Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL4493

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
24-03-2010
Zaaknummer
AWB 09-3376
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet-verzekerde perioden voor de AOW wegens het zijn van kind van werknemer bij volkenrechtelijke organisatie Verenigde Naties. Nu het pensioenfonds van de VN niet voorziet in een ouderdomspensioen voor kinderen van werknemers van de VN, levert toepassing van artikel 14, derde lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden volksverzekeringen 1999 een verboden onderscheid op als bedoeld in artikel 14 EVRM en 26 IVBPR. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Eerste afdeling, meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/3376 AOW

UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[A], wonende te [plaats], eiseres,

en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 6 november 2008 heeft verweerder, voor zover hier van belang, aan eiseres meegedeeld dat zij gedurende de tijdvakken van 25 oktober 1999 tot en met 31 augustus 2003, 8 september 2003 tot en met 4 juli 2004, 2 augustus 2004 tot en met 30 september 2005 en 1 november 2005 tot en met 2 juli 2007 niet verzekerd is geweest in Nederland voor de Algemene Ouderdomswet (AOW).

Bij besluit van 10 april 2009 heeft verweerder het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 19 mei 2009, ingekomen bij de rechtbank op 20 mei 2009, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 26 november 2009 ter zitting behandeld.

Eiseres heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde mr. A.B.B. Beelaard. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde K. van Ingen.

Motivering

Eiseres is geboren op [datum] 1984. Zij verblijft sinds 13 maart 1999 in Nederland en heeft de Nederlandse nationaliteit. Zij heeft tot 3 juli 2007 deel uitgemaakt van het gezin van haar moeder die vanaf 25 oktober 1999 tot heden hier te lande werkzaam is, eerst bij het International Criminal Tribunal for Rwanda (ICTR) en aansluitend bij het International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia (ICTY).

Op grond van artikel 6 van de AOW, voor zover hier van belang, is verzekerd de ingezetene van Nederland, alsmede degene die geen ingezetene is maar die ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting onderworpen is.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a van het op basis van artikel 6, derde lid, AOW berustende Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (verder: het Besluit) is niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen de persoon die in dienst is van een volkenrechtelijke organisatie en op wie de regeling inzake sociale zekerheid van die organisatie van toepassing is, tenzij hij in Nederland arbeid verricht anders dan uit hoofde van de vorenbedoelde dienstbetrekking.

Het derde lid van deze bepaling schrijft voor dat de in Nederland wonende echtgenoot, kinderen en overige inwonende gezinsleden niet verzekerd zijn op grond van de volksverzekeringen indien de zetelovereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de volkenrechtelijke organisatie zulks bepaalt, tenzij zij in Nederland arbeid verrichten dan wel een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangen.

Artikel XXVII van de Zetelovereenkomst inzake het ICTY tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Naties (VN) luidt als volgt:

1) Officials of the Tribunal are subject to the United Nations Staff Regulations and Rules and, if they have an appointment of six months' duration or more, become participants in the United Nations Pension Fund. Accordingly, such officials shall be exempt from all compulsory contributions to the Netherlands social security organizations. Consequently, they shall not be covered against the risks described in the Netherlands social security regulations.

2) The provisions of paragraph 1 above shall apply mutatis mutandis to the members of the family forming part of the household of the persons referred to in paragraph one above, unless they are employed or self-employed in the host country or receive Netherlands social security benefits.

Het ICTR bevat een gelijkluidende bepaling. Kortheidshalve zal in het navolgende steeds alleen artikel XXVII van de Zetelovereenkomst inzake het ICTY worden vermeld.

Het staat vast - en is ook niet in geschil - dat het ICTR en ICTY (onderdelen van) volkenrechtelijke organisaties zijn die door de Minister van Buitenlandse Zaken zijn aangewezen op de voet van artikel 14 van het Besluit.

Evenzeer staat vast dat eiseres gedurende de in het bestreden besluit genoemde perioden waarin zij volgens verweerder niet verzekerd was ingevolge de AOW, deel uitmaakte van het gezin van haar in Nederland wonende moeder en niet hier te lande arbeid verrichtte noch een uitkering op grond van de Nederlandse sociale verzekeringswetten ontving.

Eiseres heeft in beroep - kort en in de kern weergegeven - de volgende gronden aangevoerd.

1) In de zetelovereenkomsten is niet opgenomen dat kinderen niet zijn verzekerd op grond van de volksverzekeringen en evenmin is een vergelijkbare verzekering voor hen geregeld in het pensioenfonds van de VN.

2) De zetelovereenkomsten inzake het ICTR en het ICTY hebben geen kracht van wet nu deze verdragen noch uitdrukkelijk noch stilzwijgend parlementair zijn goedgekeurd hetgeen is vereist op grond van artikel 91, eerste lid, van de Grondwet. Zij zijn niet voorgelegd aan de Staten Generaal en vallen niet onder de uitzondering van artikel 3 van de Wet van 24 december 1947 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties.

