Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL4298

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
18-02-2010
Zaaknummer
09/754015-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich gedurende een periode van enkele maanden samen met haar medeverdachten meerdere malen schuldig gemaakt aan het aanzetten van jonge meisjes (waarvan twee minderjarig) tot het smokkelen van hasj vanuit Marokko naar Nederland. Daarbij werd de meisjes onder meer valselijk voorgehouden dat de risico’s verbonden aan die smokkel klein waren omdat de douane zou zijn omgekocht. Mede onder invloed van die misleiding hebben de meisjes met de smokkel van hasj ingestemd. Uiteindelijk hebben drie transporten plaatsgevonden, alsmede een strafbare poging daartoe, maar als het aan verdachte en haar medeverdachten had gelegen, was het daarbij niet gebleven. Geen mensenhandel in de zin van art. 273f Sr. Vrijspraak van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten. Wettig en overtuigend bewezen het onder 2 primair ten laste gelegde feit: het medeplegen van opzettelijke uitlokking van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod door giften en/of beloften en/of misleiding en middelen en inlichtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/754015-09

Datum uitspraak: 17 februari 2010

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte - mevr. Y],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

adres: [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 1 juli 2009, alsmede 2 en 3 februari 2010.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.R.B. Mos en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. R.A. Kaarls, advocaat te ’s-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2008 tot en met 14 juli 2008 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D] en/of [E] door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een of meerdere perso(o)n(en) te verkrijgen die zeggenschap over een ander of anderen heeft,

heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen,

met het oogmerk van uitbuiting van die [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D] en/of [E] en/of terwijl die [A] en/of [C] de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft/hebben bereikt en/of terwijl hij/zij (telkens) wist/wisten of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D] en/of [E] zich daardoor beschikbaar zouden stellen tot het verrichten van arbeid of diensten,

bestaande die uitbuiting en/of bestaande die/dat dwang, geweld of een andere feitelijkheid of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, afpersing, fraude, misleiding dan wel misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, misbruik van een kwetsbare positie of het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een of meerdere perso(o)n(en) te verkrijgen die zeggenschap over een ander of anderen heeft uit het

- benaderen van die [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D] en/of [E] met het verzoek verdovende middelen

vanuit Marokko naar Nederland te vervoeren, terwijl hij/zij wist(en) dat die [A] en/of [B] licht verstandelijk gehandicapt/verstandelijk beperkt

is/zijn en/of die [C] en/of [D] en/of [E]

zich in een problematische thuissituatie bevonden en/of

- betalen van (een) (retour)vliegticket(s) naar Marokko en/of (een)

hotelovernachting(en) in Marokko voor die [A] en/of [B]

en/of [C] en/of [D] en/of [E],

althans het verschaffen en/of regelen van onderdak in Marokko voor

die [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D]

en/of [E] en/of

- beloven van (een) geldbedrag(en) aan die [A] en/of [B] en/of [C] en/of

[D] en/of [E] voor het vervoer van verdovende middelen vanuit Marokko

naar Nederland en/of

- die [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D] en/of [E] meedelen dat beveiligingsmedewerkers op (een) luchthaven(s) waren omgekocht

waardoor het vervoer van verdovende middelen naar Nederland probleemloos zou verlopen

en/of

- betalen voor de aanschaf van een/de paspoort(en) van die [A] en/of [B] en/of

- overhandigen van (een) geldbedrag(en) aan die [A] en/of [B] en/of [C]

en/of [D] en/of [E] bij terugkeer in Nederland en/of na overhandiging

en/of in ontvangst neming van die verdovende middelen;

2.

[A] en/of[B] en/of [C] en/of [D] en/of [E] in of omstreeks de periode van 1 maart 2008 tot en met 14 juli 2008 te ’s-Gravenhage en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met elkaar en/of een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht, als bedoeld in

artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van

hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties

zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende

lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

welk bovenomschreven strafbaar feit verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, in of omstreeks de periode van 1 maart 2008 tot en met 14 juli 2008 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland door gift(en) en/of belofte(n) en/of misbruik van gezag en/of geweld en/of

bedreiging en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, te weten het

- betalen van (een) vliegticket(s) van en/of naar Marokko en/of (een)

hotelovernachting(en) in Marokko voor die [A] en/of [B] en/of

[C] en/of [D] en/of [E], althans het verschaffen

van onderdak in Marokko [A] en/of [B] en/of [C]

en/of [D] en/of [E] en/of [A] en/of[B] en/of [C] en/of [D]

en/of [E] beloven van (een) geldbedrag(en) voor het vervoer

van verdovende middelen naar Nederland en/of [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D]

en/of [E] meedelen dat beveiligingsmedewerkers op (een) luchthaven(s)

waren omgekocht waardoor het vervoer van die verdovende middelen naar Nederland

probleemloos zou verlopen en/of

- voor de aanschaf van een/de paspoort(en) [A] en/of [B] betalen en/of

- bij terugkeer in Nederland en/of na overhandiging van die verdovende

middelen (een) geldbedrag(en) [A] en/of [B] en/of

[C] en/of [D] en/of [E] overhandigen,

opzettelijk heeft uitgelokt;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 maart 2008 tot en met 14 juli 2008 te ’s-Gravenhage en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2008 tot en met 11 juli 2008 te 's-Gravenhage en/of Wateringen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [A] en/of [B] door door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een of meerdere perso(o)n(en) te verkrijgen die zeggenschap over een ander of anderen heeft, heeft geworven, vervoerd,

overgebracht, gehuisvest of opgenomen,

met het oogmerk van uitbuiting van die [A] en/of [B] en/of terwijl die [A] de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt en/of terwijl hij/zij wist/wisten of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [A] en/of [B] zich daardoor beschikbaar zouden stellen tot het verrichten van arbeid of diensten,

bestaande die/dat dwang, geweld of een andere feitelijkheid of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, afpersing, fraude, misleiding dan wel misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, misbruik van een kwetsbare positie of het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een of meerdere perso(o)n(en) te verkrijgen die zeggenschap over een ander of anderen heeft en/of bestaande die/dat uitbuiting uit het

- (telefonisch) benaderen van die [A] en/of [B] en/of

- (vervolgens) die [A] en/of [B] vragen of zij bereid zou(den) zijn

naar Brazilië te gaan om verdovende middelen vanuit Brazilië naar Nederland

te vervoeren en/of

- (met die [A] en/of [B]) naar een reisbureau gaan en/of

- boeken en/of (aan)betalen van twee, althans een ticket(s) naar Brazilië voor die

[A] en/of [B].

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

Feiten 1 en 3

De verdenking komt er – kort en feitelijk weergegeven – op neer dat verdachte zich in de periode 1 maart 2008 - 14 juli 2008 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van uitbuiting van [A] (hierna [A], [B] (hierna: [B]), [C] (hierna: [C]), [D] (hierna: [D]) en [E] (hierna: [E]).

De uitbuiting bestond volgens de officier van justitie uit het werven van deze slachtoffers voor de drugssmokkel door misleiding dan wel door misbruik van hun kwetsbare positie. Dit terwijl verdachte – evenals haar medeverdachten – wist dat deze personen zich daardoor voor die smokkel van drugs beschikbaar zouden stellen. Volgens de officier van justitie was sprake van een ‘criminele vorm van uitbuiting’, te weten: het laten verrichten van drugssmokkel. De officier van justitie heeft in dit verband opgemerkt dat in het geval van feit 1 niet alleen door verdachte en haar medeverdachten is geworven, maar dat door de hiervoor bij naam genoemde slachtoffers daadwerkelijk een dienst (namelijk drugssmokkel) is verricht in de zin van artikel 273f lid 1 sub 4 van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr). In het geval van feit 3 is het bij werven gebleven, aldus de officier van justitie.

Volgens de officier van justitie zijn de slachtoffers misleid doordat aan hen is voorgehouden dat hen niets zou kunnen overkomen als ze in het buitenland zouden worden aangehouden omdat er een advocaat geregeld zou worden, dat de drugs in de koffers niet gevonden zouden worden doordat de koffers met een speciaal middel zouden zijn ingespoten en dat douanebeambten zouden zijn omgekocht. Dames die zich in betere persoonlijke omstandigheden zouden hebben bevonden, zouden niet gekomen zijn tot instemming met de drugssmokkel, gezien de grote persoonlijke risico’s die daarmee gelopen worden.

