Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL5241

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-01-2010
Datum publicatie
23-02-2010
Zaaknummer
353571 - KG ZA 09-1638
Rechtsgebieden
Civiel recht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Kort geding, vordering tot afgifte verblijfsvergunning na aanbod o.g.v. de zogenoemde pardonregeling. Eiser niet ontvankelijk, aangezien weigering afgifte een relevante feitelijke handeling betreft waartegen o.g.v. art. 72 lid 3 Vreemdelingenwet 2000 voor eiser bestuursrechtelijke rechtsmiddelen openstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 18 januari 2010,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 353571/ KG ZA 09-1638 van:

[...],

wonende te [...],

eiser,

advocaat mr. M.S. Yap te Bergen op Zoom,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (meer speciaal de Staatssecretaris van Justitie),

zetelende 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. W.M. Szabo te 's-Gravenhage.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 8 januari 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Eiser is sinds 1997 verwikkeld in een verblijfsrechtelijke procedure.

1.2. Bij brief van 7 april 2008 aan diens raadsman, mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom, (hierna: ‘de raadsman’) heeft gedaagde meegedeeld dat eiser niet in aanmerking kwam voor een aanbod in het kader van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet (hierna: de ‘pardonregeling’). Eiser heeft hiertegen op 18 april 2008 bezwaar gemaakt.

1.3. Op 12 mei 2009 heeft gedaagde het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Bij brief van diezelfde datum heeft gedaagde (de Immigratie en Naturalisatiedienst (hierna: IND)) onder meer het volgende aan de raadsman van eiser meegedeeld:

“Uit de gegevens die mij bekend zijn, is gebleken dat uw cliënt aan de voorwaarden die gelden om voor een aanbod op grond van de [pardonregeling] in aanmerking te komen, voldoet.

Om voor een verblijfsvergunning op grond van de [pardonregeling] in aanmerking te komen dient uw cliënt(e) echter nog aan enkele noodzakelijke voorwaarden te voldoen.”

De (drie) genoemde voorwaarden betreffen de vaststelling van de juiste identiteit van eiser, het intrekken van de lopende procedures en het indienen van een fotokaart.

1.4. Nadat eiser ter voldoening aan de drie voorwaarden relevante bescheiden aan het IND had gezonden, heeft hij geruime tijd niets meer vernomen. Na enig aandringen van de kant van de raadsman van eiser heeft de IND bij brief van 6 oktober 2009 aan hem meegedeeld dat de feitelijke vergunningverlening na het gedane aanbod is opgeschort in afwachting van de resultaten van een onderzoek naar de mogelijke criminele antecedenten van eiser in Frankrijk.

1.4. Bij brief van 16 oktober 2009 heeft de raadsman van eiser bij de IND bezwaar gemaakt tegen de gang van zaken. De brief vermeldt onder meer:

“Tot slot wil ik u erop wijzen dat u dit schrijven dient aan te merken als een bezwaarschrift tegen de beslissing van 6 oktober 2009 om de feitelijke verblijfsvergunning van het aanbod op te schorten.”

1.5. Bij brief van 3 december 2009 heeft de IND eiser in de gelegenheid gesteld om te reageren op de bevinding dat eiser op 9 augustus 1994 in Frankrijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf in verband met overtreding van de Opiumwet.

1.6. Bij brief van 4 december 2009 heeft de raadsman van eiser zich 4 december 2009 op het standpunt gesteld dat het strafbare feit is verjaard en dat het eiser niet kan worden tegengeworpen in het kader van de pardonregeling. Hierop heeft de IND eiser bij brief van 5 januari 2010 in de gelegenheid gesteld om nogmaals aan te tonen dat het door hem in Frankrijk gepleegde delict verjaard is. De brief vermeld verder onder meer:

“Indien u hierin slaagt dan zal de Staatssecretaris – mits geen nieuwe contra-indicaties – het gedane aanbod gestand doen en alsnog een verblijfsvergunning verlenen.”

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. Eiser vordert – zakelijk weergegeven – gedaagde op straffe van een dwangsom te gebieden binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot afgifte aan eiser van een verblijfsdocument in het kader van het gedane aanbod inzake de pardonregeling.

2.2. Daartoe voert eiser het volgende aan.

Bij het doen van het aanbod in het kader van de pardonregeling heeft een toetsing plaatsgevonden om te bezien of eiser aan de voorwaarden voldeed. Hierbij is ook getoetst of eiser relevante criminele antecedenten had. Dat het aanbod gedaan is impliceert dat eiser aan de aan de pardonregeling verbonden voorwaarden voldaan heeft.