3) Indien de zetelovereenkomsten wél van kracht zijn en eiseres op basis daarvan wel in de zin van het Besluit is uitgesloten van de AOW zijn deze zetelovereenkomsten in strijd met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 26 van het Internatonaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Immers wordt in deze verdragen een ongeoorloofd onderscheid gemaakt tussen Nederlandse ingezetenen die wel en Nederlandse ingezetenen die niet in familierechtelijke betrekking staan tot een werknemer van het Joegoslavië-tribunaal.

4) Toepassing van artikel XXVII van de Zetelovereenkomst inzake het ICTY vormt een inbreuk op het eigendomsrecht van artikel 1 van het eerste Protocol bij het EVRM (verder: het Protocol).

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de zetelovereenkomsten geen parlementaire goedkeuring behoeven en verwijst daartoe naar het standpunt van de regering in deze zoals dat is neergelegd in artikel 3 van de Wet van 24 december 1947 "houdende goedkeuring van de toetreding tot het door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 13 februari 1946 aangenomen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties" (verder: Verdrag nopens voorrechten en immuniteiten).

Voorts heeft verweerder betoogd dat artikel XXVII van het zetelverdrag dwingend bepaalt dat inwonende gezinsleden van medewerkers van het Tribunaal van premiebetaling en verzekering voor het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel zijn uitgesloten.

Verweerder is van oordeel dat de zetelovereenkomsten beogen om een dubbele verzekering en premieheffing te voorkomen en bepalen dat de medewerker van het Tribunaal deelnemer is aan het VN-pensioenfonds en dat dit mutatis mutandis ook geldt voor het inwonende gezinslid. Er zou mitsdien sprake zijn van dubbele dekking wanneer eiseres ook verzekerd zou zijn ingevolge het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel. Voor zover al sprake zou zijn van ongelijke behandeling van gelijke gevallen bestaat daarvoor volgens verweerder derhalve een rechtvaardigingsgrond.

De rechtbank overweegt het volgende.

Eiseres kan niet worden gevolgd in haar opvatting dat in artikel XXVII van de zetelovereenkomst kinderen niet zijn uitgesloten van het verzekerd zijn ingevolge de Nederlandse volksverzekeringen.

De rechtbank ziet geen grondslag om die volksverzekeringen uit te sluiten van het begrip "the Netherlands social security regulations" zoals dat is neergelegd in lid 1 van die verdragsbepaling en is voorts van oordeel dat door het bepaalde in het tweede lid wordt bewerkstelligd dat naast de werknemers bij het ICTY evenzeer de daarin genoemde gezinsleden niet verzekerd zijn tegen de risico's waar die verzekeringen betrekking op hebben.

Evenmin kan met succes worden betoogd dat de zetelovereenkomsten geen kracht van wet hebben nu deze niet zijn onderworpen aan parlementaire goedkeuring.

Artikel 3 van de Wet van 24 december 1947 houdende goedkeuring van de toetreding tot het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten luidt als volgt:

"Wij behouden Ons voor verdragen te bekrachtigen en andere maatregelen te nemen teneinde aan andere internationale organisaties overeenkomstige voorrechten en immuniteiten toe te kennen als in het in artikel 1 bedoelde Verdrag worden toegekend aan de Verenigde Naties".

Hoewel eiseres met juistheid heeft gesteld dat het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten geen sociale zekerheidsparagraaf inhoudt, is de rechtbank van oordeel dat de uitzondering van de premieplicht voor sociale verzekeringen wel valt onder de "overeenkomstige voorrechten en immuniteiten" als bedoeld in artikel 3 van dat verdrag. De rechtbank wijst er op dat bedoeld VN-verdrag naast de concreet genoemde voorrechten in paragraaf 19 een restcategorie bevat inhoudende "voorrechten en immuniteiten, vrijstellingen en faciliteiten welke overeenkomstig het internationale recht worden toegestaan aan hen die met een diplomatieke zending zijn belast".

Geoordeeld wordt derhalve dat parlementaire goedkeuring van de zetelovereenkomsten niet vereist was.

Voor wat betreft het door eiseres gedane beroep op de artikelen 14 van het EVRM en 26 IVBPR overweegt de rechtbank het volgende.

De door eiseres geponeerde ongelijke behandeling betreft de vraag of het niet toekennen van opbouw voor het ingevolge de AOW op 65-jarige leeftijd toe te kennen ouderdomspensioen aan ingezetenen die de in het derde lid van het Besluit genoemde familiebanden hebben met een werknemer van een volkenrechtelijke organisatie, gedurende tijdvakken waarin deze ingezetenen niet werken of een uitkering hebben, terwijl deze pensioenopbouw wel wordt toegekend aan ingezetenen die zulke familiebanden niet hebben (en eveneens niet werken of een uitkering hebben) een ongerechtvaardigd onderscheid oplevert in de zin van genoemde verdragsbepalingen.

Het betreft hier dus twee categorieën van ingezetenen in de zin van de AOW die slechts worden onderscheiden door het al dan niet hebben van familiebanden met werknemers van volkenrechtelijke organisaties doch tussen wie ieder overig onderscheid ontbreekt. Naar het oordeel van de rechtbank levert dat een onderscheid op dat louter is gebaseerd op het bestaan van een familierechtelijke betrekking tijdens het dienstverband van de betrokken werknemer, hetgeen een onderscheid naar status oplevert als bedoeld in voornoemde verdragsbepalingen.