In verband hiermee heeft de officier van justitie nog opgemerkt dat voor een bewezenverklaring van de uitbuiting van [A] en [C] het gebruik van dwangmiddelen door verdachten, als genoemd in artikel 273f lid 1 sub 1 Sr niet is vereist, omdat [A] en [C] (destijds) minderjarig waren. Verdachten wisten ook van die minderjarigheid, aldus de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Feit 2

De verdenking komt er – kort en feitelijk weergegeven – op neer dat verdachte zich in de periode 1 maart 2008 - 14 juli 2008 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de uitlokking van de invoer van hasj. Subsidiair ziet de verdenking op het medeplegen van die invoer van hasj.

Volgens de officier van justitie zijn in de ten laste gelegde periode daadwerkelijk hoeveelheden hasj ingevoerd in Nederland. Tot deze conclusie komt de officier van justitie omdat betrokkenen er van uit gingen dat het hasj betrof. Verder omdat uit de verklaringen van de getuigen en de verdachten blijkt dat de slachtoffers daadwerkelijk zijn betaald voor de transporten. Voorts zijn [E] en [D] op 11 juli 2008 met een grote hoeveelheid hasj aangehouden in Marokko. Bovendien is steeds op eenzelfde wijze gehandeld door verdachten: de koffers met drugs zijn steeds vlak voor het vertrek aan de slachtoffers gegeven, die koffers zijn bij aankomst in Nederland direct van de slachtoffers overgenomen en vrijwel onmiddellijk na ontvangst van de koffers is steeds hetzelfde bedrag betaald. Ook heeft de officier van justitie gewezen op de mogelijke herkomst van hasj uit Marokko.

De officier van justitie meent dat de uitlokking heeft bestaan uit de belofte aan de slachtoffers dat ze veel geld zouden verdienen met de smokkel, dat voor hen vliegtickets en hotelovernachtingen zijn betaald alsook het eten is betaald, dat hen is verteld dat douanebeambten waren omgekocht en dat ze zouden worden vrijgekocht ingeval ze toch zouden worden aangehouden. Verder is voor [A] en [B] geld geregeld om een paspoort aan te schaffen en zijn zij na aankomst met de koffers in Nederland ook daadwerkelijk uitbetaald. Er is aldus sprake geweest van misleiding, giften, beloften en aan de slachtoffers is gelegenheid en middelen verschaft. Volgens de officier van justitie was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachten.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van de haar ten laste gelegde feiten.

Feiten 1 en 3

De raadsman van verdachte heeft – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat geen sprake is van uitbuiting in de zin van artikel 273f Sr. De ten laste gelegde feitelijke gedragingen kunnen niet als ‘uitbuitingshandelingen’ worden gekwalificeerd. Verdachte is geen medepleger. Zij is hoogstens medeplichtig. Zo had verdachte geen wetenschap van concrete plannen en handelingen; zij heeft de meisjes zelfs gewaarschuwd. Zij was slechts een toevallige deelneemster aan de gesprekken die met de verschillende slachtoffers zijn gevoerd. Verdachte wist bovendien niets van de verstandelijke beperkingen van [B] en [A]. Bovendien kan niet gesteld worden dat de slachtoffers redelijkerwijs geen andere keuze hadden dan over te gaan tot het smokkelen van drugs. Het waren de eigen wilsbesluiten van de meisjes die aan de smokkel ten grondslag lagen. De raadsman heeft in dat verband verwezen naar verdachtes eigen verklaringen, die van verschillende getuigen en naar die van haar medeverdachten.

De raadsman heeft er verder op gewezen dat de feitelijke omstandigheden die de officier aan feit 3 ten grondslag heeft gelegd, op zichzelf geen strafbare gedragingen zijn.

Feit 2

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van feit 2 primair aangevoerd dat geenszins vaststaat dat [B] en [A] daadwerkelijk drugs hebben vervoerd. Uit het dossier blijkt onvoldoende dat dit het geval is geweest. In ieder geval heeft verdachte geen opzet gehad op de uitlokkingshandeling en evenmin op het gronddelict. Voorts is naar de mening van de raadsman geen sprake van medeplegen omdat geen sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking van verdachte met de medeverdachten. De raadsman meent verder dat de dagvaarding ten aanzien van feit 2 subsidiair nietig moet worden verklaard nu niet duidelijk is op welk drugstransport het ten laste gelegde ziet. Meer subsidiair dient verdachte van feit 2 subsidiair te worden vrijgesproken omdat zij niet als medepleger kan worden beschouwd, aldus de raadsman.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging1

Feit 1

3.3.1. Werven door dwangmiddelen?

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van mensenhandel als bedoeld in artikel 273f Sr, dient allereerst te worden vastgesteld of sprake is van handelen (werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen) door één of meer van de in artikel 273f, lid 1, sub 1 Sr genoemde dwangmiddelen.

Bij die beoordeling zal de rechtbank zich beperken tot de vraag of sprake is geweest van het werven door misleiding en/of misbruik van een kwetsbare positie, aangezien ter terechtzitting (en met name uit het bij requisitoir door de officier van justitie ingenomen standpunt) is gebleken dat de verdenking jegens verdachte specifiek op die gedraging en die twee dwangmiddelen ziet en ook de verdediging zich met name op die verdenking heeft gericht. Ook overigens is uit het dossier, noch uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat sprake zou zijn geweest van andere handelingen en dwangmiddelen.

Verder zal de rechtbank zich bij haar beoordeling – waar deze ziet op de dwangmiddelen – beperken tot [B], [D] en [E], aangezien de overige twee slachtoffers ([C] en [A]) ten tijde van de verweten gedragingen van verdachte minderjarig waren en bij minderjarige slachtoffers, gelet op het bepaalde in artikel 273f, lid 1, sub 2 Sr, de inzet van dwangmiddelen niet vereist is voor een eventuele bewezenverklaring van mensenhandel.

Voor het bewijs van door ‘misbruik’ handelen is toereikend dat de dader zich bewust moet zijn geweest van de kwetsbare positie van het slachtoffer, in die zin dat voorwaardelijk opzet ten aanzien van die kwetsbare positie bij de dader aanwezig moet zijn (HR 27 oktober 2009, LJN BI7097, r.o. 2.5.1).

Naar het oordeel van de rechtbank behoeft ingeval sprake is van tezamen en in vereniging handelen als bedoeld in artikel 47 Sr overigens niet bij elke dader sprake te zijn van deze bewustheid.

Bij de beoordeling van de vraag of verdachte [D], [E], [C], [B] en [A] heeft geworven en of zulks ten aanzien van [D], [E] en [B] door misleiding en/of misbruik van een kwetsbare positie heeft plaatsgevonden, gaat de rechtbank uit van de hieronder genoemde feiten en omstandigheden.

Voorafgaand aan deze opsomming van feiten en omstandigheden merkt de rechtbank het volgende op.

De rechtbank maakt onder meer gebruik van de verklaringen die [E] heeft afgelegd bij de politie en bij de rechter-commissaris. Bij haar verhoor door de rechter-commissaris op 19 oktober 2009 heeft [E] te kennen gegeven haar bij de politie op 23 juli 2009 afgelegde verklaring te willen intrekken omdat alles wat zij tegen verdachte zou hebben verklaard niet zou kloppen. Zij had inmiddels gesproken met verdachte en de visie van verdachte gehoord.

Echter, aangezien hetgeen [E] in eerste instantie bij de politie heeft verklaard in grote lijnen overeenkomt met hetgeen andere slachtoffers hebben verklaard, ziet de rechtbank geen reden deze eerste verklaring van [E] buiten beschouwing te laten.

