Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL4355

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-01-2010
Datum publicatie
23-02-2010
Zaaknummer
AWB 09/14695
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tijdelijke opheffing ongewenstverklaring / kennelijk onredelijk beleid / aanwezigheidsrecht artikel 6 EVRM

De rechtbank merkt allereerst op dat ingevolge vaste jurisprudentie het aanwezigheidsrecht van een verdachte en het recht op rechtsbijstand tijdens een strafzaak twee afzonderlijke en zelfstandige rechten zijn. Voorts volgt uit voornoemde jurisprudentie dat het aanwezigheidsrecht van een verdachte van cruciaal belang is voor een eerlijk procesverloop. Ingevolge het beleid zoals opgenomen in hoofdstuk A5/5.4 van de Vc 2000 wordt echter alleen in het geval de aanwezigheid van de verdachte naar het oordeel van de strafrechter noodzakelijk is tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring overgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank wordt in het beleid dan ook onvoldoende rekening gehouden met het cruciale belang dat ingevolge de jurisprudentie van het EHRM en de Hoge Raad toekomt aan het aanwezigheidsrecht ex artikel 6 van het EVRM. Voorts stelt de rechtbank vast dat het beleid in paragraaf A5/5.4 van de Vc 2000 de mogelijkheid voor een vreemdeling om een tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring te verkrijgen in verband met het volgen van een eigen strafzaak, verder inperkt dan door de wetgever is bedoeld, zo blijkt uit de Nota van Toelichting op artikel 6.7 van het Vb 2000. Het beleid is in zoverre dan ook kennelijk onredelijk te achten.

Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 67
Vreemdelingenwet 2000 68
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 6.7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 09/14695

V-nr: *

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

in het geding tussen:

eiser [naam], van Marokkaanse nationaliteit,

gemachtigde: mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam,

en:

de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.M. Agtersloot, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

1. Procesverloop

Bij inmiddels onherroepelijk geworden besluit van 1 juni 2007 is eiser ongewenst verklaard ex artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000. Bij besluit van 18 februari 2009 heeft verweerder het verzoek van eiser van 5 februari 2009 tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring afgewezen. Het daartegen ingestelde bezwaar is bij besluit van 14 april 2009 ongegrond verklaard. Op 22 april 2009 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2010. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Overwegingen

1.1. Ingevolge artikel 6.7 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 kan verweerder in zeer uitzonderlijke en dringende gevallen de ongewenstverklaring tijdelijk opheffen. Aan de tijdelijke opheffing worden voorwaarden gesteld omtrent de plaats van binnenkomst en de duur van het verblijf in Nederland.

1.2. Verweerder heeft zijn beleid ten aanzien van de toepassing van deze bepaling neergelegd in hoofdstuk A5/5 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000. In paragraaf A5/5.4 van de Vc 2000 is een niet uitputtende lijst van verblijfsdoelen neergelegd die kunnen leiden tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring. Eén van de genoemde verblijfsdoelen is de overkomst voor een eigen rechtszaak. In een civiele of een vreemdelingenrechtelijke zaak kan in beginsel worden volstaan met de gemachtigde van de vreemdeling. In andere zaken geldt dat alleen wanneer de rechtbank vindt dat de vreemdeling aanwezig moet zijn of, als een gemachtigde niet kan volstaan, overkomst van de vreemdeling noodzakelijk is. De opheffing van de ongewenstverklaring dient beperkt te blijven tot de tijd waarin de aanwezigheid van de vreemdeling bij de zaak is vereist.

1.3. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft - voor zover hier van belang - een ieder bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn en door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij wet is ingesteld. Blijkens het derde lid, onder c, van dit artikel heeft een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld in het bijzonder onder meer het recht om zichzelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman.

