Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL4403

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
30-03-2010
Zaaknummer
357135 / KG ZA 10-76 en 357142 / FA RK 10-398
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Beslissing op beroep tegen besluit Wet tijdelijk huisverbod en verzoek om voorlopige voorziening. In geschil is de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in art 9 van de Wth. De voorzieningenrechter oordeelt dat niet vereist is dat de uithuisgeplaatste op het adres van de betreffende woning staat ingeschreven; het gaat om de woning waar de uithuisgeplaatste feitelijk woont. Daarnaast is er geen sprake van strijd met artikel 3:3 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Voorzieningenrechter

Rekestnummer: KG ZA 10-76 en FA RK 10-398

Zaaknummer: 357135 en 357142

Proces-verbaal mondelinge uitspraak gedaan op 20 januari 2010 naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening in het geding tussen:

[de heer A],

verzoeker,

wonende te [plaats A],

gemachtigde: mr. M. van Stratum te 's-Gravenhage,

en

de burgemeester van [plaats A],

verweerder,

gemachtigde: mr. R.W.J. Alkema,

in welke zaken belanghebbenden zijn:

[mevrouw B],

de moeder van de uithuisgeplaatste,

wonende te [plaats A],

[mevrouw C],

de zus van de uithuisgeplaatste,

wonende te [plaats A].

Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2010 heeft verweerder aan verzoeker voor een periode van tien dagen een huisverbod als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: de Wth) opgelegd, alsmede een verbod contact op te nemen met zijn moeder en zijn zus, hiervoor genoemd. Het huisverbod was geldig van 6 januari 2010, 18.10 uur, tot 16 januari 2010, 18.10 uur.

Bij uitspraak van 11 januari 2010 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het door verzoeker tegen voormeld besluit van 6 januari 2010 ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Bij besluit van 15 januari 2010 heeft verweerder het huisverbod met tien dagen verlengd tot 26 januari 2010, 18.10 uur.

Tegen voornoemd besluit van 15 januari 2010 heeft verzoeker bij brief van 18 januari 2010 beroep ingesteld. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft bij faxbericht d.d. 18 januari 2010 de volgende stukken in het geding gebracht:

- het bestreden besluit van 15 januari 2010;

- het beleidsadvies d.d. 15 januari 2010 over de verlenging;

- het zorgadvies d.d. 15 januari 2010 over de verlenging.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2010. Hierbij zijn verschenen:

- verzoeker met zijn gemachtigde;

- namens verweerder: mr. R.W.J. Alkema, vergezeld van de heer S. van der Luijt namens het Advies- en Steunpunt Huiselijk Geweld.

Van de zijde van verzoeker zijn pleitaantekeningen overgelegd.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting op 20 januari 2010 heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.

Overwegingen

Ten aanzien van de stelling van verzoeker dat het bestreden verlengingsbesluit niet rechtsgeldig is, aangezien het daaraan voorafgaande besluit tot oplegging van het huisverbod onbevoegd is genomen (door de loco-burgemeester in plaats van de burgemeester), overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Bij mondelinge uitspraak van 11 januari 2010 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de stelling van verzoeker op dit punt gepasseerd. Aannemelijk wordt geacht dat de loco-burgemeester, middels een mandaatbesluit, deze bevoegdheid toekomt. In het kader van de onderhavige procedure gaat de voorzieningenrechter er derhalve vanuit dat het besluit tot het opleggen van het huisverbod bevoegd is genomen. Gelet hierop, gaat de rechtbank aan de stelling van verzoeker voorbij.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wth kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.

In geschil is de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 9 van de Wth. De omstandigheid dat verzoeker naar eigen zeggen door zijn moeder is uitgeschreven uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) en ook overigens niet meer feitelijk bij zijn moeder woonachtig is, betekent niet dat verweerder niet tot verlenging van het huisverbod heeft kunnen beslissen. Immers, ingevolge artikel 2 van de Wth kan een huisverbod worden opgelegd aan een persoon indien diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de medebewoners. Niet vereist is dat de uithuisgeplaatste op het adres van die woning staat ingeschreven. Het gaat om de woning waar de uithuisgeplaatste feitelijk woont. Ter terechtzitting heeft verzoeker bovendien verklaard dat hij momenteel tijdelijk in een portiek dan wel bij vrienden verblijft en dat hij naar de woning van zijn moeder wenst terug te keren.

Ten slotte volgt de voorzieningenrechter verzoeker niet in zijn betoog dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het in artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verbod van détournement de pouvoir. Daartoe wordt overwogen dat het tijdelijk huisverbod een maatregel is ter bescherming van de medebewoners in situaties waarbij er een acute en dringende behoefte bestaat aan het creëren van een afkoelingsperiode om verdere escalatie te voorkomen en waarin maatregelen genomen kunnen worden om de dreiging van huiselijk geweld te doen wegnemen. Deze maatregelen kunnen er onder meer uit bestaan dat zowel aan de uithuisgeplaatste als aan de achterblijver hulp wordt aangeboden ter afwending van het (dreigende) gevaar. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder derhalve aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen dat de achterblijver c.q. de moeder van verzoeker gebaat is bij een verlenging van het huisverbod om haar in de verlengingsperiode door middel van het inzetten dan wel voortzetten van hulpverlening nog weerbaarder te maken tegen de uithuisgeplaatste. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder daarmee zijn bevoegdheid tot het verlengen van het huisverbod niet gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.

Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het beroep ongegrond verklaren en het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

Mitsdien zal worden beslist als na te melden.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af en verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.W. de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bos als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2010.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval verzoeker wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak - voor zover daarin is beslist in de hoofdzaak - hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.