Voorts merkt de rechtbank op dat bij de opsomming in aanmerking is genomen dat verdachte door de slachtoffers ook wel is aangeduid als [naam]. Verdachte heeft erkend dat zij ook wel [naam] wordt genoemd.2

- Op 4 augustus 2008 werd bij het IRC Haaglanden/Hollands Midden gemeld dat [D] en [E] op 11 juli 2008 op de luchthaven in Nador, Marokko, waren aangehouden na doorzoeking van hun bagage, waarbij respectievelijk 11,9 kilo en 12,6 kilo hasj was aangetroffen in de bodem van twee koffers.3 [D] en [E] zijn in verband hiermee in Marokko veroordeeld tot 10 maanden detentie. Zij zijn op 11 mei 2009 in vrijheid gesteld.4

- [D] heeft verklaard dat zij vóór het drugstransport in juli 2008 met [C] voor medeverdachte [medeverdachte Z] een ander drugstransport heeft gedaan.5 Voorts heeft [D] verklaard dat zij voorafgaand aan het drugstransport van begin juli 2008 met medeverdachten [medeverdachte W] en [medeverdachte Z] had afgesproken in het Novotel in Den Haag. Daar heeft [medeverdachte W] aangegeven dat [D] drugs kon smokkelen. Vervolgens hebben volgens [D] meerdere gesprekken plaatsgevonden tussen haar, [medeverdachte W] en [medeverdachte Z], waarbij over drugssmokkel werd gesproken. Verdachte trad daarbij op als tussenpersoon tussen [medeverdachte W] en [medeverdachte Z] wanneer zij hen niet te pakken kreeg. Volgens [D] was verdachte van alles op de hoogte en ook steeds bij de gesprekken over drugssmokkel aanwezig.6 [D] heeft verklaard dat [medeverdachte W] en [medeverdachte Z] haar vaak vroegen of er nog domme meisjes waren die konden smokkelen.7 Zij heeft verder verklaard dat mensen een jaar geleden gemakkelijk misbruik van haar konden maken. Zij was erg depressief, zat niet op school, had geen baan en ging om met verkeerde mensen. Bovendien was haar moeder, met wie zij een goede band had, in 2004 overleden8. [D] heeft bevestigd dat [medeverdachte W] en verdachte wisten dat zij het op persoonlijk gebied moeilijk had in de tijd dat zij smokkelde omdat zij elkaar als vriendinnen over en weer hadden verteld over hun levens.9

- [E] heeft verklaard dat [medeverdachte W] en [medeverdachte Z] bij de drugssmokkel betrokken waren. [medeverdachte W] regelde alle praktische zaken rond de drugssmokkel voor [medeverdachte Z] en verdachte regelde meisjes voor hem.10 Volgens [E] hebben [medeverdachte W], [medeverdachte Z] en verdachte haar onder meer verteld dat de douane zou zijn omgekocht.11 Volgens [E] sprak zij [medeverdachte W] en verdachte vaak. Hoe vaker je met iemand bent, aldus [E], hoe meer je iemand gaat vertrouwen.12 [medeverdachte Z] had het vertrouwen van [E] gewonnen. Hij had gezegd dat als er iets zou gebeuren, hij een advocaat zou regelen en zou zorgen dat zij vrijkwamen.13 Zij heeft verder verklaard dat zij er nu achter is gekomen dat dit allemaal niet waar was. Volgens [E] kozen [medeverdachte W] en verdachte alleen meisjes uit die in moeilijkheden zaten.14 Zij heeft verklaard dat haar persoonlijke situatie in de periode waarin werd gesproken over de drugssmokkel, heel slecht was. Zij ging niet naar school, had geen werk en woonde op straat. Zij hing dagen rond met [medeverdachte W] en verdachte. Volgens [E] moet het voor hen zichtbaar zijn geweest dat het niet goed met haar ging en er geen ouders waren die zich om haar bekommerden.15 [E] heeft verder verklaard dat verdachte ook wist van de situatie van [D], dat haar moeder een paar jaar geleden was overleden.16

- [C] heeft verklaard dat zij met [D] in de periode 23 tot en met 29 maart 2008 drugs heeft gesmokkeld vanuit Marokko naar Nederland.17 Volgens [C] zijn [D] en zij daartoe vooraf benaderd door verdachte. [C] heeft verklaard dat [D] en zij eens in de twee weken afspraken met verdachte.18 Daarbij vroeg verdachte of zij samen met [D] naar Marokko wilde gaan en [C] begreep dat het om drugssmokkel ging. Volgens [C] heeft verdachte bij die afspraken onder meer verteld dat de douane omgekocht was.19 [C] heeft verklaard dat verdachte geld kreeg van [medeverdachte Z] als zij meisjes had geregeld en dat verdachte in ieder geval [E], [D] en [C] heeft geregeld ten behoeve van het smokkelen van drugs.20 [C] heeft verder verklaard dat [D] en zij begin mei 2008 bijna weer naar Marokko waren gegaan voor een drugstransport. [medeverdachte W], verdachte of [medeverdachte Z] had hen toen gevraagd om naar Marokko te gaan. 21

- Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat zij bij – voornoemde – gesprekken met [C], [D] en [E] aanwezig is geweest en dat zij die gesprekken heeft gehoord en daarbij heeft meegepraat. Verdachte heeft verklaard zich niet meer precies te kunnen herinneren wat zoal is besproken, maar wel dat het ging om strafbare feiten. Ten slotte heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat [D] en [E] haar vriendinnen waren, dat zij dus wist van hun privé-leven en dat het privé-leven van [D] en [E] tijdens de bewuste gesprekken ook aan de orde is gekomen.22

- [A] heeft verklaard dat zij in maart of april 2008 van [medeverdachte X] hoorde dat een vriendin van haar drugs smokkelde vanuit het buitenland naar Nederland, en dat [medeverdachte X] dat zelf ook wilde gaan doen.23 Via [medeverdachte X] heeft vervolgens een gesprek plaatsgevonden in het Novotel in Den Haag, waarbij [A], [B] en verdachte aanwezig waren. Verder werden [A] en [B] daarbij door [medeverdachte X] voorgesteld aan [medeverdachte W] en [medeverdachte Z].24 Verdachte deelde tijdens het bewuste gesprek onder meer mede dat [A] en [B] naar Marokko zouden gaan om hasj op te halen en dat er geen probleem was omdat de beveiligers op het vliegveld waren omgekocht.25 [A] heeft verklaard dat [B] en zij besloten om te gaan smokkelen omdat verdachte haar had verteld dat de beveiligers waren omgekocht.26 [A] heeft verder verklaard dat verdachte steeds – met uitzondering van de eerste ontmoeting – bij de gesprekken rond de drugssmokkel naar Marokko aanwezig is geweest.27

- [B] heeft verklaard dat zij en [A] in de periode 30/31 mei - 4 juni 2008 vanuit Marokko drugs hebben gesmokkeld.28 Ongeveer halverwege mei 2008 heeft in een cafeetje in de buurt van het stadhuis in Den Haag een gesprek plaatsgevonden tussen [B], [A], [medeverdachte Z], [medeverdachte W] en [medeverdachte X]. Of verdachte daarbij ook aanwezig was, weet [B] niet.29 Dit gesprek was tot stand gekomen via [medeverdachte X], met wie [A] vanuit haar stage contact had.30 [B] heeft verder verklaard dat zij daarna vaker – ongeveer 20 keer – in het Novotel in Den Haag is geweest, dat daarbij meestal [medeverdachte X] en verdachte aanwezig waren en dat [medeverdachte W] daarbij af en toe aanwezig was. 31

Tijdens de gesprekken is gesproken over de smokkel van drugs. In die gesprekken hadden [A] en [B] de volgende vragen: ‘Wat moeten we meenemen?’, ‘Worden we niet opgepakt?’, ‘Wat moeten we doen als we opgepakt worden?’, ‘Gaan we met zijn tweeën of gaan we ook met andere mensen?’, ‘Hoe zit het met de beveiliging in Marokko en Schiphol?’32 Daarop hebben [medeverdachte W] en verdachte aan [B] en [A] onder meer verteld dat de beveiliging was omgekocht in Nador en Schiphol.33 Volgens [B] was zij aanvankelijk bang voor het risico dat aan de drugssmokkel verbonden was. Later was het geld en de gesprekken, waarin werd verteld dat zij en [B] weinig risico liepen om gepakt te worden, de reden om het toch te doen.34 Volgens [B] zijn het [medeverdachte W] en [medeverdachte Z] geweest die haar hebben overgehaald om de drugs te smokkelen en traden [medeverdachte X] en verdachte op als contactpersonen.35

- [B] verbleef in de ten laste gelegde periode in orthopedagogisch centrum “[orthopedagogisch centrum]”. Volgens behandelingscoördinator [F] is [B] een meisje dat gemakkelijk beïnvloedbaar is.36 Blijkens het verslag van een psychologisch onderzoek van november 2006 functioneert [B] net op laagbegaafd niveau en heeft zij een relatief goed inzicht in zaken uit het dagelijkse sociale leven.37

- Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting bevestigd dat zij bij meerdere besprekingen over drugstransporten was, waarbij [A] en [B] aanwezig waren. Volgens verdachte maakte zij deel uit van die gesprekken. Verdachte heeft verder bevestigd dat zij aan [A] en [B] onder meer heeft gezegd dat mensen van vliegvelden omgekocht zouden zijn.38

- Verdachte heeft in zijn algemeenheid omtrent gesprekken met onderwerpelijke slachtoffers verklaard dat zijzelf heel veel over drugssmokkel heeft gesproken en bijna altijd bij de gesprekken was. 39 Ook heeft verdachte verklaard dat als [medeverdachte Z] er niet bij was, zij misschien vertelde dat [medeverdachte Z] wel gelijk kon hebben met zijn mededeling dat de smokkel niet mis zou kunnen gaan.40

Gelet op het vorenstaande heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank met anderen [D], [E], [B], [C] en [A] geworven voor het smokkelen van hasj.