Vervolgens staat de vraag ter beantwoording of hier een gerechtvaardigd onderscheid moet worden aangenomen.

Op de eerste plaats stelt de rechtbank vast dat het hier een status betreft waarop de groep waartoe eiseres behoort - welke groep als enig onderscheidend kenmerk heeft de hoedanigheid van kinderen van werknemers van een volkenrechtelijke organisatie - geen enkele invloed heeft kunnen uitoefenen.

Verweerder heeft in de eerste plaats als objectieve rechtvaardigingsgrond genoemd het door het zetelverdrag beoogde voorkómen van een dubbele dekking voor sociale verzekeringsrisico's door zowel het in artikel XXVII van het zetelverdrag genoemde United Nations Pension Fund als het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel.

Vast is evenwel komen te staan - hetgeen tussen partijen ook niet langer wordt betwist - dat genoemd pensioenfonds van de VN niet voorziet in een ouderdomspensioen voor kinderen van de groep VN-werknemers waartoe de moeder van eiseres behoort doch alleen voor die werknemers zelf. Derhalve kan naar het oordeel van de rechtbank het argument van het voorkomen van dubbele dekking geen rechtvaardigingsgrond opleveren voor het in het concrete geval van (personen als) eiseres toepassing geven aan het bepaalde in artikel 14, derde lid, van het Besluit door in meergenoemde tijdvakken eiseres van AOW-opbouw uit te sluiten.

Voorts heeft verweerder betoogd dat een objectieve rechtvaardiging is gelegen in de internationale dimensie van het werken voor een volkenrechtelijke organisatie.

De rechtbank acht hierin echter evenmin een rechtvaardigingsgrond gelegen nu het hier een omstandigheid (c.q. hoedanigheid) betreft die de moeder van eiseres raakt maar naar het oordeel van de rechtbank niet kan gelden voor de ouder dan 15 jaar zijnde kinderen van de groep VN-werknemers waartoe de moeder van eiseres behoort. Immers zijn die kinderen niet zelf werkzaam voor een volkenrechtelijke organisatie en hebben zij, zoals hiervoor al vermeld, geen invloed kunnen uitoefenen op het ontstaan van hun familierechtelijke betrekking met de persoon die als zodanig wél werkzaam is.

De rechtbank wijst er bij dit alles nog op dat het ook niet in de lijn van de (AMvB-)wetgever zou liggen om al te snel een rechtvaardigingsgrond aan te nemen gelet op de navolgende passage in de Nota van Toelichting bij het Besluit van 7 juni 2006 houdende een wijziging van het Besluit:

"In veel gevallen is het stelsel van de volkenrechtelijke organisatie niet alleen van toepassing op de werknemer, maar ook op de echtgenoot, kinderen en de overige inwonende gezinsleden. Wanneer die situatie zich voordoet, dan bepaalt artikel 14, derde lid, van KB 746 dat ook zij niet verzekerd zijn voor de volksverzekeringen.

Biedt het socialeverzekeringsstelsel van de organisatie uitsluitend dekking voor het personeel en niet, of in onvoldoende mate, voor de echtgenoot, kinderen en de overige inwonende gezinsleden, dan blijven deze personen Nederlands verzekeringsplichtig".

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat de toepassing van artikel 14, derde lid, van het Besluit, in het concrete geval van hier te lande wonende kinderen van de betreffende VN-werknemers een ongerechtvaardigd onderscheid oplevert met kinderen die geen ouder hebben die werkzaam is bij een volkenrechtelijke organisatie en derhalve in strijd is met artikel 14 van het EVRM in samenhang met artikel 1 van het Protocol en artikel 26 van het IVBPR.

De rechtbank gaat er daarbij van uit dat het op de pensioengerechtigde leeftijd te effectueren (publiekrechtelijke) AOW-vorderingsrecht moet worden aangemerkt als een - gefaseerd opgebouwd - vermogensrecht (vgl. artikel 6 boek 3 Burgerlijk Wetboek) dat vatbaar is voor de verdragsrechtelijke eigendomsbescherming van artikel 1 van het Protocol.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat aan het argument van verweerder dat verdragen moeten worden nageleefd (Pacta sunt servanda) geen verdere betekenis toekomt.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met de artikelen 14 EVRM en 26 IVBPR.

Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Verweerder wordt in de door eiseres gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak, mede gelet op de daarin gelegen internationaalrechtelijke problemen, is bepaald op 1,5 (zwaar) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift, het verschijnen ter zitting) 2 punten worden toegekend.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, te weten € 41,=, vergoedt;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 966,=, welk bedrag verweerder aan eiseres moet vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mrs. A.C.M. van Wesenbeeck, D. Aarts en E. Dijt in tegenwoordigheid van de griffier F.P. Krijnen.

In het openbaar uitgesproken op 17 februari 2010