2.1. Eiser heeft zich - zakelijk weergegeven - op het standpunt gesteld dat ten onrechte niet is overgegaan tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring teneinde eiser in de gelegenheid te stellen zijn strafzaak bij te wonen. Het beleid met betrekking tot de tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring is kennelijk onredelijk en onjuist. Het vormt een te beperkte invulling van eisers door artikel 6 van het EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht. Uitgangspunt dient te zijn dat een verdachte die wordt gedagvaard voor zijn strafzaak, de gelegenheid krijgt om de behandeling van de zaak bij te wonen. Slechts in uitzonderingsgevallen kan dit anders zijn, bijvoorbeeld indien het gaat om iemand met zeer ernstige criminele antecedenten of om bagatelzaken. Dit volgt ook uit de Nota van Toelichting op artikel 6.7 van het Vb 2000, waarin een tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring teneinde de vreemdeling in staat te stellen zijn belangen in een rechtszaak bij de Nederlandse rechter te bepleiten juist wordt vermeld als voorbeeld van een uitzonderlijk en dringend geval als bedoeld in die bepaling. Het in de Vc 2000 genoemde criterium past voorts ook niet bij de realiteit van een strafproces. De strafrechter dient te waken over de mogelijkheid van een verdachte om diens strafzaak bij te wonen. De strafrechter zal daartoe echter niet de medebrenging gelasten dan wel anderszins aangeven dat de aanwezigheid van de verdachte bij het strafproces vereist is. Dat gebeurt enkel indien de rechtbank de aanwezigheid van de verdachte noodzakelijk acht in verband met de waarheidsvinding dan wel indien de wet zulks vereist, bijvoorbeeld bij minderjarige verdachten.

Van een uitzonderlijk geval om eiser niet in de gelegenheid te stellen diens strafzaak bij te wonen is in het onderhavige geval geen sprake. Eiser heeft groot belang bij de bijwoning van zijn strafzaak nu eiser in eerste instantie is veroordeeld tot aanzienlijke gevangenisstraffen. Uit het verloop van eisers strafzaak blijkt ook dat het Openbaar Ministerie en het gerechtshof alles hebben gedaan binnen de gebruikelijke grenzen om duidelijk te maken dat eisers aanwezigheid wenselijk is. Daarnaast is eiser ongewenst verklaard terzake vermogensdelicten en niet terzake ernstige geweldsdelicten. Ook heeft eiser aangeboden zich in Nederland aan een dagelijkse meldplicht te zullen houden. Het gevaar voor de openbare orde en het risico op onttrekking bij eisers tijdelijke overkomst dient dan ook als aanvaardbaar te worden beschouwd.

2.2. Verweerder heeft zich - zakelijk weergegeven - op het standpunt gesteld dat het beleid met betrekking tot de tijdelijke opheffing niet kennelijk onredelijk is noch in strijd is met artikel 6.7 van het Vb 2000. Artikel 6.7 van het Vb 2000 is een “kan”-bepaling die ruimte biedt voor een nadere invulling in beleidsregels, zoals ook is geschied in hoofdstuk A5/5 van de Vc 2000. Artikel 6 van het EVRM vereist dat een verdachte in de gelegenheid moet worden gesteld om of zelf aanwezig te zijn of zich door een gemachtigde te laten vertegenwoordigen. Ingevolge het beleid kan een ongewenstverklaarde vreemdeling zijn strafzaak bijwonen indien de strafrechter dat noodzakelijk acht. Indien dat laatste niet het geval is, zal een raadsman de ongewenst verklaarde vreemdeling in rechte kunnen vertegenwoordigen. Het aanwezigheidsrecht is in het beleid dan ook voldoende verdisconteerd.

In het onderhavige geval is er geen reden om de ongewenstverklaring tijdelijk op te heffen, nu niet is gebleken dat de aanwezigheid van eiser bij de behandeling van zijn strafzaak noodzakelijk is. Voorts is niet gebleken dat eiser zich bij diens strafzaak niet door een gemachtigde kan laten vertegenwoordigen. Bovendien kan eiser ook in Marokko worden gehoord. Daarnaast is van belang dat eiser nog steeds een gevaar voor de openbare orde vormt, dat eiser zich in een eerder stadium heeft verzet tegen zijn toenmalige uitzetting en dat er, gelet op de aanwezigheid van familieleden hier te lande, een groot gevaar is dat hij zich zal onttrekken aan toezicht.

