Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL5278

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-02-2010
Datum publicatie
23-02-2010
Zaaknummer
AWB 08/36506
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BN2528, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sri Lanka, herhaalde aanvraag, Tamils, 15C, geen uitzonderlijke situatie, uitleg risicofactoren van Europees arrest

Alhoewel uit het UNHCR-rapport van april 2009, de ambtsberichten en de overige overgelegde stukken kan worden opgemaakt dat medio 2008 het gewapend conflict in het noorden van Sri Lanka is geëscaleerd, kan daaruit naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat de mate van het willekeurig geweld in het kader van het door eiser gestelde gewapend conflict dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat een Tamil, louter door zijn aanwezigheid aldaar, op dat moment een reëel risico liep als hiervoor bedoeld.

Eiser stelt voorts dat hij, gelet op de risicofactoren uit het arrest van 17 juli 2008 inzake N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk, het risico loopt op een schending van artikel 3 van het EVRM.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat sprake kan zijn van een schending van artikel 3 van het EVRM bij uitzetting naar Sri Lanka indien eiser aannemelijk maakt dat de Sri Lankaanse autoriteiten bij zijn terugkeer een zodanige negatieve belangstelling voor hem zouden hebben dat hij gedetineerd en ondervraagd zou worden in het kader van de bestrijding van de LTTE, zo volgt uit rechtsoverweging 133 van het arrest van het EHRM van 17 juli 2008. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser dit niet aannemelijk gemaakt. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de stelling van eiser dat hij eerder is aangemerkt als vermeend lid van de LTTE, ongeloofwaardig is geacht in de eerdere procedures en verzoeker daartegen geen nova heeft aangevoerd. Verder acht de rechtbank van belang dat, anders dan van de vreemdeling in het door hem genoemde arrest N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk, van eiser niet geloofwaardig is geacht dat hij eerder is gearresteerd vanwege vermeende banden met de LTTE en dat hij om die reden nog bekend is bij de Sri Lankaanse autoriteiten. Ten aanzien van N.A. was immers geloofwaardig geacht dat hij zes keer gearresteerd was geweest vanwege dergelijke vermeende banden en was geloofwaardig dat zijn persoonsgegevens bij de Sri Lankaanse autoriteiten bekend waren. Het in dit kader gedane beroep op het arrest van het EHRM van 17 juli 2008 faalt in het onderhavige geval nu de situatie van eiser op essentiële onderdelen afwijkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 08/36506

Datum uitspraak: 19 februari 2010

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[naam eiser]

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer]

van Sri Lankaanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. W. Boelens,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Bij besluit van 30 september 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 3 juli 2007 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Op 10 oktober 2008 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 21 september 2009. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.D.A. van Veghel.

Telefonisch heeft de griffier van deze rechtbank aan de gemachtigde van eiser alsmede aan verweerder gevraagd of zij in verband met langdurige verhindering van de behandelend rechter ermee instemmen dat een andere rechter (zonder een nadere zitting) uitspraak doet. Partijen hebben daarmee ingestemd.

De beoordeling

1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2. Eiser heeft eerder op 25 mei 1998 een aanvraag gedaan om toelating als vluchteling en om een vergunning tot verblijf. Bij besluit van 28 augustus 1998 zijn deze aanvragen niet ingewilligd. Het daartegen ingestelde bezwaarschrift van 30 september 1998 is door verweerder bij besluit van 28 januari 1999 ongegrond verklaard. Daartegen heeft eiser bij brief van 24 februari 1999 beroep ingesteld. Bij haar uitspraak van 5 oktober 2000 heeft deze rechtbank en nevenzittingsplaats het beroep ongegrond verklaard. Op 2 augustus 2001 heeft eiser een tweede asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 30 september 2003 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Het daartegen ingestelde beroep van 21 oktober 2003 is door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Middelburg bij haar uitspraak van 2 augustus 2005 ongegrond verklaard. Het besluit van 30 september 2008 is van gelijke strekking als de besluiten van 28 augustus 1998 en 30 september 2003, zodat op het tegen dat besluit ingestelde beroep het onder rechtsoverweging 1 weergegeven beoordelingskader van toepassing is.