Aangezien eiser aan vervolgens aan de drie in de brief van 12 mei 2009 genoemde formele voorwaarden heeft voldaan, dient gedaagde hem een verblijfsdocument af te geven. Na de inhoudelijke toetsing in het kader van het doen van het aanbod, was gedaagde niet meer gerechtigd opnieuw onderzoek te doen en nadere voorwaarden te stellen aan de afgifte van het verblijfsdocument. Het door gedaagde gedane aanbod was immers door eiser aanvaard.

Eiser heeft een groot belang bij spoedige afgifte van een verblijfsdocument, aangezien hij zonder dat document niet volwaardig kan deelnemen aan het maatschappelijk verkeer.

Aangezien bij deze stand van zaken voor eiser geen beroepsmogelijkheden openstaan bij de bestuursrechter, is de civiele rechter bevoegd.

2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Nu eiser aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd dat gedaagde jegens hem onrechtmatig handelt door niet toe te zeggen af te zien van vreemdelingenbewaring, is de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – bevoegd tot kennisneming van de vordering.

3.2. De vraag is vervolgens of eiser ook ontvankelijk is in zijn vordering. Indien voor hem een met voldoende waarborgen omklede snelle rechtsgang openstaat waarin hij een met het kort geding vergelijkbaar resultaat kan bereiken, dient hij in deze procedure niet ontvankelijk verklaard te worden.

3.3. Eiser heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat hij bestuursrechtelijk uitgeprocedeerd is en de afgifte van het verblijfsdocument enkel een feitelijke handeling betreft waartoe gedaagde verplicht is. Daarbij komt volgens eiser dat geen voorlopige voorziening kan worden gevraagd op grond van artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (hierna: ‘Awb’), aangezien er geen sprake is van een hoofdzaak zodat niet voldaan is aan het in voormelde bepaling genoemde connexiteitsvereiste.

Gedaagde heeft zich daarentegen met verwijzing naar artikel 72 lid 3 Vreemdelingenwet 2000 (hierna: ‘Vw 2000’) en naar een uitspraak van deze rechtbank in kort geding onder zaak/rolnummer 339241 / KG ZA 09-716 betoogd dat eiser niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

Hierover overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.4. In deze procedure staat vast dat eiser een vreemdeling is in de zin van artikel 1 Vw 2000 en dat daarmee de Vw 2000 en aanverwante vreemdelingenrechtelijke wetgeving op hem van toepassing zijn. Eiser vordert de afgifte van een verblijfsdocument, hetgeen onmiskenbaar een vreemdelingrechtelijke kwestie is. Anders dan eiser kennelijk meent, komt de afgifte van een verblijfsdocument – ook in het kader van de pardonregeling – niet tot stand door aanbod en aanvaarding. De afgifte moet beschouwd worden als het sluitstuk van het succesvol doorlopen van de in de pardonregeling vastgestelde procedure.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet de weigering tot afgifte van dat document dan ook onmiskenbaar beschouwd worden als een jegens eiser verrichte rechtens relevante feitelijke handeling van een bestuursorgaan ten aanzien waarvan blijkens de tekst en de rechtsgeschiedenis van artikel 72 lid 3 Vw 2000 bestuursrechtelijke rechtsmiddelen openstaan. Eiser heeft dit onderkend daar hij bij brief van 16 oktober 2009 bezwaar heeft gemaakt tegen de opschorting van de vergunningverlening. Gedaagde heeft ter zitting meegedeeld deze brief als bezwaar aan te merken. Daarmee is ook de basis gelegd voor het vragen van een bestuursrechtelijke voorlopige voorziening, bedoeld in artikel 8:81 Awb.

Gelet op het voorgaande moet geoordeeld worden dat in deze zaak geen ruimte is voor aanvullende ruimte door de civiele rechter. De inhoudelijke toets – dat wil zeggen de beantwoording van de vraag of gedaagde bevoegd was om na het aanbod in het kader van de pardonregeling nogmaals de criminele antecedenten van eiser te onderzoeken en nog aanvullende voorwaarden te stellen – is voorbehouden aan de bestuursrechter.

3.5. Gelet op het voorgaande dient eiser niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

-verklaart eiser niet ontvankelijk;

-veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.078,-, waarvan € 816,- aan salaris advocaat en € 262,- aan griffierecht;

-bepaalt dat, indien niet binnen veertien dagen na heden aan deze proceskostenveroordeling is voldaan, wettelijke rente daarover verschuldigd is;

-verklaart de proceskostenveroordeling en de bepaling met betrekking tot de wettelijke rente uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Von Maltzahn en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2010.

WJ