Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL5250

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-01-2010
Datum publicatie
23-02-2010
Zaaknummer
356200 - KG ZA 10-12
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vorderingen tot civiel- en strafrechtelijke ontruiming afgewezen. Huisrecht eiser onvoldoende aannemelijk, zodat de gestelde huisvredebreuk - en daarmee het bevorderen ervan door de politie - evenmin aannemelijk geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 26 januari 2010,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 356200 / KG ZA 10-12 van:

[...],

wonende althans verblijvende te [...],

eiser,

advocaat mr. M.A.R. Schuckink Kool te 's-Gravenhage,

tegen:

1. DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde sub 1,

advocaat mr. J. Bootsma te 's-Gravenhage.

2. [...],

wonende te [...],

gedaagde sub 2,

advocaat mr. M.J. Sarfaty te Amsterdam.

1. Het procesverloop

[gedaagde sub 2] heeft bezwaar gemaakt tegen de door eiser ter zitting gedane wijziging van eis en tegen de ter zitting door eiser overgelegde productie. [gedaagde sub 2] heeft hiertoe aangevoerd dat hij door het late moment van indienen ervan onredelijk in zijn verdediging is geschaad, zodat de eiswijziging en de productie, wegens strijd met een goede procesorde is, buiten beschouwing dienen te worden gelaten.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet de eiswijziging worden toegestaan. Gelet op het minieme karakter van de wijziging, te weten de toevoeging van “met het zijne en de zijnen’ aan de gevorderde ontruiming, kan [gedaagde sub 2] redelijkerwijs niet in zijn verdediging zijn geschaad.

Met betrekking tot de ter zitting overgelegde productie overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Ingevolge het vigerende “Procesreglement kort gedingen rechtbanken sector civiel/familie” dienen gedingstukken zo spoedig mogelijk te worden ingediend. In dit reglement is in dit kader bepaald dat die niet binnen 24 uur (één werkdag) vóór de zitting worden ingediend, in beginsel buiten beschouwing gelaten worden.

Nu de productie pas ter zitting is ingediend en gedaagden daardoor geen gelegenheid hebben gehad om voorafgaand aan de zitting de overgelegde productie te bestuderen, zal deze productie buiten beschouwing worden gelaten.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 13 januari 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Stichting Ymere is eigenaar van, althans heeft een recht van erfpacht met betrekking tot, de begane grond van het pand aan de [...] (hierna: ‘het pand’). Het betreft een bedrijfsruimte (atelier, werk- en/of opslagplaats) van ongeveer 800m2. Het pand is omstreeks juli 2009 in tijdelijke bewaring geven aan Zwerfkei Bewaring B.V. (hierna: ‘Zwerfkei’). Op 29 juli 2009 heeft Zwerfkei op haar beurt een gebruiksovereenkomst gesloten met gedaagde sub 2 (hierna ook wel: ‘[gedaagde sub 2]’).

2.2. In of omstreeks augustus 2008 heeft [gedaagde sub 2] de heer [...] (hierna: ‘[A]’) toegang verschaft tot het pand en hem de sleutels ervan gegeven. Nadat onenigheid was ontstaan tussen [gedaagde sub 2] en [A], heeft [A], buiten medeweten van [gedaagde sub 2], op of omstreeks 27 oktober 2009 de sloten van het pand vervangen, zodat [gedaagde sub 2] geen toegang meer had tot het pand. Op 10 november 2009 heeft [gedaagde sub 2] aangifte gedaan van lokaalvredebreuk bij de politie.

2.3. Het op 16 december 2009 door de politie opgemaakte proces-verbaal van bevindingen vermeldt voor zover relevant het volgende:

“Op 21 november 2009 werd reeds melding gemaakt betreffende deze huisvredebreuk door dhr [gedaagde sub 2] en dhr [A].

Buurtregisseur [...], inspecteur van politie (…) is in verband met deze melding op huisbezoek gegaan op het voornoemde adres om polshoogte te nemen betreffende de situatie.

(…)

Ik, verbalisant, zag dat er aan de voorzijde (straatkant) een eenpersoonsbed was geplaatst, afgezet met enkele kasten. Er is een grote keuken aanwezig en een toilet/wasgelegenheid.

(…)

Dhr [A] verklaart dat hij al 8 weken in het pand slaapt.”

2.4. Na bemiddeling door de politie, heeft [A] uiteindelijk op 24 december 2009 de sleutels overgedragen aan de politie, waarna de politie de sleutels weer heeft overgedragen aan [gedaagde sub 2]. Vervolgens heeft [gedaagde sub 2] nog diezelfde dag het pand betreden en de sloten vervangen. Diezelfde avond nog heeft een confrontatie plaatsgevonden tussen [gedaagde sub 2] enerzijds en [A] en eiser anderzijds. Bij deze confrontatie heeft eiser zich, in aanwezigheid van de politie, beroepen op zijn huisrecht en geëist dat hem weer de toegang tot het pand zou worden verschaft.