Dat verdachte deze slachtoffers heeft geworven leidt de rechtbank in het bijzonder af uit de omstandigheden dat verdachte bij meerdere gesprekken – in het bijzijn van één of meer van de medeverdachten [medeverdachte Z], [medeverdachte W] en [medeverdachte X] – aanwezig was, en de betrokken slachtoffers tijdens die gesprekken zijn gewezen op de mogelijkheid om voor geld drugs te smokkelen, en waarbij de transporten en de werkwijze daarbij gedetailleerd aan de orde zijn gekomen. Verdachte heeft daarbij een actieve rol gespeeld.

Wat betreft het gebruik van het dwangmiddel misleiding van de meerderjarige slachtoffers [D], [E] en [B], overweegt de rechtbank het volgende.

Tijdens de bewuste gesprekken zijn deze slachtoffers door verdachte en anderen middels misleiding overgehaald om aan die drugssmokkel deel te nemen. Bij de bespreking van de aan de smokkel verbonden risico’s is hen door verdachte en anderen immers onder meer voorgehouden dat de douane in Marokko en/of op Schiphol zou zijn omgekocht, terwijl uit het dossier -met name de verklaringen van de medeverdachten- en het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat dat daadwerkelijk zou zijn gebeurd.

Met betrekking tot de vraag of [D], [E] en [B] zich in een kwetsbare positie bevonden en verdachte zich hier van bewust was, overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van bovengenoemde verklaringen omtrent de school-, werk- en thuissituatie van [D] en [E], komt de rechtbank tot de conclusie dat hun beider persoonlijke omstandigheden tijdens de in de tenlastelegging genoemde periode zodanig waren dat zowel de positie van [D] als die van [E] als kwetsbaar moet worden beschouwd. Vast staat dat zowel [medeverdachte W] als verdachte wisten van hun persoonlijke omstandigheden. Nu medeverdachten [medeverdachte W] en [medeverdachte Z] bovendien hebben gevraagd of er nog domme meisjes waren die konden smokkelen, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat bij verdachte en/of haar medeverdachten de intentie bestond om misbruik te maken van de kwetsbare positie van meisjes, zoals [D] en [E]. Nu verdachte en haar medeverdachten [D] en [E] daadwerkelijk hebben geworven voor het smokkelen van drugs en deze slachtoffers de transporten ook hebben uitgevoerd, hebben verdachte en haar medeverdachten misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van [D] en [E].

[B] functioneert op net laagbegaafd niveau. In dit verband ziet de rechtbank geen aanleiding om de verklaring van [F] en het pychologisch onderzoek in twijfel te trekken. Naar het oordeel van de rechtbank was dan ook bij [B] sprake van een kwetsbare positie. Echter, uit het dossier noch uit het onderzoek ter terechtzitting komt naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate naar voren dat verdachte dan wel één of meerdere van haar medeverdachten van het functioneren op net laagbegaafd niveau– en derhalve van de kwetsbare positie van [B] – wisten.

Vorenstaande brengt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat verdachte met anderen alle vijf slachtoffers ([D], [E], [C], [B] en [A]) heeft geworven voor het verrichten van een dienst, te weten het smokkelen van hasj. Daarbij zijn [D] en [E] geworven door misleiding en door misbruik te maken van hun kwetsbare positie. [B] is geworven door misleiding. Aldus kan ten aanzien van de meerderjarige meisjes gesproken worden van de inzet van dwangmiddelen als bedoeld in artikel 273f, lid 1, onder 4 juncto 1 Sr.

3.3.2 (Oogmerk van) uitbuiting?

Blijkens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 9 december 2004, Stb. 645, waarbij artikel 273a (oud) Sr is ingevoerd, is mensenhandel (gericht op) uitbuiting. Bij de strafbaarstelling van mensenhandel staat het belang van het individu steeds voorop. Dat belang is het behoud van zijn of haar lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid. De staat dient strafrechtelijke bescherming te bieden tegen aantasting van het recht op die integriteit en vrijheid (Kamerstukken II, 2003/2004, 29.291, nr 3). Daarbij past ook de plaats van (thans) artikel 273f in titel XVIII in het Wetboek van Strafrecht (Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid).

Onder het brede bereik van mensenhandel vallen tevens moderne vormen van slavernij. Specifiek voor slavernij is volgens genoemde memorie van toelichting, de volledige zeggenschap van de ene mens over de andere.

Hoewel artikel 273f, lid 1, onder 4 Sr niet expliciet ‘uitbuiting’ noemt, dient hiervan naar het oordeel van de rechtbank wel sprake te zijn, zulks mede gezien de opsomming van een aantal vormen van uitbuiting in artikel 273f, lid 2 Sr.

Het bestanddeel (oogmerk van) uitbuiting is niet gedefinieerd, anders dan door de opsomming in het tweede lid van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder gedwongen of verplichte arbeid of diensten. Blijkens genoemde memorie van toelichting doelt – het huidige – artikel 273f Sr op een verscheidenheid aan moderne vormen van slavernij of met slavernij of dienstbaarheid te vergelijken praktijken. Daarbij kan volgens de memorie van toelichting worden gedacht aan tewerkstelling onder dwang of het maken van misbruik van een afhankelijke positie van een persoon die onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan in een toestand van uitbuiting te geraken. Als voorbeeld wordt genoemd een extreem lange werkweek tegen onevenredig lage betaling onder slechte werkomstandigheden (Kamerstukken II, 2003/2004, 29.291, nr 3).

Aan de totstandskomingsgeschiedenis van artikel 250a (oud) Sr, waaraan blijkens het arrest van de Hoge Raad van 27 oktober 2009, LJN: BI7097, r.o. 2.4, thans nog belang kan worden gehecht, kan nog worden ontleend dat gedragingen, bestaande uit het misbruik maken van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding, de wil beïnvloeden, waaronder begrepen de keuzemogelijkheid van het slachtoffer, in die zin dat zij leiden tot het ontbreken van vrijwilligheid waartoe ook behoort het ontbreken of de vermindering van de mogelijkheid een bewuste keuze te maken (Kamerstukken II, 1988/1989, 21.207, nr 3).

De vraag of – en zo ja, wanneer – sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van artikel 273f Sr is verder niet in algemene termen te beantwoorden, maar sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag kan onder meer betekenis toekomen aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen naar het oordeel van de Hoge Raad in het hierboven genoemde arrest de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd.

Voor beantwoording van de vraag of de betrokken slachtoffers zich in een uitbuitingssituatie bevonden en of bij verdachte sprake was van (het oogmerk) van uitbuiting, is naar het oordeel van de rechtbank van belang of de wil van de slachtoffers door de macht van verdachte (en haar mededaders) zodanig was beïnvloed dat zij voor het smokkelen van hasj van Marokko naar Nederland niet vrijwillig hebben gekozen, dan wel dat zij onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs geen andere keus hadden dan over te gaan tot die hasjssmokkel. De subjectieve beleving van de slachtoffers kan een rol spelen bij beantwoording van de vraag of zij zich aan de machtssfeer van verdachte en haar medeverdachten hadden kunnen onttrekken.

Met betrekking tot de vraag of daarvan in de onderhavige zaak sprake is, overweegt de rechtbank als volgt.

Naast de feiten en omstandigheden onder 3.3.1 vermeld gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten en omstandigheden:

- [D] heeft verklaard dat zij twee keer zou smokkelen. De eerste keer (met [C]) is zij niet gegaan en de tweede keer was met [E], toen is zij opgepakt.41 Over het transport van juli 2008 heeft [D] verklaard dat zij van tevoren wist wat zij en [E] zouden gaan smokkelen.42 Voorts heeft [D] verklaard dat zij eerder drugs had gesmokkeld vanuit Turkije. Zij was met onder andere verdachte, [medeverdachte W] en [E].43

- [E] heeft verklaard dat zij en [D] tijdens hun verblijf in Marokko – in het kader van de drugssmokkel – begin juli 2008 op een gegeven moment niet meer wilden, maar wel moesten doorgaan met smokkelen.44 Verder heeft [E] verklaard dat dit niet de eerste keer was dat zij drugs had gesmokkeld: zij had – net als onder meer [D] – eerder deelgenomen aan een drugssmokkel vanuit Turkije.45

- [C] heeft over het afgezegde transport van begin mei 2008 verklaard dat zij en [D], toen zij op het vliegveld in Brussel in de rij stonden, alsnog hebben besloten dat zij toch niet wilden gaan. [C] zag dat [medeverdachte Z] daarop boos werd. Het kostte hem geld omdat tickets en een huisje waren geregeld. [C] heeft verklaard dat zij zich hierdoor schuldig voelde.46

- [B] heeft over de drugssmokkel vanuit Marokko verklaard dat het eerst een soort vakantie leek.47 Het verblijf in Marokko vond zij wel leuk.48 Zij en [A] kregen eten en drinken en gingen stappen. Toch vond [B] het wel eng, naarmate de dag dichterbij kwam dat zij met de koffer terug moesten.49 [B] vond het eng omdat ze bang was dat ze betrapt zou worden door de politie en omdat ze hasj ging smokkelen.50 [B] heeft over haar verblijf in Marokko verklaard, dat zij en [A] de nacht vóór het vertrek naar Nederland in een gebouw werden gezet. Dit gebouw had tralies voor de ramen en een gat in de vloer als wc. [B] en [A] durfden niet naar buiten, waarbij [B] heeft opgemerkt: “Want stel je voor dat we gepakt zouden worden.”51

- [A] heeft verklaard dat zij en [B] tijdens hun verblijf in Marokko in het kader van de drugssmokkel, vier dagen vakantie hebben gevierd. Zij zijn naar het strand geweest en hebben volgens [A] ‘gewoon’ dingen gedaan als toeristen.52 Ook heeft [A] verklaard dat zij in Marokko in angst heeft gezeten en dat zij toen niet meer terug kon.53 Verder heeft [A] verklaard dat zij en [B] de dag vóór vertrek door de man die hen gedurende het hele verblijf in Marokko vergezelde in een huis in een ander dorp zijn ondergebracht, welk huis zij niet mochten verlaten.54

Voorop staat dat door verdachte en andere verdachten een maatschappelijk ongewenst geachte situatie in het leven is geroepen. De slachtoffers zijn immers door verdachte en andere verdachten geworven om illegale diensten te verrichten, te weten het smokkelen van hasj vanuit Marokko naar Nederland, met een groot persoonlijk risico. Eveneens kan worden vastgesteld dat verdachte en andere verdachten bij de transporten zodanig hebben gehandeld dat zij – in tegenstelling tot hun slachtoffers – buiten schot zouden blijven als er een transport zou worden onderschept. De risico’s zijn derhalve geheel afgewenteld op deze slachtoffers.

Echter, hoe verwerpelijk het handelen van verdachte en andere verdachten ook is, op zichzelf brengt dit naar het oordeel van de rechtbank - anders dan de officier van justitie voor ogen staat - nog niet mee dat geconcludeerd kan worden dat sprake is van een uitbuitingssituatie in de zin van art. 273f Sr.

Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Vast staat dat [E] en [D] reeds in 2007 betrokken waren bij een drugssmokkel vanuit Turkije. Hierbij zijn [E], verdachte en [medeverdachte W] aangehouden. Zij zijn allen vrijgesproken, doch drie personen die zij kennen, zijn veroordeeld tot gevangenisstraf in Turkije.55 Hieruit leidt de rechtbank af dat [D] en [E] goed op de hoogte waren van de voor- en nadelen (waaronder de risico’s van de smokkel van drugs) toen zij in 2008 besloten in te gaan op de verzoeken van [medeverdachte Z], [medeverdachte W] en verdachte, om vanuit Marokko drugs naar Nederland te smokkelen.

Verder geldt zowel voor [D], [E] als [C] dat zij voorafgaand aan hun transporten in 2008 meerdere malen met verdachte en haar medeverdachten [medeverdachte Z] en [medeverdachte W] hebben gesproken over de drugssmokkel in het algemeen en de daaraan verbonden risico’s in het bijzonder. Zoals reeds eerder overwogen zijn de slachtoffers misleid en in een enkel geval is misbruik gemaakt van een kwetsbare positie. Niet is echter gebleken dat de slachtoffers op dat moment redelijkerwijs het voorgestelde transport niet hebben kunnen weigeren.

In dit verband is het van belang dat [D] en [C] rond mei 2008 – na hun drugstransport in de periode van 23 tot en met 29 maart 2009 – wederom met een drugstransport hebben ingestemd en dit vervolgens hebben afgezegd, waarbij niet is gebleken dat dit voor hen nadelige gevolgen - financieel of anderszins - heeft gehad. Uit het dossier kan uitsluitend worden afgeleid dat [medeverdachte Z] en [medeverdachte W] boos dan wel teleurgesteld waren. Van verderstrekkende gevolgen is niet gebleken.

De rechtbank leidt uit de afzegging van dit drugstransport van [D] en [C] af dat de omstandigheden waarin zij zich rondom de transporten bevonden, kennelijk, ook in de beleving van deze meisjes, ruimte boden om het transport te weigeren.

Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de verzoeken van [medeverdachte Z], [medeverdachte W] en verdachte klaarblijkelijk een grote mate van vrijblijvendheid in zich droegen, zelfs nog nadat daarmee was ingestemd. Van schending van enig fundamenteel recht is niet gebleken. In dit verband is evenmin gebleken dat sprake was van een afhankelijkheid bij de slachtoffers van verdachte en/of haar medeverdachten [medeverdachte Z] en [medeverdachte W], waardoor de keuzevrijheid van [D], [E] of [C] zodanig was ingeperkt dat zij, ook vanuit hun perspectief, redelijkerwijs geen andere keuze hadden dan in te stemmen en gevolg te geven aan de verzoeken van verdachte, [medeverdachte Z] en/of [medeverdachte W]. Hierbij heeft rechtbank nog in aanmerking genomen dat [E], [D] en [C] elkaar regelmatig troffen tijdens gesprekken met verdachte en anderen56en dat niet is gebleken dat verdachte, [medeverdachte W] en/of [medeverdachte Z] bij de werving onderscheid maakten tussen [D], [E] en [C].

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank in het geval van [D], [E] en [C] geen sprake geweest van een uitbuitingssituatie. Dit leidt eveneens tot het oordeel dat het oogmerk op uitbuiting bij verdachte ontbreekt.

Ook [A] en [B] hebben diverse gesprekken met verdachte en/of haar medeverdachten gevoerd, waarbij uitvoerig is gesproken over de risico’s die zijn verbonden aan de drugssmokkel. Daarbij zijn door [A] en [B] de nodige vragen gesteld. [B] heeft verklaard dat zij pas na meerdere gesprekken is overgehaald, dit vanwege het geld en vanwege het feit dat men haar vertelde dat zij geen risico zou lopen. In aanmerking nemend dat deze meisjes een verstandelijke beperking57 hebben, is naar het oordeel van de rechtbank echter niet gebleken dat de slachtoffers op dat moment redelijkerwijs het voorgestelde transport niet hebben kunnen weigeren. De rechtbank leidt uit het dossier af dat [B] en [A] de nacht voor de terugkeer naar Nederland in Marokko bang waren en dat [B] het gevoel had dat zij niet meer terug konden. Echter, die omstandigheden zijn in het licht van al het voorgaande onvoldoende om daaraan de conclusie te verbinden dat sprake was van een uitbuitingssituatie. Hiertoe overweegt de rechtbank dat die omstandigheden hun oorzaak vinden in het door [B] en [A] eerder genomen besluit om drugs te gaan smokkelen alsmede dat de bewuste reis naar Marokko door [B] en [A] achteraf als een ‘vakantie’ is getypeerd.

Dit leidt ertoe dat ook ten aanzien van [A] en [B] niet is gebleken dat sprake is van een inbreuk op enig fundamenteel recht. Van misbruik van een afhankelijke positie van [A] en [B] door verdachte en/of haar medeverdachten, waardoor [A] en [B], gezien hun beider verstandelijke beperking, die een rol speelt bij hun persoonlijke beleving van hun relatie tot verdachte en haar medeverdachten, redelijkerwijs geen andere keuze hadden dan in te stemmen en gevolg te geven aan de verzoeken van verdachte, [medeverdachte Z] en/of [medeverdachte W], is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Derhalve is ook hier geen sprake van een uitbuitingssituatie en ontbreekt aldus het oogmerk van uitbuiting.

Gelet op het voorgaande dient verdachte te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit.

3.3.3 Feit 2

Ten aanzien van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde gaat de rechtbank - naast de feiten en omstandigheden onder 3.3.1. en 3.3.2 vermeld - uit van de volgende feiten en omstandigheden:

- [D] heeft verklaard dat zij en [C], nadat zij drugs hadden gesmokkeld vanuit Marokko – het eerste transport dat [D] heeft gedaan – volgens afspraak € 2.000,- per persoon van [medeverdachte Z] hadden gekregen.58 [D] heeft verklaard, dat toen zij en [E] in Marokko werden opgepakt, zij respectievelijk 11,9 en 12,6 kilo hasj in hun koffers hadden.59 [medeverdachte Z] en zijn neef in Marokko hadden gezworen dat er in elke koffer twee kilo hasj zou zitten.60 Verder heeft zij verklaard dat [medeverdachte Z] de baas was, maar dat [medeverdachte W] alles met hen regelde, waaronder tickets. [medeverdachte W] faxte de tickets naar [D] en [C] en gaf hen de tijden door. Daarbij was verdachte de contactpersoon tussen [medeverdachte W] en [D]. Als [medeverdachte W] [D] niet kon bereiken, dan ging dit via verdachte.61

- [E] heeft verklaard dat de vliegtickets en het verblijf in Marokko door [medeverdachte Z] werden betaald. Met betrekking tot het drugstransport in juli 2008, waarvoor zij en [D] zijn aangehouden, heeft [E] verklaard dat zij twee dagen tevoren de officiële datum van [medeverdachte W] te horen kregen en dat op de dag van vertrek [medeverdachte W] haar telefonisch heeft gewekt.62 Voor het smokkelen van drugs kregen [D] en [E] € 2.000,- per persoon.63 [E] heeft voorts verklaard dat zij in totaal twee keer (rechtbank begrijpt: drugs) heeft meegenomen vanuit Marokko. [E] is naar eigen zeggen één keer niet aangehouden en de tweede keer wel.64

- [G] heeft verklaard dat zij denkt op 13 april 2008 haar eerste drugstransport te hebben verricht. Zij is alleen naar Marokko gegaan. [E] was daar al, aldus [G].65 De koffers waren zwaar, men had gezegd dat er een kilo hasj in zitten. Volgens [G] zat er echter veel meer in. De koffers wogen ongeveer 22 kilo, aldus [G]. [G] verklaart ten slotte dat, toen zij de koffers onder de scan moesten leggen, men zag dat er blokken in de koffers zaten. [E] zei toen dat er blokken zeep in zaten. Hierop mochten [G] en [E] verder lopen.66

- [C] heeft over haar drugssmokkel met [D] – in maart 2008 – verklaard dat zij en [D] na het transport van [medeverdachte Z] ieder € 2.000,- kregen en dat dit bedrag hen van tevoren was toegezegd. [medeverdachte W] had tijdens hun verblijf in Marokko in het kader van die drugssmokkel al tegen hen gezegd dat ze meer geld zouden krijgen als alles goed zou gaan. Zij hebben dit niet gekregen.67

- [B] heeft verklaard dat haar en [A] tijdens de aan hun drugstransport voorafgaande gesprekken met [medeverdachte W], [medeverdachte Z] en [medeverdachte X] geld was beloofd: [B] en [A] zouden € 4.000,- krijgen voor twee drugstransporten.68 Over de drugssmokkel vanuit Marokko werd [B] en [A] medegedeeld dat in de koffers die zij ieder vanuit Marokko mee moesten nemen, 5 of 6 kilo hasj zat en dat ze niet in deze koffers mochten kijken.69 Verder heeft [B] verklaard dat de paspoorten van haar en [A] werden betaald.70 [B] heeft verklaard dat ze rond de drugssmokkel voortdurend – een paar keer per week – contact had met de tussenpersoon van [medeverdachte W] en [medeverdachte Z], te weten verdachte.71 [B] heeft verder verklaard dat zij en [A] na terugkomst ieder € 2.000,- voor de drugssmokkel kregen van [medeverdachte W]. Dit gebeurde direct nadat zij op Schiphol de koffers die zij in Marokko hadden gekregen, hadden afgegeven.72

- Ook [A] heeft verklaard dat zij en [B] € 2.000,- zouden krijgen voor de drugssmokkel73 en dat zij dit geld daadwerkelijk kregen na hun drugstransport vanuit Marokko.74 Dat kregen zij en [B] nadat zij de koffers hadden afgegeven. Tussen het moment van afgeven en het moment waarop het geld door [medeverdachte W] werd overhandigd, heeft [medeverdachte W] niet in de koffers gekeken.75 [A] heeft eveneens verklaard dat zij en [B] vóór dit transport geld kregen voor het aanvragen van een paspoort.76 Hun paspoorten hebben zij vervolgens afgegeven aan [medeverdachte W], [medeverdachte Z], [medeverdachte X] of verdachte, waarmee de tickets naar Marokko zijn geboekt.77 Volgens [A] hadden [medeverdachte W] en [medeverdachte Z] deze tickets en regelden deze personen wanneer zij en [B] naar Marokko moesten gaan.78 [A] heeft verklaard dat zij en [B], eenmaal in Marokko, samen met [medeverdachte W] en een Marokkaanse man naar een hotel zijn gereden waar zij vervolgens verbleven.79

- In de (telefoon) agenda van [A] staat dat verdachte bij het HS staat om de simkaart te geven. Daarbij staat als datum (start) 30 mei 2008 en als tijdstip 12:00 uur.80 [A] heeft hierover verklaard dat zij op die dag naar Brussel gingen met de trein en dat het afgeven van de simkaart niet door ging omdat zij anders hun trein zouden missen. Verdachte zou een sim-kaart geven voor Marokko zodat zij daar konden bellen.81

Verdachte heeft verklaard zich niet te kunnen herinneren aan [A] een sim-kaart te hebben gegeven.82 Ter terechtzitting heeft verdachte geen verklaring kunnen geven voor deze notitie van [A].83

- [medeverdachte Z] heeft verklaard dat hij bij twee transporten betrokken is geweest. Bij [D] en [E] en bij [D] en [C]. Toen [D] en [C], aldus [medeverdachte Z], vanuit Marokko op Zaventem aankwamen met koffers met hasj, heeft hij de koffers van de meisjes overgenomen. [medeverdachte Z] heeft verklaard de meisjes ieder (naar de rechtbank begrijpt: beloofde) € 2.000,- te hebben betaald voor het transport. In juli 2008 heeft verdachte [D] en [E] naar het vliegveld Schiphol gebracht. Zij gingen naar Marokko om een drugstransport te doen.

Voorts heeft [medeverdachte Z] verklaard dat hij [A] en [B] kent. Één van deze twee heeft hij ontmoet in een café in het centrum van Den Haag.84

Gelet op alle voorgaande feiten en omstandigheden staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat in de periode 23 - 29 maart 2008 (door [D] en [C]), rond 13 april[G](door [G] en [E]), eind mei/begin juni 2008 (door [A] en [B]) en in de periode 7 - 11 juli 2008 (door [D] en [E]) vanuit Marokko naar Nederland hasj is gesmokkeld. Het invoeren van hasj is een strafbaar feit, waarvoor de koeriers strafbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat het in de laatstgenoemde periode is gebleven bij een strafbare poging.

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn verweer dat niet is gebleken dat in het geval van [A] en [B] hasj c.q. drugs is gesmokkeld.

Alle betrokkenen hebben immers ondubbelzinnig verklaard dat er voorafgaand aan de transporten is gesproken over het smokkelen van drugs c.q. dat zij drugs hebben gesmokkeld. Zo heeft [B] specifiek verklaard dat haar was medegedeeld dat zij 5 à 6 kilo drugs moest smokkelen. Dat daadwerkelijk hasj is gesmokkeld volgt ook uit de omstandigheid dat bij [D] en [E] in totaal ruim 24 kilogram hasj is aangetroffen op het moment dat zij tijdens hun drugstransport op 11 juli 2008 werden aangehouden in Marokko en uit het feit dat alle betrokkenen € 2.000,- kregen voor de geslaagde transporten. Bovendien kregen [B] en [A] dit bedrag van [medeverdachte W] direct in handen na het overhandigen van de koffers op Schiphol, zonder dat [medeverdachte W] daarvóór de inhoud van die koffers had bekeken. Dit alles wijst er naar het oordeel van de rechtbank op dat ook in het geval van [A] en [B] sprake is geweest van de smokkel van hasj.

Met betrekking tot het aanzetten tot drugssmokkel en het gebruik van uitlokkingsmiddelen overweegt de rechtbank het volgende. Uit de hierboven weergegeven verklaringen van getuigen en verdachte blijkt dat verdachte voorafgaand aan voormelde drugstransporten meerdere gesprekken heeft gevoerd met de betrokkenen die deze transporten hebben uitgevoerd, waaraan verdachte actief heeft deelgenomen en waarmee die betrokkenen tot de drugstransporten zijn aangezet. Bij die gesprekken, waarbij zowel [medeverdachte Z], [medeverdachte W], [medeverdachte X] en verdachte al dan niet afzonderlijk en in verschillende samenstellingen aanwezig waren, zijn de betrokkenen misleid door hen voor te houden dat de douane op Schiphol, danwel de douane in Marokko, zou zijn omgekocht. Bovendien is daarbij aan alle betrokkenen geld beloofd, wat bij de geslaagde transporten ook daadwerkelijk aan de betrokkenen is uitbetaald. Verder werden voor alle betrokkenen tickets geregeld en werd in het geval van [B] en [A] geld betaald voor het aanschaffen van hun paspoorten.

Verdachte had voorts met [A] afgesproken een simkaart te geven om in Marokko te kunnen bellen. In dit verband overweegt de rechtbank dat zij geen aanleiding ziet in twijfel te trekken dat [A] met verdachte een afspraak had - naar de rechtbank begrijpt op station Hollands Spoor- om die simkaart in ontvangst te nemen.

Gelet op het evenoverwogene concludeert de rechtbank dat sprake is van aanzetten tot hasj smokkel en het gebruik van uitlokkingsmiddelen.

Met betrekking tot het voor uitlokking vereiste opzet overweegt de rechtbank dat uit de aard van voormelde gedragingen van verdachte volgt dat verdachte op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet had op de uitlokking en het uitgelokte delict (smokkel van hasj).

Het verweer van de raadsman dat het opzet bij verdachte ontbreekt, nu zij betrokkenen heeft gewaarschuwd de transporten niet uit te voeren, verwerpt de rechtbank. [B] heeft verklaard dat verdachte haar niet heeft gewaarschuwd, terwijl [A] en [C] hebben verklaard dat zij zich een zodanige waarschuwing niet kunnen herinneren. [D] en [E] verklaren - overigens nadat zij waren benaderd door verdachte na de opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte - wel te zijn gewaarschuwd. Zelfs indien verdachte een waarschuwing heeft gegeven, komt hieraan niet de betekenis toe die haar raadsman voor ogen heeft, gezien de rol die verdachte voor het overige heeft gehad bij het aanzetten van de betrokkenen tot het smokkelen van hasj.

De rechtbank is -anders dan de verdediging- van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de uitlokking van de invoer van hasj en voorts dat zij dit feit tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd. Immers, vorengenoemde handelingen werden door verdachte, [medeverdachte Z], [medeverdachte W] en [medeverdachte X] (deze laatste alleen ingeval van [A] en [B]) – afzonderlijk en/of in wisselende samenstelling – verricht en zij waren daarbij in ieder geval allen op enigerlei wijze betrokken. Uit de voormelde verklaringen van verschillende betrokkenen blijkt dat verdachte daarbij een coördinerende rol speelde dan wel vaker als tussenpersoon in de relatie tussen de betrokkenen en haar medeverdachten optrad. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook sprake van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachten.

Op grond van al het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzettelijke uitlokking van de voornoemde drugstransporten vanuit Marokko naar Nederland, dit door middel van giften, beloften, misleiding en door het verschaffen van gelegenheid en middelen, evenals door middel van het geven van inlichtingen.

Dit brengt met zich mee dat de rechtbank niet meer toekomt aan een beoordeling van het verweer van de raadsman met betrekking tot het onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit.

3.3.4 Feit 3

De rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting af dat [A] en [B] na hun reis naar Marokko zijn benaderd en zijn gevraagd om naar Brazilië te gaan om verdovende middelen te vervoeren. De overige aan verdachte ten laste gelegde feitelijke gedragingen hebben eveneens plaatsgevonden.

Deze gedragingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf, noch gezamenlijk, leiden tot het oordeel dat daarmee sprake is van het toepassen van dwangmiddelen en/of van een (oogmerk tot) uitbuiting, ook niet indien deze worden bezien in relatie tot de in het kader van feit 1 opgenomen overwegingen met betrekking tot de werving met behulp van de aldaar genoemde dwangmiddelen. Die feitelijke gedragingen leveren naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf, maar ook in onderlinge samenhang bezien ook anderszins geen strafba(a)r(e) feit(en) op.

Gelet hierop dient verdachte ook van dit feit te worden vrijgesproken.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

[A] en/of [B] en/of [C] en/of [D] en/of [E] in de periode van 1 maart 2008 tot en met 14 juli 2008 in Nederland tezamen en in vereniging met elkaar opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland hebben gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, welk bovenomschreven strafbaar feit verdachte, tezamen en in vereniging met haar mededaders, omstreeks de periode van 1 maart 2008 tot en met 14 juli 2008 te 's-Gravenhage door giften en/of beloften en/of misleiding en/of het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, te weten het

- betalen van vliegtickets van en naar Marokko en/of het verschaffen van onderdak in Marokko [A] en[B] en [C] en [D] en [E]

en

[A] en[B] en [C] en [D]

en [E] beloven van een geldbedrag voor het vervoer

van verdovende middelen naar Nederland

en/of

- die [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D]

en/of [E] meedelen dat beveiligingsmedewerkers op (een) luchthaven(s) waren omgekocht waardoor het vervoer van die verdovende middelen naar Nederland probleemloos zou verlopen

en/of

- voor de aanschaf van de paspoorten van die [A] en[B] betalen

en

- bij terugkeer in Nederland een geldbedrag [A] en [B] en [C] en [D] en [E] overhandigen,

opzettelijk heeft uitgelokt.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1, feit 2 primair en feit 3 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van de tijd die zij in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft er – kort en zakelijk weergegeven – op gewezen dat de rol van verdachte veel kleiner is geweest dan de rol van haar medeverdachten en met name [medeverdachte Z] en [medeverdachte W]. De raadsman meent dat daarmee bij het opleggen van de straf rekening moet worden gehouden.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van enkele maanden samen met andere verdachten meerdere malen schuldig gemaakt aan het aanzetten van jonge meisjes (waarvan twee minderjarig) tot het smokkelen van hasj vanuit Marokko naar Nederland. Daarbij werd de meisjes onder meer valselijk voorgehouden dat de risico’s verbonden aan die smokkel klein waren omdat de douane zou zijn omgekocht. Mede onder invloed van die misleiding hebben de meisjes met de smokkel van hasj ingestemd.

Uiteindelijk hebben drie transporten plaatsgevonden, alsmede een strafbare poging daartoe, maar als het aan verdachte en haar medeverdachten had gelegen, was het daarbij niet gebleven.

De rechtbank rekent het verdachte zeer aan dat zij en andere verdachten drugstransporten hebben gefaciliteerd, waarbij verdachte en haar medeverdachten geen enkel risico liepen, maar de meisjes des te meer. Verdachte en haar medeverdachten hebben zich daaraan kennelijk echter niets gelegen laten liggen.

Dat die meisjes grote risico’s liepen, blijkt wel uit het feit dat twee van hen tijdens één van de door verdachte en haar medeverdachten gefaciliteerde drugstransporten in Marokko zijn aangehouden met een grote hoeveelheid (ruim 24 kilogram) hasj, als gevolg waarvan zij aldaar lange tijd in detentie hebben gezeten.

De verschillende rollen die verdachte en haar medeverdachten bij het tezamen en in vereniging aanzetten tot het smokkelen van hasj hadden, maken het handelen van verdachte, anders dan haar raadsman heeft betoogd, niet minder laakbaar. Verdachte heeft door aldus te handelen illegale invoer van drugs bevorderd en daarmee tevens een bijdrage geleverd aan het op de markt brengen van die drugs.

Daarmee heeft verdachte de wettelijke normen ter bescherming van de volksgezondheid ernstig geschonden, nu hasj bij regelmatig gebruik schadelijk is voor de gebruikers.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het Uittreksel Justitiële documentatie van verdachte d.d. 1 februari 2010. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor feiten als het onderhavige met justitie in aanraking is geweest.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op een voorlichtingsrapportage van 10 augustus 2009 van Reclassering Nederland, waarin wordt geadviseerd (mits de feiten dit toelaten) een voorwaardelijk strafdeel op te leggen met de bijzondere voorwaarde van een verplicht reclasseringscontact, in welk kader verdachte kan deelnemen aan een Cognitieve Vaardigheidstraining en wordt toegezien op het contact met het maatschappelijk werk.

Gezien de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan, is de rechtbank van oordeel dat hierop niet anders kan worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op de totale hoeveelheid getransporteerde hasj, bij de bepaling waarvan aansluiting is gezocht bij de in juli 2008 onderschepte hoeveelheid. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat de bij de overige transporten vervoerde hoeveelheden hasj van een wezenlijk andere omvang waren. De rechtbank acht geen termen aanwezig om aan verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 47 van het Wetboek van Strafrecht;

- 3 en 11 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst II.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij gewijzigde dagvaarding onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij gewijzigde dagvaarding onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 2 primair:

het medeplegen van opzettelijke uitlokking van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod door giften en/of beloften en/of misleiding en middelen en inlichtingen, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 (VIERENTWINTIG) maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. M. van Paridon, voorzitter,

I.K. Spros en R. Brand, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.A. Lensink, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2010.

1Waar hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar hierna wordt verwezen naar processen-verbaal en geschriften met paginanummers, betreft dit de paginanummers en geschriften in de dossiers genummerd 1509/2008/4259, 1563/2008/15843 en 1509/2008/4518. Het betreft de volgende dossiers: Algemeen Dossier O/Opv Gsjoema (inclusief bijlagen), Zaaks Dossier Mensenhandel (inclusief bijlagen), Zaaks Dossier Marokko (inclusief bijlagen) Zaaks Dossier Toerkoop (inclusief bijlagen), de Verdachten Dossiers [W], [V], [Z] en [X], de Beslag Dossiers [medeverdachte W], [medeverdachte X] en [verdachte], en de Methodieken Dossiers inzake [medeverdachte X], [verdachte], [V], [medeverdachte Z] en [medeverdachte W]. Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s betreft dit de pagina’s van het desbetreffende dossier.

2 Verdachte dossier V/ [verdachte], proces-verbaal van verhoor verdachte d.d.7 april 2009, 14.00 uur, p. 73

3 Algemeen dossier/gsjoema/bijlage RH, p. 1

4 Algemeen dossier/gsjoema/ p. 9-10

5 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [D] d.d. 22 juli 2009,

p. 51

6 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [D] d.d. 22 juli 2009,

p. 48.

7 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [D] d.d. 22 juli 2009,

p. 50.

8 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [D] d.d. 22 juli 2009,

p. 48 en 49

9 Proces-verbaal van verhoor van getuige [D] bij de rechter-commissaris d.d. 19 oktober 2009, onder 13

10 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [E], d.d. 23 juli 2009, p. 42.

11 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [E] d.d. 23 juli 2009, p. 44.

12 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [E] d.d. 23 juli 2009, p. 43.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige [E] bij de rechter-commissaris d.d. 19 oktober 2009, onder 6.

14 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [E] d.d. 23 juli 2009, p. 43.

15 Proces-verbaal van verhoor getuige [E] bij de rechter-commissaris d.d. 19 oktober 2009, onder 6.

16 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [E] d.d. 23 juli 2009, p. 45.

17 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [C] d.d. 17 april 2009, 9.30 uur, p. 108 en 13.00 uur, p. 113.

18 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [C] d.d. 17 april 2009, 13.30 uur, p.113.

19 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [C] d.d. 17 april 2009, 13.30 uur, p.113

20 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [C] d.d. 17 april 2009, 13.30 uur, p.114

21 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [C] d.d. 17 april 2009, 13.30 uur, p.114.

22Verklaring verdachte ter terechtzitting 2 en 3 februari 2010.

23 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [A] d.d. 14 juli 2008, p. 92

24 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [A] d.d. 14 juli 2008, p. 93

25 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [A] d.d. 14 juli 2008, p. 93

26 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [A] d.d. 14 juli 2008, p. 93

27 Proces-verbaal van verhoor getuige [A] bij de rechter-commissaris d.d. 5 oktober 2009, onder 18.

28 Zakendossier mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 14 juli 2008, p. 67.

29 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 14 juli 2008, p. 78

30 Proces-verbaal van verhoor getuige [B] bij de rechter-commissaris d.d. 5 oktober 2009, onder 4.

31 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 2 april 2009, p. 80

32 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 2 april 2009, p. 78.

33Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 2 april 2009, p. 79.

34 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 2 april 2009, p. 80

35 Proces-verbaal van verhoor getuige [B] bij de rechter-commissaris d.d. 5 oktober 2009, onder 5.

36 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [F] d.d. 15 juni 2009,

p. 24

37 Zakendossier Mensenhandel, verslag van het psychologisch onderzoek van [....], p. 29

38 Verdachte Dossier V / [verdachte], proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 maart 2009, p. 58.

39 Verdachte Dossier V/ [verdachte], proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 8 april 2009, 13.00 uur, p. 118-120

40 Verdachte Dossier V/[verdachte], proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 7 april 2009, 14.00 uur, p. 75/76

41 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [D] d.d. 22 juli 2009, p. 49.

42 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [D] d.d. 22 juli 2009, p. 49.

43 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [D] d.d.22 juli 2009, p. 50

44 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [E] d.d. 23 juli 2009, p. 43.

45 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [E] d.d. 23 juli 2009, p. 45.

46 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [C] d.d. 17 april 2009, p. 113-114

47 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 14 juli 2009, p. 67.

48 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 2 april 2009, p. 81.

49 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 14 juli 2009, p. 67.

50 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal verhoor getuige [B] d.d. 2 april 2009, p. 81.

51 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 2 april 2009, p. 81.

52 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [A] d.d. 14 juli 2009, p. 94.

53 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [A] d.d. 15 april 2009, p. 88.

54 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal verhoor getuige [A], p. 94.

55 Verdachte dossier V/ [verdachte], proces-verbaal van verhoor verdachte d.d.18 maart 2009, p 37 en proces-verbaal van verhoor [E] bij de rechter/commissaris d.d. 19 oktober 2009, onder 10 alsmede Verdachte dossier [medeverdachte W], proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 maart 2009, 09.42 uur, p 35/38

56 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor [E], d.d. 23 juli 2009, p. 43

57 Ten aanzien van [A]: Zakendossier mensenhandel, proces-verbaal van verhoor [F], d.d. 15 juni 2009 met als bijlage een verslag van een psychologisch onderzoek d.d 30 september 2008 van ontwikkelingspsychologe [.....], p 17 – 23; Ten aanzien van [B]: Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [F] d.d. 15 juni 2009, p. 24; Zakendossier Mensenhandel, verslag van het psychologisch onderzoek van [....], p. 29.

58 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [D] d.d. 22 juli 2009, p. 51.

59 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [D] d.d. 22 juli 2009, p. 49

60 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [D] d.d. 22 juli 2009, p. 49.

61 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [D] d.d. 23 juli 2009, p. 44.

62 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [E] d.d. 23 juli 2009, p. 44.

63 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [E] d.d. 23 juli 2009, p. 45.

64 Zakenddossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [E] d.d. 23 juli 2009, p. 44 e.v.

65 Zakendossier Mensenhandel, proces verbaal verhoor getuige [G] d.d. 12 oktober 2009, p. 57 e.v.

66 Zakendossier Mensenhandel, proces verbaal verhoor getuige [G] d.d. 12 oktober 2009, p. 57 e.v.

67 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [C] d.d. 17 april 2009, 13.30 uur, p. 114.

68 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 14 juli 2009, p. 66.

69 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 14 juli 2009, p. 67.

70 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 14 juli 2009, p. 69.

71 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 14 juli 2009, p. 69en d.d. 2 april 2009, p. 80.

72 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 14 juli 2009, p. 68.

73 Proces-verbaal van verhoor getuige [A] bij de rechter-commissaris d.d. 5 oktober 2009, onder 4.

74 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [A] d.d. 14 juli 2009, p. 88.

75 Zakendossier mensenhandel., proces-verbaal van verhoor getuige [A] d.d. 14 juli 2009, p. 88

76 Zakendossier mensenhandel., proces-verbaal van verhoor getuige [A] d.d. 14 juli 2009, p. 93.

77 Zakendossier mensenhandel., proces-verbaal van verhoor getuige [A] d.d. 14 juli 2009, p. 93-94.

78 Proces-verbaal van verhoor getuige [A] bij de rechter-commissaris d.d. 5 oktober 2009, onder 13.

79 Zakendossier mensenhandel., proces-verbaal van verhoor getuige [A] d.d. 14 juli 2009, p. 94.

80 Zaaksdossier – Marokko-ambtshandelingen, p. 109

81 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [A] d.d. 22 september 2008, p 98

82 Verdachte Dossier V/ [verdachte], proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 maart 2009, p. 57

83 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 2 en 3 februari 2010

84 Verdachte Dossier [medeverdachte Z], proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 10 december 2009, p.40-41