3. Eiser stelt dat sprake is van nieuw recht, te weten artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Definitierichtlijn). Dit is ook relevant omdat eiser, zowel vanwege zijn loutere aanwezigheid in Sri Lanka, als vanwege zijn risicoprofiel, het risico loopt op ernstige schade in de zin van dit artikel. Onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van 17 juli 2008, N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk (JV 2008/329), stelt eiser dat hij vanwege specifieke kenmerken een reëel risico loopt bij terugkeer door de autoriteiten te worden gedetineerd en onmenselijk behandeld. Ook stelt eiser dat een categoriaal beschermingsbeleid geïndiceerd is gelet op de verslechterde veiligheidssituatie.

Ter ondersteuning van zijn stellingen heeft eiser een beroep gedaan op de volgende landeninformatie:

- het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Sri Lanka van april 2007;

- Human Rights Council gedateerd 7 december 2007: “Urgent Action Needed to End Abuses in Sri Lanka”;

- Medical Foundation for the Care of Victims of Torture (2007): “Torture once again rampant in the Sri Lanka Conflict”

- Schweizerische Flüchtlingshilfe, gedateerd december 2007: “Sri Lanka unter Notstandsrecht“;

- Amnesty International Press Release, gedateerd 4 december 2007: “Sri Lanka: Amnesty International condemns mass arrests”;

- 2 persberichten van Amnesty International van 18 januari 2008 en 4 februari 2008;

- de Human Rights Country summary betreffende Sri Lanka, gedateerd January 2008;

- het rapport van de International Crisis Group, gedateerd 20 februari 2008: “Sri Lanka’s return to war: limiting the damage”;

- een samenvatting van het Human Rights Watch rapport “Recurring nightmare: State responsability for “Disappearances”and Abductions in Sri Lanka”, gedateerd 6 maart 2008;

- Amnesty International Public Statement, gedateerd 9 april 2008: “Sri Lanka: mounting civilian casualties as conflict persists”;

- UN General Assembly/Human Rights Council, gedateerd 26 februari 2008: “Mission to Sri Lanka”;

- informatie van het Asian Centre for Human Rights, gedateerd 6 februari 2008;

- informatie van Human Rights Watch, gedateerd januari 2008;

- het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 17 oktober 2008;

- een brief van 24 maart 2009 van het landelijk bureau VluchtelingenWerk Nederland aan de woordvoerders asiel- en vreemdelingenbeleid van de vaste Kamercommissie voor Justitie van de Tweede Kamer;

- een brief van 25 maart 2009 van Amnesty International aan de Vaste Kamercommissie voor Justitie;

- het rapport ‘UNHCR eligibility guidelines for assessing the international protection needs of asylum seekers from Sri Lanka’ van april 2009; en

- de ‘Note on the applicability of the 2009 Sri Lanka Guidelines’ van juli 2009.

4. Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 1 dient allereerst te worden getoetst of artikel 15, aanhef en onder c van de Definitierichtlijn kan worden aangemerkt als gewijzigd recht. De rechtbank overweegt dat de Afdeling bij uitspraak van 25 juni 2009 (nr. 200900815/1/V2) heeft geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn niet kan worden aangemerkt als een wijziging van recht. Van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden kan in dit verband evenwel sprake zijn, indien de vreemdeling aantoont dat ten tijde van de totstandkoming van het besluit van gelijke strekking de algemene veiligheidssituatie in zijn land van herkomst zodanig is verslechterd dat niet op voorhand uitgesloten is dat deze verslechterde situatie kan afdoen aan het eerdere besluit, in zoverre dat ziet op toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b en d, van de Vw 2000.

5. De rechtbank stelt vast dat uit de door eiser overgelegde stukken blijkt dat na beëindiging van het staakt-het-vuren tussen de Liberation Tigers of Tamil Eelam (hierna: de LTTE) en de Sri Lankaanse overheid, het conflict in Noord Sri Lanka in 2006 weer is opgelaaid en dat volgens het algemene ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van september 2009, waarnaar door beide partijen ter zitting is verwezen, tot 18 mei 2009 in het noorden van Sri Lanka sprake was van een binnenlands gewapend conflict. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de algehele veiligheidssituatie in het noorden van Sri Lanka zodanig is verslechterd dat niet op voorhand is uitgesloten dat dit af kan doen aan het eerdere besluit. Aldus is daarmee sprake van nieuw gebleken feiten als hiervoor onder rechtsoverweging 1 bedoeld, zodat het bestreden besluit in zoverre kan worden getoetst.

6. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de enkele omstandigheid dat eiser Tamil is die afkomstig is uit het noordoosten van Sri Lanka niet tot de conclusie leidt dat hij een gegronde reden loopt te worden vervolgd. De door eiser genoemde aanbevelingen van het UNHCR zijn niet overgenomen in het beleid van verweerder zoals dit is neergelegd in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2007/3. Uit het vluchtrelaas van eiser - bezien tegen de achtergrond van de politieke en maatschappelijke situatie in Sri Lanka - kan volgens verweerder niet de conclusie worden getrokken dat er sprake is van een reëel en voorzienbaar risico dat juist eiser bij terugkeer naar Sri Lanka zal worden onderworpen aan een door artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) verboden behandeling. De enkele mogelijkheid van schending is onvoldoende. Ten aanzien van de in beroep ingebrachte stukken stelt verweerder zich ter zitting op het standpunt dat daaruit nog steeds niet kan worden afgeleid dat sprake was van een uitzonderlijke situatie en van een zodanige mate van geweld dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst enkel door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM, en dat reeds vanwege die mate van geweld sprake is van een ernstige individuele bedreiging als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

7. Niet in geschil is dat eiser van Tamil afkomst is en afkomstig is uit Delft (Noord-Sri Lanka). Voorts is niet in geschil dat ten tijde van het bestreden besluit in Noord-Sri Lanka sprake was van een (binnenlands) gewapend conflict. Partijen zijn verdeeld over de vraag of zich ten tijde van het bestreden besluit in dit deel van Sri Lanka een uitzonderlijke situatie voordeed als hiervoor bedoeld.

8. Alhoewel uit het UNHCR-rapport van april 2009, de ambtsberichten en de overige overgelegde stukken kan worden opgemaakt dat medio 2008 het gewapend conflict in het noorden van Sri Lanka is geëscaleerd, kan daaruit naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat de mate van het willekeurig geweld in het kader van het door eiser gestelde gewapend conflict dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat een Tamil, louter door zijn aanwezigheid aldaar, op dat moment een reëel risico liep als hiervoor bedoeld. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat uit het arrest van het EHRM van 17 juli 2008 kan worden opgemaakt dat het EHRM aanneemt dat de verslechterde veiligheidssituatie niet zodanig is dat deze een reëel risico oplevert voor alle naar Sri Lanka terugkerende Tamils. Ten aanzien van de situatie na mei 2009 volgt uit het UNHCR-rapport van juli 2009 en het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van september 2009, dat burgers in het noorden van Sri Lanka als gevolg van de beëindiging van het gewapend conflict niet meer het risico lopen willekeurig slachtoffer te worden.

9. Ten aanzien van de omstandigheid dat eiser Tamil is overweegt de rechtbank daarbij nog dat de Tamil-bevolkingsgroep in het landgebonden asielbeleid inzake Sri Lanka niet als kwetsbare minderheidsgroep is aangemerkt. Uit vaste jurisprudentie blijkt verder het enkele behoren tot een groep slechts dan tot de conclusie kan leiden dat de desbetreffende vreemdeling een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling indien aannemelijk gemaakt is dat die groep systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen (zie onder meer rechtsoverweging 116 van het arrest van het EHRM van 17 juli 2008). Naar het oordeel van de rechtbank kan een dergelijke systematische vervolging niet uit de door eiser overgelegde stukken worden afgeleid zodat eiser evenmin vanwege het enkele zijn van Tamil in aanmerking komt voor een vergunning. De rechtbank verwijst in dat verband naar rechtsoverweging 128 van het arrest van 17 juli 2008.

10. Vervolgens komt de vraag aan de orde of bij eiser sprake is van aanvullende specifieke omstandigheden die maken dat juist hij het risico loopt op een schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Sri Lanka. Eiser wijst op de volgende risico-factoren uit het arrest van 17 juli 2008 inzake N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk gehanteerde opsomming, die volgens eiser op hem van toepassing zijn:

- het zijn van een mannelijke Tamil uit het noordoosten van Sri Lanka;

- het eerder zijn aangemerkt als een (vermeend) lid van de LTTE;

- de aanwezigheid van littekens;

- illegale uitreis vanuit Sri Lanka;

- het niet beschikken over een identiteitskaart of andere documenten;

- het hebben ingediend van een asielverzoek in het buitenland en

- het hebben van een familielid (neef) dat lid is van de LTTE.