2.5. Op 4 januari 2010 heeft de advocaat van eiser aangifte gedaan bij de hoofdofficier van justitie in verband met huisvredebreuk. Daarbij is verklaard dat eiser het pand op 24 oktober 2009 heeft gekraakt. Bij de aangifte heeft de advocaat het verzoek gedaan om gedaagde sub 2 uit het pand te verwijderen en om het pand ter beschikking van eiser te stellen.

2.6. Op 5 januari 2010 heeft [gedaagde sub 2] aan eiser meegedeeld dat hij zijn goederen uit het pand dient te verwijderen, bij gebreke waarvan [gedaagde sub 2] de goederen op straat zou zetten.

3. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

3.1. Eiser vordert, na wijziging van eis ter zitting, zakelijk weergegeven:

I. gedaagde sub 1 op straffe van een dwangsom te gebieden het pand weer in de feitelijke macht van eiser te brengen;

II. gedaagde sub 2 op straffe van een dwangsom te gebieden het pand te verlaten met het zijne en de zijnen onder afgifte van de sleutels aan eiser, alsmede hem te verbieden de goederen van eiser uit het pand te verwijderen.

3.2. Daartoe voert eiser het volgende aan.

Eiser heeft in augustus 2009 met toestemming van [A] (en daarmee indirect met toestemming van [gedaagde sub 2]) zijn intrek genomen in het pand. [gedaagde sub 2] zelf gebruikte het pand niet. Hoewel eiser nog staat ingeschreven bij zijn echtgenote in Haarlem, is hij sinds enige tijd daar niet meer woonachtig. Vanaf augustus 2009 voerde eiser, gezamenlijk met [A], met (impliciete) toestemming van [gedaagde sub 2] het volledige beheer over het pand.

Nadat [A] op 26 oktober 2009 de sloten had veranderd, is eiser in het pand blijven wonen. Door de bewoning heeft eiser een huisrecht verkregen. Doordat [gedaagde sub 2] – onder toeziend oog van de politie – de sloten heeft veranderd, is er een inbreuk gemaakt op het huisrecht van eiser. Gelet op het huisrecht van eiser, had de politie niet mogen bevorderen dat [gedaagde sub 2] het pand in gebruik nam. Gedaagde sub 1 heeft derhalve onrechtmatig gehandeld door [gedaagde sub 2] in staat te stellen het pand in gebruik te nemen. Aangezien het grondwettelijke huisrecht sterker is dan het gestelde gebruiksrecht van [gedaagde sub 2], dient gedaagde sub 1 zo spoedig mogelijk een einde te maken aan de door [gedaagde sub 2] gepleegde huisvredebreuk, bijvoorbeeld met toepassing van zijn bevoegdheden op grond van artikel 2 Politiewet 1993 en artikel 124 Wet op de rechterlijke organisatie.

Eiser heeft een spoedeisend belang bij de toewijzing van zijn vordering, aangezien hij thans niet meer over woonruimte beschikt.

3.3. Gedaagden voeren beide gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. In deze procedure heeft eiser gevorderd dat gedaagde sub 2 ([gedaagde sub 2]) het pand, met het zijne en de zijnen, ontruimt en dat gedaagde sub 1 het pand weer in de feitelijke macht van eiser brengt. Eiser heeft aan deze vorderingen ten grondslag gelegd dat [gedaagde sub 2] huisvredebreuk heeft gepleegd en dat gedaagde sub 1 onrechtmatig heeft gehandeld door niet op te treden tegen de schending door [gedaagde sub 2] van het huisrecht van eiser.

Met betrekking tot de gevorderde ontruiming en het gevorderde (strafrechtelijke) optreden van gedaagde sub 1 wordt achtereenvolgens als volgt overwogen.

ontruiming door [gedaagde sub 2]

4.2. Voor de toewijzing van de gevorderde ontruiming dient de voorzieningenrechter te beoordelen of het in zodanig hoge mate waarschijnlijk te achten is dat deze vordering in een eventueel aan te spannen bodemprocedure toewijsbaar is, dat het verantwoord is daarop bij wijze van voorziening bij voorraad vooruit te lopen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hiervan geen sprake is. De vordering wordt dus afgewezen. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.3. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde sub 2] uit hoofde van de overeenkomst met Zwerfkei de rechtmatige gebruiker is van het pand. Voorts staat vast dat [gedaagde sub 2] [A] toestemming heeft gegeven om (ook) van de ruimte gebruik te maken. Gebleken is dat [gedaagde sub 2] nooit expliciet toestemming heeft gegeven aan eiser om gebruik te maken van het pand. Eiser baseert zijn recht op afspraken met [A], terwijl hij tegelijkertijd meent dat hij het pand heeft “gekraakt”. Aangezien het gebruiksrecht van [A] ten laatste op 24 december 2009, met het inleveren van de sleutels door [A], geëindigd is, moet het van dat van [A] afgeleide gebruiksrecht van eiser ook per die datum als beëindigd worden beschouwd. In beide gevallen, of eiser nu gebruiker was of kraker, moet het ervoor gehouden worden dat [gedaagde sub 2] thans een beter recht heeft op het gebruik van het pand dan eiser.