3. Aan de orde is de vraag of het door verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gehanteerde beleid, zoals opgenomen in hoofdstuk A5/5.4 van de Vc 2000, kennelijk onredelijk is.

4.1. De rechtbank merkt allereerst op dat ingevolge vaste jurisprudentie het aanwezigheidsrecht van een verdachte en het recht op rechtsbijstand tijdens een strafzaak twee afzonderlijke en zelfstandige rechten zijn (zie onder meer het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) bij arrest van 28 augustus 1991 (LJN: AD1479) alsook de Hoge Raad bij uitspraak van 8 februari 2005 (LJN: AR8428)). Verweerders andersluidende stelling, inhoudende dat ingevolge artikel 6 van het EVRM een verdachte in de gelegenheid moet worden gesteld om of zelf aanwezig te zijn, of zich door een gemachtigde te laten vertegenwoordigen, kan dan ook niet worden gevolgd.

4.2. Voorts volgt uit voornoemde jurisprudentie dat het aanwezigheidsrecht van een verdachte van cruciaal belang is voor een eerlijk procesverloop. Ingevolge het beleid zoals opgenomen in hoofdstuk A5/5.4 van de Vc 2000, en door verweerder ter zitting nader toegelicht, wordt echter alleen in het geval de aanwezigheid van de verdachte naar het oordeel van de strafrechter noodzakelijk is tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring overgegaan. Gelijk eiser heeft gesteld zal op deze wijze enkel aan het aanwezigheidsrecht worden voldaan indien er tevens een verplichting voor de vreemdeling bestaat om bij de behandeling van diens strafzaak aanwezig te zijn. Eiser heeft onbetwist gesteld dat dit slechts in een beperkt aantal situaties het geval zal zijn.

4.3 Naar het oordeel van de rechtbank wordt in het beleid dan ook onvoldoende rekening gehouden met het cruciale belang dat ingevolge de jurisprudentie van het EHRM en de Hoge Raad toekomt aan het aanwezigheidsrecht ex artikel 6 van het EVRM. Dat, zoals verweerder in het bestreden besluit heeft gesteld, eiser in Marokko kan worden gehoord, maakt dit niet anders. Eiser heeft ter zitting immers onbetwist gesteld dat het aanwezig zijn bij een eigen strafproces meer behelst dan slechts het horen van de verdachte. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd niet kunnen aangeven op wat voor wijze het horen van eiser desalniettemin als een volwaardig alternatief voor het bijwonen van zijn strafzitting hier te lande kan worden gezien.

5. Voorts stelt de rechtbank vast dat het beleid in paragraaf A5/5.4 van de Vc 2000 de mogelijkheid voor een vreemdeling om een tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring te verkrijgen in verband met het volgen van een eigen strafzaak, verder inperkt dan door de wetgever is bedoeld. In de door eiser aangehaalde Nota van Toelichting op artikel 6.7 van het Vb 2000 wordt immers de mogelijkheid voor een vreemdeling om zijn belangen in een rechtszaak bij de Nederlandse rechter te bepleiten juist genoemd als voorbeeld van een uitzonderlijk en dringend geval als bedoeld in die bepaling.

6. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beleid, opgenomen in hoofdstuk A5/5.4 van de Vc 2000, onvoldoende rekening houdt met het door artikel 6 van het EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht als ook dat dit beleid de mogelijkheid om de ongewenstverklaring tijdelijk op te heffen in verband met het bijwonen van een eigen strafzaak verder inperkt dan door de wetgever in artikel 6.7 van het Vb 2000 is bedoeld. Het beleid is in zoverre dan ook kennelijk onredelijk te achten.

7. Uit het voorgaande volgt dat verweerder voornoemd beleid niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen, zodat het besluit een deugdelijke motivering mist. Het bestreden besluit is aldus genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en bepalen dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

8. Gelet op het voorgaande veroordeelt de rechtbank verweerder als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

9. Op grond van artikel 8:74 van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht vergoedt.

3. Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen aan de griffier;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht ad € 150,-- (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzitter, in tegenwoordigheid van L. Fernández Ferreiro, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2010.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc.: LFF

Coll.:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.