Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL4892

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-02-2010
Datum publicatie
22-02-2010
Zaaknummer
356198 - KG ZA 10-11
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Immuniteit rechtsmacht Europees Octrooibureau; voorvraag. De voorzieningenrechter is van oordeel dat tot geschillen welke onmiddellijk verband houden met de vervulling van de taken van het Europees Octrooibureau, niet behoren geschillen welke kunnen rijzen tussen het Europees Octrooibureau en eiseres in verband met het aanbesteden van cateringfaciliteiten. Een cateringfaciliteit voor werknemers van het het Octrooibureau draagt niet onmiskenbaar bij aan de vervulling van de aan het Octrooibureau specifiek opgedragen taken, te weten het verlenen van Europese octrooien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAAN 2010/16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 15 februari 2010,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 356198 / KG ZA 10-11 van:

de stichting [...],

gevestigd te [...],

eiseres,

advocaat mr. M. Hartman te Leiden,

tegen:

de rechtspersoon naar internationaal recht

European Patent Organisation, (gedagvaard: European Patent Office),

zetelende te München, Duitsland, mede kantoorhoudende te Rijswijk,

gedaagde,

advocaat mr. M. Ynzonides te Amsterdam.

0. Procesverloop

Eiseres heeft gedaagde op 6 januari 2010 doen dagvaarden om op 8 februari 2010 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op die datum behandeld. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter aan partijen medegedeeld dat allereerst het beroep van gedaagde op de onbevoegdheid op grond van immuniteit van rechtsmacht zal worden behandeld en dat de voorzieningenrechter vooralsnog alleen op dit punt vonnis zal wijzen. Vonnis is bepaald op heden.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 8 februari 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Het European Patent Office (hierna: EPO) is een orgaan van eiseres. Eiseres heeft haar zetel in München.

1.2. Op eiseres zijn onder andere van toepassing de bepalingen van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien van 5 oktober 1973, Trb. 1976/101 (hierna: het Verdrag) en het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Octrooiorganisatie van 5 oktober 1973, Trb. 1976/101 (hierna: het Protocol).

1.3. In het Verdrag is, voor zover thans van belang, het volgende bepaald:

“Artikel 4 Europese Octrooiorganisatie

(1) Bij dit Verdrag wordt een Europese Octrooiorganisatie, hierna te noemen de Organisatie, in het leven geroepen. De Organisatie krijgt administratieve en financiële zelfstandigheid.

[…].

(3) De Organisatie heeft tot taak het verlenen van Europese octrooien. Deze taak wordt uitgevoerd door het Europees Octrooibureau onder toezicht van de Raad van Bestuur.

[…]

Artikel 8 Voorrechten en immuniteiten

In het bij dit Verdrag gevoegde Protocol inzake voorrechten en immuniteiten worden de voorwaarden omschreven, waaronder de Organisatie, de leden van de Raad van Bestuur, het personeel van het Europees Octrooibureau en alle andere in dit Protocol genoemde personen, die deelnemen aan de werkzaamheden van de Organisatie, op het grondgebied van de Verdragsluitende Staten de voorrechten en immuniteiten genieten, die noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun taak.”

1.4. Artikel 3 van het Protocol luidt, voor zover thans van belang:

“1. In het kader van haar officiële werkzaamheden, geniet de Organisatie immuniteit van rechtsmacht en van executie behoudens:

a) voor zover de Organisatie in een bijzonder geval uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van deze immuniteit;

[…]

4. In de zin van dit Protocol wordt onder officiële werkzaamheden van de Organisatie die werkzaamheden verstaan welke strikt noodzakelijk zijn voor de administratieve en technische uitvoering van haar taken zoals die zijn vastgesteld in het Verdrag.”

1.5. Eiseres verzorgt al geruime tijd de catering en de daarbij behorende diensten voor het EPO. Partijen hebben in dit kader een derde “Amending Agreement” gesloten, door gedaagde getekend op 13 juli 2006 en door eiseres getekend op 3 augustus 2006. In deze overeenkomst is in artikel 3 bepaald dat de door eiseres te leveren cateringservices op 30 juni 2010 zullen eindigen.