4.4. Eiser heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde sub 2] huisvredebreuk heeft gepleegd en dat [gedaagde sub 2] – die slechts gebruiker was van het pand en geen bewoner – het veld heeft te ruimen voor eiser. Dit betoog kan niet worden gevolgd. Redengevend daarvoor is het volgende.

4.5. In deze procedure is niet met de voor kort geding vereiste mate van aannemelijkheid gebleken dat eiser daadwerkelijk een huisrecht heeft verkregen. Hoewel er diverse niet nader gespecificeerde getuigenverklaringen zijn waaruit zou kunnen worden afgeleid dat eiser in het pand sliep en er daarnaast op 24 december 2009 niet nader aangeduide goederen van eiser in het pand aanwezig waren, kan juist weer uit de door [gedaagde sub 2] overgelegde verklaringen worden afgeleid dat eiser, in ieder geval tot 28 oktober 2009, niet in het pand woonde. Het wonen van eiser wordt voorts op geen enkele wijze bevestigd door, bijvoorbeeld, een door de politie opgemaakt proces-verbaal. Het proces-verbaal van 16 december 2009 geeft geen aanleiding te vermoeden dat er naast [A] nog meer mensen in het pand sliepen. Hoewel aannemelijk is dat eiser veelvuldig in het pand aanwezig is geweest en er wellicht ook wel eens heeft geslapen, is dat naar voorlopig oordeel onvoldoende om aan te nemen dat hij in het pand in voldoende mate aan “wonen beantwoordende bezigheden” heeft verwezenlijkt op grond waarvan het bestaan van een huisrecht zou moeten worden aangenomen.

Alleen al gelet op het ontbreken van het gestelde huisrecht dient de gevorderde ontruiming te worden afgewezen.

4.6. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat zelf als zou moeten worden aangenomen dat eiser wel een huisrecht had verkregen, de alsdan te maken belangenafweging, anders dan eiser kennelijk meent, er niet per definitie toe zou leiden dat de rechtmatige gebruiker het pand zou dienen te ontruimen ten gunste van een bewoner zonder (gebruiks)recht. Daarbij weegt mee dat in beginsel in een civielrechtelijke procedure met betrekking tot een pand waarin iemand zonder recht of titel verblijft, de ontruiming kan worden gevorderd. Zonder dat sprake is van bijkomende omstandigheden bestaat geen aanleiding om de door eiser gevorderde ordemaatregel te nemen.

strafrechtelijk optreden gedaagde sub 1

4.7. Nu, gelet op hetgeen is overwogen onder 4.5, het huisrecht van eiser onvoldoende aannemelijk is geworden, is de gestelde huisvredebreuk – en daarmee het bevorderen ervan door de politie – evenmin aannemelijk geworden. Alleen al om die reden dient het gevorderde strafrechtelijke optreden door gedaagde sub 1 te worden afgewezen.

4.8. Daarbij komt dat gedaagde sub 1 (het Openbaar Ministerie) op basis van het opportuniteitsbeginsel een ruime mate van beleidsvrijheid heeft om te beslissen of al dan niet tot opsporing en vervolging moet worden overgegaan. Volgens vaste rechtspraak is voor een voorziening in kort geding alleen plaats indien geoordeeld moet worden dat sprake is van een handeling waartoe geen redelijk handelend officier van justitie zou kunnen komen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarvan geen sprake.

Enerzijds is vooralsnog onvoldoende gebleken dat eiser een huisrecht heeft verkregen, terwijl anderzijds evenmin is gebleken dat [gedaagde sub 2] zich opzettelijk schuldig heeft gemaakt aan eigenrichting. [gedaagde sub 2] heeft immers toegang gekregen tot het pand door middel van de door [A] afgegeven sleutels, terwijl niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde sub 2] of de politie wisten of hadden moeten weten dat eiser in het pand woonde. Het door de politie opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 16 december 2009 biedt daarvoor geen enkel aanknopingspunt. Daarbij komt het ernstige vermoeden dat eiser zich met het verblijf in het pand schuldig maakt aan lokaalvredebreuk in de zin van artikel 429sexies Wetboek van Strafrecht.

Gelet op deze omstandigheden kan niet geoordeeld worden dat geen redelijk handelend officier van justitie ertoe zou kunnen komen om af te zien van optreden dat het pand in de feitelijke macht van eiser brengt.

4.9. Een en ander geldt temeer nu de aangifte van eiser zeer recent is en thans nog niet is besloten of onderzoek en vervolging dienen plaats te vinden.

slotsom en proceskosten

4.11. Slotsom van het voorgaand is dat de vorderingen van eiser moeten worden afgewezen. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding aan de zijde van beide gedaagden.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt eiser in de kosten van dit geding aan de zijde van beide gedaagden, tot dusverre aan de zijde van ieder der gedaagden begroot op € 1.078,-, waarvan telkens € 816,- aan salaris advocaat en € 262,- aan griffierecht;

- verklaart de proceskostenveroordeling met betrekking tot gedaagde sub 1 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.Th. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2010.

WJ