Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL4532

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
24-03-2010
Zaaknummer
AWB 09/1575
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Immateriele schadevergoeding na onrechtmatige intrekking Wajong-uitkering. Psychische decompensatie staat in causaal verband en kan aan Uwv worden toegerekend. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 1, meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/1575 Wajong

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[A], wonende te [plaats], eiseres,

gemachtigde mr. L. van den Buijs, advocaat te Den Haag,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

IPROCESVERLOOP

Bij besluit van 24 april 2008 heeft verweerder een door eiseres gedaan verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 19 februari 2009 heeft verweerder het tegen dit besluit door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit van 24 april 2008 gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 4 maart 2009, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 2 april 2009.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 28 september 2009 ter zitting behandeld. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Spiering-Kalay.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen tot overeenstemming te komen. Toen geen overeenstemming werd bereikt, heeft de rechtbank aan partijen verzocht om toestemming om verder onderzoek ter zitting achterwege te laten. Nadat partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

IIOVERWEGINGEN

Eiseres is, als zogeheten vroeggehandicapte, met ingang van 2 mei 1982 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, welke uitkering per 1 januari 1998 is omgezet in een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsuitkering jonggehandicapten (Wajong).

Bij besluit van 21 februari 2006 heeft verweerder deze Wajong-uitkering met ingang van 21 april 2006 ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres was afgenomen naar minder dan 25%.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit op bezwaar van 5 juli 2006 door verweerder ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat eiseres per 21 april 2006 op grond van de medische en arbeidskundige beoordeling in staat wordt geacht passende gangbare functies te verrichten.

Bij brief van 5 september 2007 heeft verweerder aan eiseres het navolgende medegedeeld:

"Bij nader inzien is op arbeidskundige gronden besloten de eerdergenoemde afschatting per 21 april 2006 te laten vervallen. Achteraf is vast komen te staan dat met inachtneming van het op u van toepassing zijnde arbeidsongeschiktheids-criterium onvoldoende theoretisch geduide functies resteren om de schatting te kunnen handhaven."

Vervolgens heeft verweerder bij brief van 5 februari 2008 over de periode van 21 april 2006 tot en met 1 oktober 2007 aan eiseres een uitkeringsnabetaling beschikbaar gesteld van € 13.521,89 netto.

Eiseres heeft bij brief van 7 april 2008 onder andere gevraagd om vergoeding van immateriële schade. De gemachtigde van eiseres heeft daarbij gesteld:

"Zij is door deze situatie 20 kilo afgevallen. Recent heeft bovendien haar (getransplanteerde) nier afstotingsverschijnselen vertoond, waarvan cliënte vermoedt dat deze het gevolg zijn van de vele stress die zij als gevolg van het ontbreken van inkomsten heeft ondervonden."

Verweerder heeft dit verzoek bij primair besluit van 24 april 2008 en na door eiseres gemaakt bezwaar bij het bestreden besluit van 19 februari 2009 met verwijzing naar artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) afgewezen. Verweerder heeft deze afwijzing gebaseerd op het oordeel van senior bezwaarverzekeringsarts J.A.W. Dekker.

In beroep hiertegen heeft eiseres op grond van informatie van haar behandelend psychiater dr. M.P.H. van der Meer, verbonden aan het Haga Ziekenhuis te Den Haag, aangevoerd dat haar depressieve klachten, spanningsklachten, huilen, slechte nachtrust, fors gewichtsverlies etc, sinds de stopzetting van de Wajong-uitkering in ernst zijn toegenomen. In dat verband wijst eiseres er op dat haar behandelend psychiater van oordeel is dat de toename van de ernst van de depressie en het niet reageren van de depressieve klachten op antidepressiva en gesprekken, geheel te wijten is aan de problemen die voortkwamen uit het stoppen van de uitkering. Tevens heeft eiseres gesteld dat haar nierfunctie als gevolg van de psychosociale stress is verslechterd en dat haar gespannenheid ook heeft geleid tot een hoge bloeddruk en een vergroot hart. Eiseres vordert € 5.000,= aan immateriële schadevergoeding van verweerder.

Het wettelijke kader

Artikel 6:162, eerste lid, van het BW bepaalt dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.

Artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW bepaalt dat voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Artikel 6:98 van het BW bepaalt dat voor vergoeding slechts in aanmerking komt schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.