1.6. Eiseres heeft op 6 juli 2009 een “Geographically limited open invitation to tender with discretionary award of contract 209/0192/Tgr” gepubliceerd voor het verstrekken van catering services en bijbehorende diensten voor het personeel van het EPO te Rijswijk (hierna: “de opdracht”). Op de opdracht zijn de “General Conditions of Tender” van gedaagde van toepassing verklaard.

1.7. Eiseres heeft tijdig op de opdracht ingeschreven.

1.8. Bij brief van 21 december 2009 heeft gedaagde aan eiseres onder meer medegedeeld dat het bod van eiseres niet succesvol is geweest en dat eiseres niet in aanmerking komt voor de opdracht.

2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. Eiseres vordert – zakelijk weergegeven – op straffe van een dwangsom primair: (i) gedaagde te verbieden gevolg te geven aan het voornemen om met Aramark Benelux B.V. (hierna: Aramark) te contracteren en gedaagde te verbieden uitvoering te geven overeenkomsten die in dit kader eventueel al zijn gesloten, de aanbestedingsprocedure te staken en gestaakt te houden en de opdracht opnieuw aan te besteden conform Europese aanbestedingsregels en beginselen, dan wel (ii) gedaagde te gebieden om de opdracht te gunnen aan geen ander dan eiseres en gedaagde te verbieden om de opdracht te gunnen aan een andere inschrijver dan eiseres, subsidiair: (i) gedaagde te gebieden om binnen 8 dagen na het te wijzen vonnis een voldoende onderbouwde schriftelijke motivering te verstrekken voor de afwijzing van eiseres en te reageren op de overige bezwaren met betrekking tot de rechtmatigheid van de aanbesteding en die motivering te voorzien van een alcateltermijn van tenminste 15 dagen waarbinnen rechtsmaatregelen kunnen worden getroffen, en (ii) gedaagde te verbieden tot contracteren over te gaan voordat de voornoemde alcateltermijn ongebruikt is verstreken, meer subsidiair: een in goede justitie te bepalen maatregel te treffen die recht doet aan de belangen van eiseres. Daarnaast maakt eiseres aanspraak op de proceskosten.

2.2. Daartoe voert eiseres in hoofdzaak – samengevat – het volgende aan. Gedaagde handelt onrechtmatig jegens eiseres. De gunningsbeslissing aan Aramak is in strijd met het gelijkheidsbeginsel, het objectiviteitsbeginsel en het beginsel van non-discriminatie. Er is geen gelijk speelveld gecreëerd. Gedaagde heeft in het kader van de aanbesteding van de opdracht vertrouwelijke informatie met betrekking tot het huidige cateringcontract dat eiseres met gedaagde heeft, aan de andere inschrijvers bekend gemaakt. Door inzage in de vertrouwelijke gegevens van eiseres zijn de overige inschrijvers in een bevoordeelde positie geraakt. Daarnaast heeft gedaagde door het verstrekken van vertrouwelijke informatie het bepaalde in artikel 6.5 van het huidige cateringcontract geschonden. Voorts staan er fouten in de aanbestedingsdocumentatie en heeft gedaagde de Tender Guidelines geschonden gedurende de aanbestedingsprocedure. Eiseres stelt zich subsidiair op het standpunt dat zij zich niet kan verenigen met de beoordeling van haar inschrijving. Gedaagde heeft eiseres niet voldoende gemotiveerd medegedeeld op welke wijze de beoordeling heeft plaatsgevonden en op welke wijze men tot bepaalde scores is gekomen.

2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. De vraag die in dit geding allereerst beoordeeld moet worden is of gedaagde zich kan beroepen op immuniteit van rechtsmacht op grond van het bepaalde in artikel 8 van het Verdrag en artikel 3 van het Protocol.