11. De rechtbank overweegt dat de individuele omstandigheden in samenhang moeten worden gezien alsmede dat deze moeten worden bezien in het licht van de algemene situatie. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat sprake kan zijn van een schending van artikel 3 van het EVRM bij uitzetting naar Sri Lanka indien eiser aannemelijk maakt dat de Sri Lankaanse autoriteiten bij zijn terugkeer een zodanige negatieve belangstelling voor hem zouden hebben dat hij gedetineerd en ondervraagd zou worden in het kader van de bestrijding van de LTTE, zo volgt uit rechtsoverweging 133 van het arrest van het EHRM van 17 juli 2008.

12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser dit niet aannemelijk gemaakt. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de stelling van eiser dat hij eerder is aangemerkt als vermeend lid van de LTTE, ongeloofwaardig is geacht in de eerdere procedures en verzoeker daartegen geen nova heeft aangevoerd. Ten aanzien van de stelling dat eiser een neef heeft in de LTTE heeft verweerder terecht overwogen dat deze stelling onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van het niet beschikken over documenten overweegt de rechtbank dat in de eerdere procedures al is geoordeeld dat deze omstandigheid eiser toe te rekenen is, terwijl verweerder zich in dit besluit in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij deze documenten niet alsnog via zijn familie of vrienden kan verkrijgen.

13. Verder acht de rechtbank van belang dat, anders dan van de vreemdeling in het door hem genoemde arrest N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk, van eiser niet geloofwaardig is geacht dat hij eerder is gearresteerd vanwege vermeende banden met de LTTE en dat hij om die reden nog bekend is bij de Sri Lankaanse autoriteiten. Ten aanzien van N.A. was immers geloofwaardig geacht dat hij zes keer gearresteerd was geweest vanwege dergelijke vermeende banden en was geloofwaardig dat zijn persoonsgegevens bij de Sri Lankaanse autoriteiten bekend waren.

14. Het is naar oordeel van de rechtbank niet aannemelijk dat de enkele omstandigheden dat eiser een mannelijke Tamil uit het noordoosten van Sri Lanka is, stelt illegaal te zijn uitgereisd uit Sri Lanka, een asielverzoek in het buitenland heeft ingediend en littekens heeft, maken dat hij in de in rechtsoverweging 11 genoemde negatieve belangstelling staat. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit het arrest van 17 juli 2008 weliswaar blijkt dat het hebben van littekens een belangrijke factor is in de beoordeling van die negatieve belangstelling, maar dat uit dat arrest ook volgt dat die littekens alleen relevant zijn indien er andere omstandigheden zijn die de vreemdeling onder de aandacht van de autoriteiten zullen brengen, zoals een openstaand arrestatiebevel of het ontbreken van identiteitsdocumenten, zie rechtsoverweging 144 van het arrest. Nu van het eerste geen sprake is en, zoals hiervoor overwogen, eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet aan de door hem achtergelaten documenten kan komen, heeft eiser deze omstandigheden niet aannemelijk gemaakt. Voor zover eiser met zijn handicap de aandacht op zich zal vestigen overweegt de rechtbank dat verweerder terecht heeft opgemerkt dat eiser zijn Nederlandse medische stukken (vertaald) mee kan nemen om aan te tonen dat de handicap en littekens pas in Nederland zijn ontstaan. De rechtbank acht niet aannemelijk gemaakt dat de Sri Lankaanse autoriteiten na kennisname van deze stukken en met het ontbreken van aanwijzingen voor LTTE activiteiten door eiser, over zullen gaan tot detentie en ondervraging.

15. Gelet hierop heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Het in dit kader gedane beroep op het arrest van het EHRM van 17 juli 2008 faalt nu de situatie van eiser op essentiële onderdelen afwijkt. Eiser kan dan ook geen geslaagd beroep doen op artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

16. Het met de eerder genoemde stukken onderbouwde beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 slaagt evenmin nu gelet op hetgeen ten aanzien van die stukken hiervoor is overwogen en gelet op de ruime beoordelingsvrijheid die verweerder in dit kader toekomt, verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid geen aanleiding behoefde te zien om een zodanig beleid te voeren.

17. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in tegenwoordigheid van mr. D.G. Wessels-Harmsen, griffier.

de griffier de rechter?

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2010

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).