Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL4586

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-02-2010
Datum publicatie
19-02-2010
Zaaknummer
09/860146-09 en 09/758146-07 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Van belang bij de beoordeling of al dan niet sprake is van bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht is de beantwoording van de vraag of verdachte de opzet heeft gehad om bij [politicus] de vrees op te wekken dat tegen hem geweld zal worden aangewend. De rechtbank acht opzet op de bedreiging niet bewezen. De officier heeft nog betoogd dat verdachte in elk geval willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft genomen dat [politicus] zich bedreigd zou voelen. Ook dit acht de rechtbank niet bewezen. Vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010, 129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/860146-09 en 09/758146-07 (TUL)

Datum uitspraak: 19 februari 2010

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de door de politierechter naar de meervoudige strafkamer verwezen zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

adres: [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 5 februari 2010.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. Vogelenzang en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. R.A.J. Verploegh, advocaat te ‘s-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 08 september 2009 te ’s-Gravenhage [politicus] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- een aan een (galgen)strop hangende pop in/aan een boom gehangen/vastgemaakt en/of

- over het hoofd van die pop een (vuilnis)zak geknoopt/getrokken en/of

- ter hoogte van de hartstreek van die pop en/of door een afbeelding van het hoofd van die [politicus] een mes gestoken en/of

- die pop besmeurd met een rode substantie en/of aldus de indruk wekkend dat die substantie bloed moest voorstellen;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs1

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte [politicus] heeft bedreigd door een pop, met over het hoofd een vuilniszak geknoopt, aan een galgenstrop in een boom te hangen en ter hoogte van de hartstreek van die pop door een afbeelding van die [politcus] een mes te steken en die pop te besmeren met een op bloed gelijkende substantie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte dit feit heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - zoals verwoord in zijn pleitnota - vrijspraak bepleit omdat, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van het kunstwerk, de uitleg die verdachte daarover ter plaatse heeft gegeven en de omstandigheid dat het kunstwerk tezamen met andere beelden in het park tegenover de kunstacademie was opgehangen, geen sprake is van een bedreiging in de zin van artikel 285 Sr. Daarbij komt dat uit de uiterlijke verschijningsvorm van het kunstwerk niet valt af te leiden dat verdachte [politicus] heeft willen bedreigen. Het handelen van verdachte kan er dan ook niet toe hebben geleid dat bij [politicus] in het algemeen een redelijke vrees is opgewekt dat tegen hem geweld zou worden aangewend.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank leidt uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende af.

Verdachte heeft ten behoeve van zijn opleiding bij de Koninklijke Kunstacademie te Den Haag van zijn leraar de opdracht gekregen om een verticaal beeld te maken dat met de omgeving reageert en andersom.2 De leerlingen werd de mogelijkheid geboden om de opdrachten in de Kunstacademie of op het Malieveld tegenover de Kunstacademie tentoon te stellen.3 Hierop heeft verdachte van een oude matras een pop gemaakt. Hij heeft de pop een broek en een trui en daarover een slaba, een Marokkaans gewaad, aangetrokken. Over het hoofd van de pop heeft verdachte een zak getrokken. Verdachte is op 8 november 2009 rond 13:00 uur vanuit de Kunstacademie met de pop naar het tegenover de school gelegen Malieveld gelopen, alwaar op dat moment meerdere kunstwerken van de Kunstacademie werden tentoongesteld.4 Daar aangekomen heeft verdachte de slaba van de pop met een mix van tomaatketchup, ketjap en water besmeurd en heeft hij een foto van [politicus] met een mes op de pop vast gestoken. Vervolgens heeft verdachte de pop, met een touw om de nek, aan een boom opgehangen.5 Verdachte is daarna met omstanders gaan praten en heeft uitgelegd wat de bedoeling van zijn werk was. Nadat verdachte een aantal mensen had gesproken, is hij terug naar Kunstacademie gelopen om zijn leraar te halen. Verdachte heeft zijn zus bij de pop achtergelaten om indien nodig aan omstanders uitleg te geven over de betekenis van de pop.6 Kort daarna is de politie gearriveerd en is verdachte aangehouden.7

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij met zijn kunstwerk wilde aankaarten dat in de huidige politiek incidenten waarbij moslims betrokken zijn groot worden uitgemeten en direct aan de hoogste boom worden opgehangen en dat dit de moslimgemeenschap in het hart raakt. Verdachte heeft verklaard dat de politicus [politicus] symbool staat voor rechtse partijen en de incidentenpolitiek die zij bedrijven, daarom heeft verdachte gekozen voor een foto van [politicus]. Door de foto van [politicus] met een mes in de hartstreek van de pop te bevestigen heeft verdachte de pijn in het hart van de moslimgemeenschap willen symboliseren. Verdachte heeft tevens verklaard dat hij de pop op het Malieveld heeft opgehangen omdat de boom en de omgeving onderdeel uitmaakten van zijn kunstwerk en omdat hij wilde dat de omgeving op zijn werk zou gaan reageren.

Van belang bij de beoordeling of al dan niet sprake is van bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht is de beantwoording van de vraag of verdachte de opzet heeft gehad om bij [politicus] de vrees op te wekken dat tegen hem geweld zal worden aangewend.

De rechtbank acht in dat verband het volgende van belang.

Met de officier is de rechtbank van mening dat de aanblik van een opgeknoopte op een mens gelijkende pop schokkend is. Dit is echter op zichzelf niet voldoende om te spreken van een bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

De officier heeft betoogd dat de betekenis van de pop op verschillende wijzen kan worden uitgelegd. Het is volgens de officier denkbaar dat de pop de persoon [politicus] voorstelt, omdat het hoofd van de pop bedekt is met een vuilniszak en op de pop een foto van [politicus] is gestoken. Deze uitleg ligt echter naar oordeel van de rechtbank niet voor de hand. Doordat de pop gekleed is in een slaba, een Marokkaans gewaad, doet dit vermoeden dat de pop, zoals verdachte ook van meet af aan heeft verklaard, een Marokkaanse man voorstelt. Het aanbrengen van een foto van [politicus] op die pop maakt van die pop niet de politicus [politicus], maar identificeert de gevolgen van bepaalde politieke opvattingen voor de moslimgemeenschap. Verdachte heeft een plausibele verklaring gegeven voor het gebruik van de foto van [politicus] op de pop, hierin gelegen dat de politiek van [politicus] de moslimgemeenschap in het hart raakt Voorts heeft verdachte de pop gemaakt ter uitvoering van een opdracht van de Kunstacademie en had niet alleen verdachte, maar hadden ook andere studenten van de Kunstacademie op dat moment daar hun werken tentoongesteld. Het kunstwerk van verdachte stond dus niet op zich. Voorts heeft verdachte ook steeds ontkend [politicus] te hebben willen bedreigen. Gelet op voorenstaande kan niet worden gezegd dat verdachte met zijn kunstobject de dood van [politicus] zou hebben nagestreefd dan wel [politicus] met de dood zou hebben willen bedreigen. De rechtbank acht gezien deze feiten en omstandigheden opzet op de bedreiging dan ook niet bewezen.

De officier heeft nog betoogd dat verdachte in elk geval willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft genomen dat [politicus] zich bedreigd zou voelen. Ook dit acht de rechtbank niet bewezen. Nu de foto van [politicus] van zodanig geringe afmeting is dat deze voor derden pas herkenbaar is indien zij recht voor de pop staan en verdachte, nadat hij de pop heeft opgehangen, bij de pop is blijven staan zodat omstanders die dichtbij genoeg kwamen om de foto te zien uitleg kregen over de betekenis daarvan, heeft verdachte voorkomen dat zijn kunstwerk op een andere wijze dan de door hem voorgestane betekenis zou kunnen worden uitgelegd. Zelfs toen verdachte zijn leraar ging halen om zijn werk te laten beoordelen, heeft hij er voor gezorgd dat zijn zus aanwezig was om uitleg te geven over de betekenis van de pop.

Gezien deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn handelen bij [politicus] de vrees zou ontstaan dat tegen hem geweld zal worden aangewend. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van het tenlastegelegde.

4. De inbeslaggenomen goederen

4.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen met parketnummer 09/860146-09 te weten: het mes, de foto van [politicus] en de pop in Arabische kleding zullen worden onttrokken aan het verkeer.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen op het standpunt gesteld dat deze aan verdachte dienen te worden teruggegeven.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal, nu verdachte van het tenlastegelegde wordt vrijgesproken, de teruggave aan verdachte gelasten van voornoemde voorwerpen.

5. De vordering tenuitvoerlegging

5.1. De vordering van de officier van justitie

De officier vordert afwijzing van de vordering d.d. 20 november 2009 tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer te ’s-Gravenhage van 6 februari 2008 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

5.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat het kunstwerk aan verdachte moet worden teruggegeven.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

Nu de verdachte, zoals hierboven overwogen, van het hem bij dagvaarding tenlastegelegde feit wordt vrijgesproken, leidt dit ertoe dat de rechtbank de vordering na voorwaardelijk veroordeling zal afwijzen.

6. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

gelast de teruggave aan verdachte van de op de beslaglijst genoemde voorwerpen, te weten: het mes, de foto van [politicus] en de pop in Arabische kleding;

wijst af de vordering d.d. 20 november 2009 tot tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer te 's-Gravenhage d.d. 6 februari 2008.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. De Graaff, voorzitter,

Jacobs en Nobel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Berling, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2010.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit pagina’s van het doorgenummerde proces-verbaal met het nummer 1521/2009/33930 van de politie Haaglanden. Daar waar wordt verwezen naar het standpunt van de verdediging wordt verwezen naar de pleitnota van de raadsman, alsmede het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 5 februari 2010. Daar waar verwezen wordt naar het standpunt van de officier van justitie wordt verwezen naar het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 5 februari 2010.

2 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 58.

3 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 5 februari 2010.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 59.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], blz. 81 en proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 59.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 59-61.

7 Proces-verbaal van aanhouding, blz. 20-22.