3.2. Vooropgesteld wordt dat de grondslag van immuniteit van internationale organisaties ligt in de noodzaak het functioneren van internationale organisaties te beschermen. Internationale organisaties zouden hun werk niet goed kunnen doen als rechters van het gastland kunnen oordelen over de handelingen die zij verrichten. Bij immuniteit van rechtsmacht van een internationale organisatie gaat het dan ook om een zogenoemde functionele immuniteit. Anders dan bij staatsimmuniteit, moet bij immuniteit van internationale organisaties een onderscheid worden gemaakt tussen officiële en niet-officiële activiteiten van de organisatie. De officiële activiteiten zijn activiteiten die samenhangen met het bereiken van het doel van de organisatie en vallen in beginsel onder de immuniteit. Niet-officiële activiteiten vallen buiten de immuniteit.

3.3. Op grond van artikel 3 lid 1 van het Protocol geniet gedaagde binnen de beperkingen van haar officiële werkzaamheden immuniteit van rechtsmacht, behoudens een aantal daar genoemde uitzonderingen. Onder officiële werkzaamheden moeten blijkens het vierde lid van genoemd artikel die werkzaamheden worden verstaan die “strikt noodzakelijk zijn voor de administratieve en technische uitvoering” van de taken van gedaagde zoals die zijn vastgesteld in het Verdrag. Gedaagde betoogt dat de handelingen en werkzaamheden van gedaagde ten opzichte van eiseres in verband met de opdracht strikt noodzakelijk zijn voor de administratieve, en daarmee indirect, de technische uitvoering van de taken van gedaagde zoals die zijn vastgesteld in het Verdrag. Eiseres betwist dat de opdracht het officiële functioneren van gedaagde raakt, omdat het cateringcontract niets van doen heeft met de werkzaamheden die strikt noodzakelijk zijn voor de administratieve en technische uitvoering van het verlenen van Europese octrooien.

3.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat tot geschillen welke onmiddellijk verband houden met de vervulling van de taken van gedaagde, niet behoren geschillen welke kunnen rijzen tussen gedaagde en eiseres in verband met de opdracht. Anders dan in de casus waarover de Hoge Raad in zijn arrest van 23 oktober 2009 heeft beslist (NJ 2009, 527), draagt een cateringfaciliteit voor de werknemers van gedaagde niet onmiskenbaar bij aan de vervulling van de aan gedaagde opgedragen taken, te weten het verlenen van Europese octrooien. Een cateringfaciliteit voor de werknemers van gedaagde kan wellicht bijdragen aan en/of nodig zijn voor het in algemene zin naar behoren en efficiënt functioneren van de werkzaamheden van gedaagde, maar dit is onvoldoende om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat een cateringfaciliteit strikt noodzakelijk is voor de administratieve en technische uitvoering van de aan gedaagde bij het Verdrag specifiek opgedragen taken. Dat de gevraagde voorzieningen, indien deze worden toegewezen, een ernstige impact hebben op de administratieve autonomie van gedaagde, omdat de planning van de aanbesteding van de opdracht en de praktische uitvoering daarvan worden gefrustreerd – zoals gedaagde heeft betoogd – maakt het voorgaande niet anders.

3.5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat gedaagde geen beroep toekomt op immuniteit van rechtsmacht en dat de voorzieningenrechter in deze zaak rechtsmacht heeft. Dit betekent dat de zaak verder behandeld zal worden op een nog nader te bepalen datum. Partijen dienen hiertoe uiterlijk binnen één week na dit vonnis hun verhinderdata voor de komende twee maanden aan de voorzieningenrechter mede te delen.

3.6. Het door gedaagde ter zitting gedane verzoek om tussentijds hoger beroep tegen dit tussenvonnis open te stellen, wordt afgewezen. Appel van een tussenvonnis in kort geding is immers strijdig met de aard van deze procedure.

3.7. De zaak zal pro forma worden aangehouden tot de hierna te noemen datum. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- bepaalt dat partijen uiterlijk op 22 februari 2010 aan de voorzieningenrechter hun verhinderdata voor de komende twee maanden dienen mede te delen;

- houdt iedere beslissing pro forma aan tot zaterdag 27 februari 2010 met het hiervoor onder rechtsoverweging 3.5 genoemde doel.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2010.

Adz