Beoordeling van het geschil

Vast staat dat in dit geding de onrechtmatigheid van het besluit van 21 februari 2006 en dat van 5 juli 2006, waarbij het (primaire) besluit van 21 februari 2006 is gehandhaafd, alsmede de toerekenbaarheid daarvan, als bedoeld in artikel 6:162 van het BW, tussen partijen niet in geschil is, zodat ook de rechtbank daarvan uitgaat. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het door psychiater dr. M.P.H. van der Meer gediagnosticeerde ziektebeeld, in het onderhavige geval sprake is van geestelijk leed dat als aantasting van de persoon in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW dient te worden aangemerkt.

Ten aanzien van de partijen verdeeld houdende vraag of sprake is van een causaal verband tussen verweerders onrechtmatige besluitvorming en de schade bestaande uit een ernstige depressie, een verslechterde nierfunctie en hoge bloeddruk in verbinding met een vergroot hart, overweegt de rechtbank als volgt.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, zie onder meer de uitspraak van 21 juni 2005, gepubliceerd in LJN: AT9093, wordt bij de beoordeling van een verzoek om veroordeling tot vergoeding van gestelde geleden schade als gevolg van een onrecht-matig besluit zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het civiele schadevergoedingsrecht. In het kader van de beoordeling van een zelfstandig schadebesluit als hier aan de orde betekent dit dat, wil een verzoek om schadevergoeding voor inwilliging in aanmerking komen, de gestelde schade, gelet op artikel 6:98 van het BW, in zodanig verband moet staan met het onrechtmatige besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijk-heid en van de schade, als een gevolg van dit besluit kan worden toegerekend.

De rechtbank is van oordeel dat van de verslechterde nierfunctie van eiseres alsmede de hoge bloeddruk en het vergrote hart niet kan worden gezegd dat zij in een zodanig verband staan met de onrechtmatige besluiten dat zij verweerder als een gevolg van die besluiten kunnen worden toegerekend. De rechtbank onderschrijft te dien aanzien hetgeen senior bezwaarverzekeringsarts J.A.W. Dekker in zijn rapportage van 4 mei 2009 heeft gesteld. Ook de rechtbank acht niet, of althans in onvoldoende mate in de door eiseres ingebrachte medische bescheiden onderbouwd dat de gestelde afstotingsverschijnselen van de bij eiseres getransplanteerde nier, alsmede de hoge bloeddruk en het vergrote hart in voldoende causaal verband staan met de intrekking van de Wajong-uitkering.

Met betrekking tot de psychiatrische aandoening van eiseres is naar het oordeel van de rechtbank op grond van de door psychiater Van der Meer verstrekte informatie evenwel genoegzaam aannemelijk geworden dat de ernstige depressie waaraan eiseres is komen te lijden, het gevolg is geweest van de druk die zij in de periode na de intrekking van haar Wajong-uitkering heeft ervaren. De rechtbank leidt ook uit het journaal van huisarts dr. M.H.G. Speltie af dat eiseres die periode als uitermate stressvol heeft ervaren en dat zij aan die druk dreigde ten onder te gaan omdat zij onvoldoende compensatie kon bieden. De daartegen van de zijde van verweerder ingebrachte opvatting dat ook andere factoren kunnen hebben bijgedragen aan de decompensatie van eiseres, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De CRvB heeft immers in voornoemde uitspraak overwogen dat de stelling, dat de aanwezigheid van samenlopende oorzaken welke dezelfde schade tot gevolg hebben aan het bestaan van een voldoende causaal verband in de weg staat, onjuist is.

De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat zij in het geheel van de omtrent eiseres ter beschikking staande medische gegevens voldoende steun heeft gevonden voor het oordeel dat sprake is van een zodanig causaal verband tussen de door eiseres geleden schade in de vorm van een ernstige depressie en verweerders onrechtmatige besluitvorming, inhoudende de intrekking van de Wajong-uitkering per 21 april 2006, dat deze schade aan verweerder moet worden toegerekend.

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding het primaire besluit van 24 april 2008 te herroepen, het bezwaar van eiseres gegrond te verklaren en te bepalen dat aan eiseres een bedrag van € 5.000,= aan immateriële schadevergoeding toekomt. Verweerder wordt veroordeeld in de door eiseres gemaakte proceskosten, die de rechtbank aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft begroot op € 644,-. Aangezien ter zake van dit beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van het bedrag van de proceskosten te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

IIIBESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

herroept het besluit van 24 april 2008, verklaart het bezwaar van eiseres gegrond en bepaalt dat verweerder aan eiseres een bedrag van € 5.000,= aan immateriële schade vergoedt;

bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, te weten € 41,=, vergoedt;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,=, welke kosten verweerder aan de griffier moet vergoeden.

Aldus vastgesteld door mrs. J.E.M. van Wezel, A.C.M. van Wesenbeeck en G.P. Verbeek in tegenwoordigheid van F.P. Krijnen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.