dat hij ook nog andere dan de ter zitting verschenen getuigen wil doen horen. Teneinde een zorgvuldig onderzoek mogelijk te maken, zal verweerder een langere termijn worden gegund om een nieuw besluit te nemen dan gebruikelijk.

2.5 In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om, nu de beslissing op bezwaar niet in Nederland mag worden afgewacht, ambtshalve op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb de voorziening te treffen dat uitzetting van eiser achterwege blijft tot vier weken nadat op opnieuw op het bezwaar zal zijn beslist.

2.6 De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, zoals dit luidde ten tijde van het instellen van het beroep, vastgesteld op € 644,= (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,= en wegingsfactor 1).

III Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

1 verklaart het beroep gegrond;

2 vernietigt het bestreden besluit;

3 bepaalt dat verweerder binnen tien weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4 treft een voorlopige voorziening en bepaalt dat eiser niet mag worden uitgezet tot vier weken nadat verweerder een nieuw besluit heeft genomen;

5 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 644,=;

6 bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 150,= vergoedt.

Aldus gedaan door mr. drs. J. van den Bos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Mehlbaum, griffier.

De griffier,

De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2010.

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

Afschrift verzonden op: