Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL4279

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
09/754017-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich gedurende een periode van enkele maanden samen met haar medeverdachten schuldig gemaakt aan het aanzetten van twee jonge meisjes (waarvan één minderjarig) tot het smokkelen van hasj vanuit Marokko naar Nederland. Daarbij werd de meisjes onder meer valselijk voorgehouden dat de risico’s verbonden aan die smokkel klein waren omdat de douane zou zijn omgekocht. Mede onder invloed van die misleiding hebben de meisjes met de smokkel van hasj ingestemd. Geen mensenhandel in de zin van art. 273f Sr. Vrijspraak van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten. Wettig en overtuigend bewezen het onder 2 primair ten laste gelegde feit: het medeplegen van opzettelijke uitlokking van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod door giften en/of beloften en/of misleiding en middelen en inlichtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/754017-09

Datum uitspraak: 17 februari 2010

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte - mevr. X],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

adres: [adres]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 1 juli 2009, alsmede 2 en 3 februari 2010.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.R.B. Mos en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. G.R. Stolk, advocaat te Rotterdam, en door verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2008 tot en met 14 juli 2008 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D] en/of [E] door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een of meerdere perso(o)n(en) te verkrijgen die zeggenschap over een ander of anderen heeft,

heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen,

met het oogmerk van uitbuiting van die [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D] en/of [E] en/of terwijl die [A] en/of [C] de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft/hebben bereikt en/of terwijl hij/zij (telkens) wist/wisten of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D] en/of [E] zich daardoor beschikbaar zouden stellen tot het verrichten van arbeid of diensten,

bestaande die uitbuiting en/of bestaande die/dat dwang, geweld of een andere feitelijkheid of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, afpersing, fraude, misleiding dan wel misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, misbruik van een kwetsbare positie of het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een of meerdere perso(o)n(en) te verkrijgen die zeggenschap over een ander of anderen heeft uit het

- benaderen van die [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D] en/of [E] met het verzoek verdovende middelen

vanuit Marokko naar Nederland te vervoeren, terwijl hij/zij wist(en) dat die [A] en/of [B] licht verstandelijk gehandicapt/verstandelijk beperkt

is/zijn en/of die [C] en/of [D] en/of [E]

zich in een problematische thuissituatie bevonden en/of

- betalen van (een) (retour)vliegticket(s) naar Marokko en/of (een)

hotelovernachting(en) in Marokko voor die [A] en/of [B]

en/of [C] en/of [D] en/of [E],

althans het verschaffen en/of regelen van onderdak in Marokko voor

die [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D]

en/of [E] en/of

- beloven van (een) geldbedrag(en) aan die [A] en/of [B] en/of [C] en/of

[D] en/of [E] voor het vervoer van verdovende middelen vanuit Marokko

naar Nederland en/of

- die [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D] en/of [E] meedelen dat beveiligingsmedewerkers op (een) luchthaven(s) waren omgekocht

waardoor het vervoer van verdovende middelen naar Nederland probleemloos zou verlopen

en/of

- betalen voor de aanschaf van een/de paspoort(en) van die [A] en/of [B] en/of

- overhandigen van (een) geldbedrag(en) aan die [A] en/of [B] en/of [C]

en/of [D] en/of [E] bij terugkeer in Nederland en/of na overhandiging

en/of in ontvangst neming van die verdovende middelen;

2.

[A] en/of [B] en/of [C] en/of [D] en/of [E] in of omstreeks de periode van 1 maart 2008 tot en met 14 juli 2008 te ’s-Gravenhage en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met elkaar en/of een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht, als bedoeld in

artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van

hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties

zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende

lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

welk bovenomschreven strafbaar feit verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, in of omstreeks de periode van 1 maart 2008 tot en met 14 juli 2008 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland door gift(en) en/of belofte(n) en/of misbruik van gezag en/of geweld en/of

bedreiging en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, te weten het

- betalen van (een) vliegticket(s) van en/of naar Marokko en/of (een)

hotelovernachting(en) in Marokko voor die [A] en/of [B] en/of

[C] en/of [D] en/of [E], althans het verschaffen

van onderdak in Marokko aan die [A] en/of [B] en/of [C]

en/of [D] en/of [E] en/of

- die [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D]

en/of [E] beloven van (een) geldbedrag(en) voor het vervoer

van verdovende middelen naar Nederland en/of

- die [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D]

en/of [E] meedelen dat beveiligingsmedewerkers op (een) luchthaven(s)

waren omgekocht waardoor het vervoer van die verdovende middelen naar Nederland

probleemloos zou verlopen en/of

- voor de aanschaf van een/de paspoort(en) van die [A] en/of [B] betalen en/of

- bij terugkeer in Nederland en/of na overhandiging van die verdovende

middelen (een) geldbedrag(en) aan die [A] en/of [B] en/of

[C] en/of [D] en/of [E] overhandigen,

opzettelijk heeft uitgelokt;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 maart 2008 tot en met 14 juli 2008 te ’s-Gravenhage en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2008 tot en met 11 juli 2008 te 's-Gravenhage en/of Wateringen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [A] en/of [B] door door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een of meerdere perso(o)n(en) te verkrijgen die zeggenschap over een ander of anderen heeft, heeft geworven, vervoerd,

overgebracht, gehuisvest of opgenomen,

met het oogmerk van uitbuiting van die [A] en/of [B] en/of terwijl die [A] de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt en/of terwijl hij/zij wist/wisten of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [A] en/of [B] zich daardoor beschikbaar zouden stellen tot het verrichten van arbeid of diensten,

bestaande die/dat dwang, geweld of een andere feitelijkheid of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, afpersing, fraude, misleiding dan wel misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, misbruik van een kwetsbare positie of het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een of meerdere perso(o)n(en) te verkrijgen die zeggenschap over een ander of anderen heeft en/of bestaande die/dat uitbuiting uit het

- (telefonisch) benaderen van die [A] en/of [B] en/of

- (vervolgens) die [A] en/of [B] vragen of zij bereid zou(den) zijn

naar Brazilië te gaan om verdovende middelen vanuit Brazilië naar Nederland

te vervoeren en/of

- (met die [A] en/of [B]) naar een reisbureau gaan en/of

- boeken en/of (aan)betalen van twee, althans een ticket(s) naar Brazilië voor die

[A] en/of [B].

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

Feiten 1 en 3

De verdenking komt er – kort en feitelijk weergegeven – op neer dat verdachte zich in de periode 1 maart 2008 - 14 juli 2008 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van uitbuiting van [A] (hierna: [A]), [B] (hierna: [B]), [C] (hierna: [C]), [D] (hierna: [D]) en [E] (hierna: [E]).

De uitbuiting bestond volgens de officier van justitie uit het werven van deze slachtoffers voor de drugssmokkel door misleiding dan wel door misbruik van hun kwetsbare positie. Dit terwijl verdachte – evenals haar medeverdachten – wist dat deze personen zich daardoor voor die smokkel van drugs beschikbaar zouden stellen. Volgens de officier van justitie was sprake van een ‘criminele vorm van uitbuiting’, te weten: het laten verrichten van drugssmokkel. De officier van justitie heeft in dit verband opgemerkt dat in het geval van feit 1 niet alleen door verdachte en haar medeverdachten is geworven, maar dat door de hiervoor bij naam genoemde slachtoffers daadwerkelijk een dienst (namelijk drugssmokkel) is verricht in de zin van artikel 273f lid 1 sub 4 van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr). In het geval van feit 3 is het bij werven gebleven, aldus de officier van justitie.

Volgens de officier van justitie zijn de slachtoffers misleid doordat aan hen is voorgehouden dat hen niets zou kunnen overkomen als ze in het buitenland zouden worden aangehouden omdat er een advocaat geregeld zou worden, dat de drugs in de koffers niet gevonden zouden worden doordat de koffers met een speciaal middel zouden zijn ingespoten en dat douanebeambten zouden zijn omgekocht. Dames die zich in betere persoonlijke omstandigheden zouden hebben bevonden, zouden niet gekomen zijn tot instemming met de drugssmokkel, gezien de grote persoonlijke risico’s die daarmee gelopen worden.

In verband hiermee heeft de officier van justitie nog opgemerkt dat voor een bewezenverklaring van de uitbuiting van [A] en [C] het gebruik van dwangmiddelen door verdachten, als genoemd in artikel 273f lid 1 sub 1 Sr niet is vereist, omdat [A] en [C] (destijds) minderjarig waren. Verdachten wisten ook van die minderjarigheid, aldus de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Feit 2

De verdenking komt er – kort en feitelijk weergegeven – op neer dat verdachte zich in de periode 1 maart 2008 - 14 juli 2008 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de uitlokking van de invoer van hasj. Subsidiair ziet de verdenking op het medeplegen van die invoer van hasj.

Volgens de officier van justitie zijn in de ten laste gelegde periode daadwerkelijk hoeveelheden hasj ingevoerd in Nederland. Tot deze conclusie komt de officier van justitie omdat betrokkenen er van uit gingen dat het hasj betrof. Verder omdat uit de verklaringen van de getuigen en de verdachten blijkt dat de slachtoffers daadwerkelijk zijn betaald voor de transporten. Voorts zijn [E] en [D] op 11 juli 2008 met een grote hoeveelheid hasj aangehouden in Marokko. Bovendien is steeds op eenzelfde wijze gehandeld door verdachten: de koffers met drugs zijn steeds vlak voor het vertrek aan de slachtoffers gegeven, die koffers zijn bij aankomst in Nederland direct van de slachtoffers overgenomen en vrijwel onmiddellijk na ontvangst van de koffers is steeds hetzelfde bedrag betaald. Ook heeft de officier van justitie gewezen op de mogelijke herkomst van hasj uit Marokko.

De officier van justitie meent dat de uitlokking heeft bestaan uit de belofte aan de slachtoffers dat ze veel geld zouden verdienen met de smokkel, dat voor hen vliegtickets en hotelovernachtingen zijn betaald alsook het eten is betaald, dat hen is verteld dat douanebeambten waren omgekocht en dat ze zouden worden vrijgekocht ingeval ze toch zouden worden aangehouden. Verder is voor [A] en [B] geld geregeld om een paspoort aan te schaffen en zijn zij na aankomst met de koffers in Nederland ook daadwerkelijk uitbetaald. Er is aldus sprake geweest van misleiding, giften, beloften en aan de slachtoffers is gelegenheid en middelen verschaft. Volgens de officier van justitie was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachten.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van de haar ten laste gelegde feiten.

Feiten 1 en 3

De raadsman van verdachte heeft – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat

geen sprake is van uitbuiting in de zin van artikel 273f Sr, nu niet kan worden gesproken van een moderne vorm van slavernij, op de strafbaarstelling waarvan dat artikel doelt. Overigens is niet gebleken dat verdachte iets van doen heeft met de ten laste gelegde feitelijke handelingen. Verder is niet gebleken van misleiding. Evenmin is sprake van misbruik van een kwetsbare positie ten aanzien van [B] en [A]. De woonsituatie waarin zij zich bevonden ([orthopedagogisch centrum]) brengt immers niet per definitie mee dat zij niet in staat waren rationele beslissingen te nemen.

Feit 2

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte slechts een passieve rol had bij de gesprekken, die hebben plaatsgevonden tussen verdachte, haar medeverdachten en de slachtoffers. Zij heeft de gesprekken slechts aangehoord. Voorts heeft verdachte geen aandeel gehad in de ten laste gelegde feitelijke handelingen. Er is voorts geen bewijs dat verdachte [B] en/of [A] met een uitlokkingsmiddel heeft aangezet of overgehaald om drugs te gaan smokkelen. Ook voor feit 2 subsidiair is onvoldoende bewijs voorhanden. Van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten is geen sprake. [B] en [A] hebben een eigen rationele afweging gemaakt om gemakkelijk en veilig geld te kunnen verdienen. Weliswaar had verdachte medeplichtigheid verweten kunnen worden, door het verschaffen van de inlichting aan [A] dat ze een drugsorganisatie kende en dat laatstgenoemde door toedoen van verdachte daarmee in contact is gekomen, maar dat is niet ten laste gelegd, aldus de raadsman.

Feit 1

3.3.1. Werven door dwangmiddelen?

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van mensenhandel als bedoeld in artikel 273f Sr, dient allereerst te worden vastgesteld of sprake is van handelen (werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen) door één of meer van de in artikel 273f, lid 1, sub 1 Sr genoemde dwangmiddelen.

Bij die beoordeling zal de rechtbank zich beperken tot de vraag of sprake is geweest van het werven door misleiding en/of misbruik van een kwetsbare positie, aangezien ter terechtzitting (en met name uit het bij requisitoir door de officier van justitie ingenomen standpunt) is gebleken dat de verdenking jegens verdachte specifiek op die gedraging en die twee dwangmiddelen ziet en ook de verdediging zich met name op die verdenking heeft gericht. Ook overigens is uit het dossier, noch uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat sprake zou zijn geweest van andere handelingen en dwangmiddelen.

Verder zal de rechtbank zich bij haar beoordeling – waar deze ziet op de dwangmiddelen – beperken tot [B], [D] en [E], aangezien de overige twee slachtoffers ([C] en [A]) ten tijde van de verweten gedragingen van verdachte minderjarig waren en bij minderjarige slachtoffers, gelet op het bepaalde in artikel 273f, lid 1, sub 2 Sr, de inzet van dwangmiddelen niet vereist is voor een eventuele bewezenverklaring van mensenhandel.

Voor het bewijs van door ‘misbruik’ handelen is toereikend dat de dader zich bewust moet zijn geweest van de kwetsbare positie van het slachtoffer, in die zin dat voorwaardelijk opzet ten aanzien van die kwetsbare positie bij de dader aanwezig moet zijn (HR 27 oktober 2009, LJN BI7097, r.o. 2.5.1).

Naar het oordeel van de rechtbank behoeft ingeval sprake is van tezamen en in vereniging handelen als bedoeld in artikel 47 Sr overigens niet bij elke dader sprake te zijn van deze bewustheid.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat in onvoldoende mate is gebleken dat verdachte betrokken is geweest bij de werving van [D], [E] en/of [C]. Buiten één verklaring van [E], waarin deze verklaart dat zij vaker wat ging drinken met onder meer [D], [medeverdachte Y], [medeverdachte W], [C] en verdachte,1 is niet gebleken (noch uit het dossier, noch uit het onderzoek ter terechtzitting) dat verdachte bij de bewuste gesprekken met [D], [E] en/of [C] betrokken is geweest of dat zij met die slachtoffers – anderszins – over drugssmokkel heeft gesproken.

Bij de beoordeling van de vraag of verdachte [B] en [A] heeft geworven en of zulks ten aanzien van [B] door misleiding en/of misbruik van een kwetsbare positie heeft plaatsgevonden, gaat de rechtbank uit van de hieronder genoemde feiten en omstandigheden.

- [A] heeft verklaard dat zij in maart of april 2008 van verdachte hoorde dat een vriendin van haar drugs smokkelde vanuit het buitenland naar Nederland, en dat verdachte dat zelf ook wilde gaan doen.2 Via verdachte heeft vervolgens een gesprek plaatsgevonden in het Novotel in Den Haag, waarbij [A], [B] en [medeverdachte Y] aanwezig waren. Verder werden [A] en [B] daarbij door verdachte voorgesteld aan [medeverdachte W] en [medeverdachte Z].3 [medeverdachte Y] deelde tijdens het bewuste gesprek onder meer mede dat [A] en [B] naar Marokko zouden gaan om hasj op te halen en dat er geen probleem was omdat de beveiligers op het vliegveld waren omgekocht.4 [A] heeft verklaard dat [B] en zij besloten om te gaan smokkelen omdat [medeverdachte Y] haar had verteld dat de beveiligers waren omgekocht.5 [A] heeft verder verklaard dat [medeverdachte Y] steeds – met uitzondering van de eerste ontmoeting – bij de gesprekken rond de drugssmokkel naar Marokko aanwezig is geweest.6

- [B] heeft verklaard dat zij en [A] in de periode 30/31 mei - 4 juni 2008 vanuit Marokko drugs hebben gesmokkeld.7 Ongeveer halverwege mei 2008 heeft in een cafeetje in de buurt van het stadhuis in Den Haag een gesprek plaatsgevonden tussen [B], [A], [medeverdachte Z], [medeverdachte W] en verdachte. Of [medeverdachte Y] daarbij ook aanwezig was, weet [B] niet.8 Dit gesprek was tot stand gekomen via verdachte, met wie [A] vanuit haar stage contact had.9 [B] heeft verder verklaard dat zij daarna vaker – ongeveer 20 keer – in het Novotel in Den Haag is geweest, dat daarbij meestal [medeverdachte Y] en verdachte aanwezig waren en dat [medeverdachte W] daarbij af en toe aanwezig was.10

Tijdens de gesprekken is gesproken over de smokkel van drugs. In die gesprekken hadden [A] en [B] de volgende vragen: ‘Wat moeten we meenemen?’, ‘Worden we niet opgepakt?’, ‘Wat moeten we doen als we opgepakt worden?’, ‘Gaan we met zijn tweeën of gaan we ook met andere mensen?’, ‘Hoe zit het met de beveiliging in Marokko en Schiphol?’11 Daarop hebben [medeverdachte W] en [medeverdachte Y] aan [B] en [A] onder meer verteld dat de beveiliging was omgekocht in Nador en Schiphol.12 Volgens [B] was zij aanvankelijk bang voor het risico dat aan de drugssmokkel verbonden was. Later was het geld en de gesprekken, waarin werd verteld dat zij en [B] weinig risico liepen om gepakt te worden, de reden om het toch te doen.13 Volgens [B] zijn het [medeverdachte W] en [medeverdachte Z] geweest die haar hebben overgehaald om de drugs te smokkelen en traden [medeverdachte Y] en verdachte op als contactpersonen.14

- [B] verbleef in de ten laste gelegde periode in orthopedagogisch centrum “[orthopedagogisch centrum]”. Volgens behandelingscoördinator [F] is [B] een meisje dat gemakkelijk beïnvloedbaar is.15 Blijkens het verslag van een psychologisch onderzoek van november 2006 functioneert [B] net op laagbegaafd niveau en heeft zij een relatief goed inzicht in zaken uit het dagelijkse sociale leven.16

- Verdachte heeft verklaard dat zij tegen de meiden (naar de rechtbank begrijpt: [B] en [A]) heeft gezegd dat je met een koeriersdienst veel geld kunt verdienen.17 Ook heeft verdachte verklaard dat “ze” (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte W] en [medeverdachte Z]) kwetsbare meisjes zochten, meisjes die vaak geen steun krijgen. [medeverdachte W] had aan verdachte nog gevraagd of zij geen meiden wist die drugstransporten wilde doen.18 Verder heeft verdachte verklaard dat zij wist dat [B] en [A] geld zouden krijgen via [medeverdachte Z] voor de drugssmokkel.19Ook heeft verdachte verklaard dat zij tegen [A] heeft gezegd “ze hebben alleen maar meisjes nodig en geen jongens omdat deze sneller gepakt worden”. Dit had verdachte een keer gehoord.20

- Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij [A] kende. [A] en verdachte waren samen de enige meisjes op het JTT (Jongeren Toezicht Team) – waar verdachte stage liep – en daarom gingen ze wel vaker met elkaar om. Volgens verdachte zou het kunnen dat [A] verdachte had gewezen op [B]. Verder heeft verdachte verklaard dat zij [A] en [B] eens in de binnenstad van Den Haag was tegengekomen, dat ze vervolgens naar een café zijn gegaan, waar ook [medeverdachte W] en [medeverdachte Z] waren. Volgens verdachte hebben [A] en [B] in dat café telefoonnummers uitgewisseld.21

Uit het vorenstaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte met anderen [B] en [A] heeft geworven voor het smokkelen van hasj. Dat verdachte deze slachtoffers heeft geworven leidt de rechtbank in het bijzonder af uit de omstandigheden dat verdachte bij meerdere gesprekken – in het bijzijn van één of meer van de medeverdachten [medeverdachte Z], [medeverdachte W] en [medeverdachte Y] – aanwezig was, en de betrokken slachtoffers tijdens die gesprekken zijn gewezen op de mogelijkheid om voor geld drugs te smokkelen, en waarbij de transporten en de werkwijze daarbij gedetailleerd aan de orde zijn gekomen.

Wat betreft het gebruik van het dwangmiddel misleiding van het meerderjarige slachtoffer [B], overweegt de rechtbank het volgende.

Tijdens de bewuste gesprekken is [B] door verdachte en anderen middels misleiding overgehaald om aan drugssmokkel deel te nemen. Bij de bespreking van de aan de smokkel verbonden risico’s is haar door verdachte en anderen immers onder meer voorgehouden dat de douane in Marokko en/of op Schiphol zou zijn omgekocht, terwijl uit het dossier - met name de verklaringen van de medeverdachten - en het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat dat daadwerkelijk zou zijn gebeurd.

Met betrekking tot de vraag of [B] zich in een kwetsbare positie bevond en verdachte zich hier van bewust was, overweegt de rechtbank het volgende.

[B] functioneert op net laagbegaafd niveau. In dit verband ziet de rechtbank geen aanleiding om de verklaring van [F] en het psychologisch onderzoek in twijfel te trekken. Naar het oordeel van de rechtbank was bij [B] sprake van een kwetsbare positie. Echter, uit het dossier noch uit het onderzoek ter terechtzitting komt naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate naar voren dat verdachte dan wel één of meerdere van haar medeverdachten van het functioneren op net laagbegaafd niveau– en derhalve van de kwetsbare positie van [B] – wisten.

Vorenstaande brengt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat verdachte met anderen [B] en [A] heeft geworven voor het verrichten van een dienst, te weten het smokkelen van hasj. Daarbij is [B] geworven door misleiding. Aldus kan ten aanzien van [B] gesproken worden van de de inzet van een dwangmiddel als bedoeld in artikel 273f, lid 1, onder 4 juncto 1 Sr.

3.3.2 (Oogmerk van) uitbuiting?

Blijkens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 9 december 2004, Stb. 645, waarbij artikel 273a (oud) Sr is ingevoerd, is mensenhandel (gericht op) uitbuiting. Bij de strafbaarstelling van mensenhandel staat het belang van het individu steeds voorop. Dat belang is het behoud van zijn of haar lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid. De staat dient strafrechtelijke bescherming te bieden tegen aantasting van het recht op die integriteit en vrijheid (Kamerstukken II, 2003/2004, 29.291, nr 3). Daarbij past ook de plaats van (thans) artikel 273f in titel XVIII in het Wetboek van Strafrecht (Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid).

Onder het brede bereik van mensenhandel vallen tevens moderne vormen van slavernij. Specifiek voor slavernij is volgens genoemde memorie van toelichting, de volledige zeggenschap van de ene mens over de andere.

Hoewel artikel 273f, lid 1, onder 4 Sr niet expliciet ‘uitbuiting’ noemt, dient hiervan naar het oordeel van de rechtbank wel sprake te zijn, zulks mede gezien de opsomming van een aantal vormen van uitbuiting in artikel 273f, lid 2 Sr.

Het bestanddeel (oogmerk van) uitbuiting is niet gedefinieerd, anders dan door de opsomming in het tweede lid van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder gedwongen of verplichte arbeid of diensten. Blijkens genoemde memorie van toelichting doelt – het huidige – artikel 273f Sr op een verscheidenheid aan moderne vormen van slavernij of met slavernij of dienstbaarheid te vergelijken praktijken. Daarbij kan volgens de memorie van toelichting worden gedacht aan tewerkstelling onder dwang of het maken van misbruik van een afhankelijke positie van een persoon die onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan in een toestand van uitbuiting te geraken. Als voorbeeld wordt genoemd een extreem lange werkweek tegen onevenredig lage betaling onder slechte werkomstandigheden (Kamerstukken II, 2003/2004, 29.291, nr 3).

Aan de totstandskomingsgeschiedenis van artikel 250a (oud) Sr, waaraan blijkens het arrest van de Hoge Raad van 27 oktober 2009, LJN: BI7097, r.o. 2.4, thans nog belang kan worden gehecht, kan nog worden ontleend dat gedragingen, bestaande uit het misbruik maken van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding, de wil beïnvloeden, waaronder begrepen de keuzemogelijkheid van het slachtoffer, in die zin dat zij leiden tot het ontbreken van vrijwilligheid waartoe ook behoort het ontbreken of de vermindering van de mogelijkheid een bewuste keuze te maken (Kamerstukken II, 1988/1989, 21.207, nr 3).

De vraag of – en zo ja, wanneer – sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van artikel 273f Sr is verder niet in algemene termen te beantwoorden, maar sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag kan onder meer betekenis toekomen aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen naar het oordeel van de Hoge Raad in het hierboven genoemde arrest de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd.

Voor beantwoording van de vraag of [A] en [B] zich in een uitbuitingssituatie bevonden en of bij verdachte sprake was van (het oogmerk) van uitbuiting, is naar het oordeel van de rechtbank van belang of de wil van de slachtoffers door de macht van verdachte (en haar mededaders) zodanig was beïnvloed dat zij voor het smokkelen van hasj van Marokko naar Nederland niet vrijwillig hebben gekozen, dan wel dat zij onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs geen andere keus hadden dan over te gaan tot die hasjssmokkel. De subjectieve beleving van de slachtoffers kan een rol spelen bij beantwoording van de vraag of zij zich aan de machtssfeer van verdachte en haar medeverdachten hadden kunnen onttrekken.

Met betrekking tot de vraag of daarvan in de onderhavige zaak sprake is, overweegt de rechtbank als volgt.

Naast de feiten en omstandigheden onder 3.3.1 vermeld gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten en omstandigheden:

- [B] heeft over de drugssmokkel vanuit Marokko verklaard dat het eerst een soort vakantie leek.22 Het verblijf in Marokko vond zij wel leuk.23 Zij en [A] kregen eten en drinken en gingen stappen. Toch vond [B] het wel eng, naarmate de dag dichterbij kwam dat zij met de koffer terug moesten.24 [B] vond het eng omdat ze bang was dat ze betrapt zou worden door de politie en omdat ze hasj ging smokkelen.25 [B] heeft over haar verblijf in Marokko verklaard dat zij en [A] de nacht vóór het vertrek naar Nederland in een gebouw werden gezet. Dit gebouw had tralies voor de ramen en een gat in de vloer als wc. [B] en [A] durfden niet naar buiten, waarbij [B] heeft opgemerkt: “Want stel je voor dat we gepakt zouden worden.”26

- [A] heeft verklaard dat zij en [B] tijdens hun verblijf in Marokko in het kader van de drugssmokkel, vier dagen vakantie hebben gevierd. Zij zijn naar het strand geweest en hebben volgens [A] ‘gewoon’ dingen gedaan als toeristen.27 Ook heeft [A] verklaard dat zij in Marokko in angst heeft gezeten en dat zij toen niet meer terug kon.28 Verder heeft [A] verklaard dat zij en [B] de dag vóór vertrek door de man die hen gedurende het hele verblijf in Marokko vergezelde in een huis in een ander dorp zijn ondergebracht, welk huis zij niet mochten verlaten.29

Voorop staat dat door verdachte en andere verdachten een maatschappelijk ongewenst geachte situatie in het leven is geroepen. De slachtoffers zijn immers door verdachte en andere verdachten geworven om een illegale dienst te verrichten, te weten het smokkelen van hasj vanuit Marokko naar Nederland, met een groot persoonlijk risico. Eveneens kan worden vastgesteld dat verdachte en andere verdachten bij het transport zodanig hebben gehandeld dat zij – in tegenstelling tot hun slachtoffers – buiten schot zouden blijven als het transport zou worden onderschept. De risico’s zijn derhalve geheel afgewenteld op deze slachtoffers.

Echter, hoe verwerpelijk het handelen van verdachte en andere verdachten ook is, op zichzelf brengt dit naar het oordeel van de rechtbank - anders dan de officier van justitie voor ogen staat - nog niet mee dat geconcludeerd kan worden dat sprake is van een uitbuitingssituatie in de zin van art. 273f Sr.

Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

[A] en [B] hebben diverse gesprekken met verdachte en/of haar medeverdachten gevoerd, waarbij uitvoerig is gesproken over de risico’s die zijn verbonden aan de drugssmokkel. Daarbij zijn door [A] en [B] de nodige vragen gesteld. [B] heeft verklaard dat zij pas na meerdere gesprekken is overgehaald, dit vanwege het geld en vanwege het feit dat men haar vertelde dat zij geen risico zou lopen. In aanmerking nemend dat deze meisjes een verstandelijke beperking30 hebben is naar het oordeel van de rechtbank echter niet gebleken dat de slachtoffers op dat moment redelijkerwijs het voorgestelde transport niet hebben kunnen weigeren. De rechtbank leidt uit het dossier af dat [B] en [A] de nacht voor de terugkeer naar Nederland in Marokko bang waren en dat [B] het gevoel had dat zij niet meer terug konden. Echter, die omstandigheden zijn in het licht van al het voorgaande onvoldoende om daaraan de conclusie te verbinden dat sprake was van een uitbuitingssituatie. Hiertoe overweegt de rechtbank dat die omstandigheden hun oorzaak vinden in het door [B] en [A] eerder genomen besluit om drugs te gaan smokkelen alsmede dat de bewuste reis naar Marokko door [B] en [A] achteraf als een ‘vakantie’ is getypeerd.

Dit leidt ertoe dat ten aanzien van [A] en [B] niet is gebleken dat sprake is van een inbreuk op enig fundamenteel recht. Van misbruik van een afhankelijke positie door verdachte en/of haar medeverdachten, waardoor [A] en [B], gezien hun beider verstandelijke beperking, die een rol speelt bij hun persoonlijke beleving van hun relatie tot verdachte en haar medeverdachten, redelijkerwijs geen andere keuze hadden dan in te stemmen en gevolg te geven aan de verzoeken van [medeverdachte Y], [medeverdachte Z] en/of [medeverdachte W], is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Derhalve is ook hier geen sprake van een uitbuitingssituatie en ontbreekt aldus het oogmerk van uitbuiting.

Gelet op het voorgaande dient verdachte te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit.

3.3.3 Feit 2

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank allereerst dat geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor betrokkenheid van verdachte bij uitlokking van [D], [E] en/of [C] dan wel het medeplegen daarvan .In zoverre dient verdachte te worden vrijgesproken. Wat betreft hetgeen onder 2 ten aanzien van [B] en [A] is ten laste gelegd, gaat de rechtbank - naast de feiten en omstandigheden onder 3.3.1. en 3.3.2 vermeld - uit van de volgende feiten en omstandigheden:

- [B] heeft verklaard dat haar en [A] tijdens de aan hun drugstransport voorafgaande gesprekken met [medeverdachte W], [medeverdachte Z] en [medeverdachte Y] geld was beloofd: [B] en [A] zouden € 4.000,- krijgen voor twee drugstransporten.31 Over de drugssmokkel vanuit Marokko werd [B] en [A] medegedeeld dat in de koffers die zij ieder vanuit Marokko mee moesten nemen, 5 of 6 kilo hasj zat en dat ze niet in deze koffers mochten kijken.32 Verder heeft [B] verklaard dat de paspoorten van haar en [A] werden betaald.33 [B] heeft verklaard dat ze rond de drugssmokkel voortdurend – een paar keer per week – contact had met de tussenpersoon van [medeverdachte W] en [medeverdachte Z], te weten [medeverdachte Y].34 [B] heeft verder verklaard dat zij en [A] na terugkomst ieder € 2.000,- voor de drugssmokkel kregen van [medeverdachte W]. Dit gebeurde direct nadat zij op Schiphol de koffers die zij in Marokko hadden gekregen, hadden afgegeven.35

- Ook [A] heeft verklaard dat zij en [B] € 2.000,- zouden krijgen voor de drugssmokkel36 en dat zij dit geld daadwerkelijk kregen na hun drugstransport vanuit Marokko.37 Dat kregen zij en [B] nadat zij de koffers hadden afgegeven. Tussen het moment van afgeven en het moment waarop het geld door [medeverdachte W] werd overhandigd, heeft [medeverdachte W] niet in de koffers gekeken.38 [A] heeft eveneens verklaard dat zij en [B] vóór dit transport geld kregen voor het aanvragen van een paspoort.39 Hun paspoorten hebben zij vervolgens afgegeven aan [medeverdachte W], [medeverdachte Z], [medeverdachte Y] of verdachte, waarmee de tickets naar Marokko zijn geboekt.40 Volgens [A] hadden Fella en [medeverdachte Z] deze tickets en regelden deze personen wanneer zij en [B] naar Marokko moesten gaan.41 [A] heeft verklaard dat zij en [B], eenmaal in Marokko, samen met [medeverdachte W] en een Marokkaanse man naar een hotel zijn gereden waar zij vervolgens verbleven.42

- In de (telefoon) agenda van [A] staat dat [medeverdachte Y] bij het HS staat om de simkaart te geven. Daarbij staat als datum (start) 30 mei 2008 en als tijdstip 12:00 uur.43 [A] heeft hierover verklaard dat zij op die dag naar Brussel gingen met de trein en dat het afgeven van de simkaart niet door ging omdat zij anders hun trein zouden missen. [medeverdachte Y] zou een sim-kaart geven voor Marokko zodat zij daar konden bellen.44

[medeverdachte Y] heeft verklaard zich niet te kunnen herinneren aan [A] een sim-kaart te hebben gegeven.45

[medeverdachte Z] heeft verklaard dat hij [A] en [B] kent. Één van deze twee heeft hij ontmoet in een café in het centrum van Den Haag.46

Gelet op alle voorgaande feiten en omstandigheden staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat in de periode eind mei/begin juni 2008 door [A] en [B] vanuit Marokko naar Nederland hasj is gesmokkeld. Het invoeren van hasj is een strafbaar feit, waarvoor de koeriers strafbaar zijn.

Met betrekking tot het aanzetten tot drugssmokkel en het gebruik van uitlokkingsmiddelen overweegt de rechtbank het volgende. Uit de hierboven weergegeven verklaringen van getuigen en verdachte blijkt dat verdachte voorafgaand aan voormelde drugstransporten meerdere gesprekken heeft gevoerd met de betrokkenen die deze transporten hebben uitgevoerd, waaraan verdachte heeft deelgenomen en waarmee die betrokkenen tot de drugstransporten zijn aangezet. Bij die gesprekken, waarbij zowel [medeverdachte Z], [medeverdachte W], [medeverdachte Y] en verdachte al dan niet afzonderlijk en in verschillende samenstellingen aanwezig waren, zijn [B] en [A] misleid door hen voor te houden dat de douane op Schiphol, danwel de douane in Marokko, zou zijn omgekocht. Bovendien is daarbij aan [B] en [A] geld beloofd, wat bij de geslaagde transporten ook daadwerkelijk aan de betrokkenen is uitbetaald. Verder werden voor hun tickets geregeld en werd aan [B] en [A] geld betaald voor het aanschaffen van hun paspoorten.

[medeverdachte Y] had voorts met [A] afgesproken een simkaart te geven om in Marokko te kunnen bellen. In dit verband overweegt de rechtbank dat zij geen aanleiding ziet in twijfel te trekken dat [A] met [medeverdachte Y] een afspraak had - naar de rechtbank begrijpt op station Hollands Spoor- om die simkaart in ontvangst te nemen.

Gelet op het evenoverwogene concludeert de rechtbank dat sprake is van aanzetten tot hasj smokkel en het gebruik van uitlokkingsmiddelen.

Voornoemde handelingen werden door verdachte, [medeverdachte Z], [medeverdachte Y] en [medeverdachte W] – afzonderlijk en/of in wisselende samenstelling – verricht en zij waren daarbij in ieder geval allen op enigerlei wijze betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook sprake van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachten.

Met betrekking tot het voor uitlokking vereiste opzet overweegt de rechtbank dat uit de aard van voornoemde gedragingen van verdachte volgt dat verdachte op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet had op de uitlokking en het uitgelokte delict (smokkel van hasj).

De rechtbank is – anders dan de raadsman van verdachte – van oordeel dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd. Immers, vorengenoemde handelingen werden door verdachte, [medeverdachte Z], [medeverdachte W] en [medeverdachte Y] in een bewuste en nauwe samenwerking verricht en zij waren daarbij in ieder geval allen op enigerlei wijze betrokken. Uit de voormelde verklaringen van verschillende betrokkenen blijkt dat verdachte daarbij als tussenpersoon in de relatie tussen [A] en [B] en haar medeverdachten optrad. Verder blijkt uit de voormelde verklaringen van verschillende betrokkenen dat het verdachte is geweest die [A] in contact heeft gebracht met de medeverdachten, waardoor ook [B] uiteindelijk bij de drugsmokkel betrokken is geraakt.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzettelijke uitlokking van het voornoemde drugstransport vanuit Marokko naar Nederland, dit door middel van giften en/of beloften, en/of misleiding en door het verschaffen van gelegenheid en middelen, evenals door middel van het geven van inlichtingen.

3.3.4 Feit 3

De rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting af dat [A] en [B] na hun reis naar Marokko zijn benaderd en zijn gevraagd om naar Brazilië te gaan om verdovende middelen te vervoeren. De overige aan verdachte ten laste gelegde feitelijke gedragingen hebben eveneens plaatsgevonden.

Deze gedragingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf, noch gezamenlijk, leiden tot het oordeel dat daarmee sprake is van het toepassen van dwangmiddelen en/of van een (oogmerk tot) uitbuiting, ook niet indien deze worden bezien in relatie tot de in het kader van feit 1 opgenomen overwegingen met betrekking tot de werving met behulp van de aldaar genoemde dwangmiddelen.Die feitelijke gedragingen leveren naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf, maar ook in onderlinge samenhang bezien ook anderszins geen strafba(a)r(e) feit(en) op.

Gelet hierop dient verdachte ook van dit feit te worden vrijgesproken.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

[A] en [B] in de periode van 1 maart 2008 tot en met 14 juli 2008 in Nederland tezamen en in vereniging met elkaar opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland hebben gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, welk bovenomschreven strafbaar feit verdachte, tezamen en in vereniging met haar mededaders, omstreeks de periode van 1 maart 2008 tot en met 14 juli 2008 te 's-Gravenhage door giften en/of beloften en/of misleiding en/of het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, te weten het

- betalen van vliegtickets van en naar Marokko en/of het verschaffen van onderdak in Marokko aan die D. [A] en [B]

en

- die D. [A] en [B] beloven van een geldbedrag voor het vervoer van verdovende middelen naar Nederland

en/of

- die [A] en [B] meedelen dat beveiligingsmedewerkers op (een) luchthaven(s) waren omgekocht waardoor het vervoer van die verdovende middelen naar Nederland probleemloos zou verlopen

en/of

- voor de aanschaf van de paspoorten van die [A] en [B] betalen

en

- bij terugkeer in Nederland een geldbedrag aan die D. [A] en [B] overhandigen,

opzettelijk heeft uitgelokt.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf/maatregel

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1, feit 2 primair en feit 3 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van de tijd die zij in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft er – kort en zakelijk weergegeven – op gewezen dat de rol van verdachte minimaal is geweest vergeleken met de rol van haar medeverdachten, alsmede dat zij niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. De raadsman meent dat een op te leggen gevangenisstraf, gelijk aan de tijd dat verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, daarmee in overeenstemming is.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van enkele maanden samen met haar medeverdachten schuldig gemaakt aan het aanzetten van twee jonge meisjes (waarvan één minderjarig) tot het smokkelen van hasj vanuit Marokko naar Nederland. Daarbij werd de meisjes onder meer valselijk voorgehouden dat de risico’s verbonden aan die smokkel klein waren omdat de douane zou zijn omgekocht. Mede onder invloed van die misleiding hebben de meisjes met de smokkel van hasj ingestemd.

De rechtbank rekent het verdachte zeer aan dat zij en haar medeverdachten dit drugstransport hebben gefaciliteerd, waarbij verdachte en haar medeverdachten geen enkel risico liepen, maar de meisjes des te meer. Verdachte en haar medeverdachten hebben zich daaraan kennelijk echter niets gelegen laten liggen.

Verdachte heeft door aldus te handelen illegale invoer van drugs bevorderd en daarmee tevens een bijdrage geleverd aan het op de markt brengen van die drugs.

Daarmee heeft verdachte de wettelijke normen ter bescherming van de volksgezondheid ernstig geschonden, nu hasj bij regelmatig gebruik schadelijk is voor de gebruikers.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het Uittreksel Justitiële documentatie van verdachte d.d. 1 februari 2010. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op een voorlichtingsrapportage van 17 juli 2009 van Reclassering Nederland, waarin wordt geconcludeerd dat een reclasseringstoezicht niet is geïndiceerd.

Gezien de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan, is de rechtbank van oordeel dat hierop in beginsel niet anders kan worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank rekent het verdachte zeer aan dat zij een bekende van haar in contact heeft gebracht met haar medeverdachten en daarmee (bewust) met drugssmokkel. Door het handelen van verdachte is uiteindelijk ook een tweede meisje, bij die smokkel betrokken geraakt. In tegenstelling tot haar medeverdachten is verdachte echter slechts bij één drugstransport betrokken geweest.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op de totale hoeveelheid getransporteerde hasj, bij de bepaling waarvan aansluiting is gezocht bij de in juli 2008 onderschepte hoeveelheid, waarbij de medeverdachten eveneens betrokken waren. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat de bij het transport van [B] en [A] vervoerde hoeveelheid hasj van een wezenlijk andere omvang was.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, na opheffing van haar voorlopige hechtenis op 2 juli 2009, niet opnieuw detentie moet ondergaan. In dit verband acht de rechtbank een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf, in combinatie met een werkstraf van maximale duur, passend en geboden.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 9, 22c, 22d, 47 van het Wetboek van Strafrecht;

- 3 en 11 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst II.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij gewijzigde dagvaarding onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij gewijzigde dagvaarding onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 2 primair:

het medeplegen van opzettelijke uitlokking van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod door giften en/of beloften en/of misleiding en middelen en inlichtingen;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 107 (honderd en zeven) DAGEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

veroordeelt verdachte voorts tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 240 (tweehonderdenveertig) UREN

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 120 (honderd en twintig) DAGEN.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. M. van Paridon, voorzitter,

I.K. Spros en R. Brand, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.A. Lensink, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2010.

1 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [E] d.d. 23 juli 2009, p. 43.

2 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [A] d.d. 14 juli 2008, p. 92

3 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [A] d.d. 14 juli 2008, p. 93

4 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [A] d.d. 14 juli 2008, p. 93

5 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [A] d.d. 14 juli 2008, p. 93

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [A] bij de rechter-commissaris d.d. 5 oktober 2009, onder 18.

7 Zakendossier mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 14 juli 2008, p. 67.

8 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 14 juli 2008, p. 78

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [B] bij de rechter-commissaris d.d. 5 oktober 2009, onder 4.

10 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 2 april 2009, p. 80

11 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 2 april 2009, p. 78.

12Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 2 april 2009, p. 79.

13 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 2 april 2009, p. 80

14 Proces-verbaal van verhoor getuige [B] bij de rechter-commissaris d.d. 5 oktober 2009, onder 5.

15 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [F] d.d. 15 juni 2009,

p. 24

16 Zakendossier Mensenhandel, verslag van het psychologisch onderzoek van [...], p. 29

17 Verdachte dossier [verdachte], proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 maart 2009, 9.45 uur, p. 30

18 Verdachte dossier [verdachte], proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 18 maart 2009, p.42

19 Verdachte dossier [verdachte], proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 25 maart 2009, p. 54

20 Verdachte dossier [verdachte], proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 23 april 2009, p.63

21 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 2 en 3 februari 2010.

22 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 14 juli 2009, p. 67.

23 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 2 april 2009, p. 81.

24 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 14 juli 2009, p. 67.

25 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal verhoor getuige [B] d.d. 2 april 2009, p. 81.

26 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 2 april 2009, p. 81.

27 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [A] d.d. 14 juli 2009, p. 94.

28 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [A] d.d. 15 april 2009, p. 88.

29 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal verhoor getuige [A], p. 94.

30 Ten aanzien van [A]: Zakendossier mensenhandel, proces-verbaal van verhoor [F], d.d. 15 juni 2009 met als bijlage een verslag van een psychologisch onderzoek d.d 30 september 2008 van ontwikkelingspsychologe [.....], p 17 – 23; ten aanzien van [B]: Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [F] d.d. 15 juni 2009, p. 24; Zakendossier Mensenhandel, verslag van het psychologisch onderzoek van [...], p. 29.

31 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 14 juli 2009, p. 66.

32 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 14 juli 2009, p. 67.

33 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 14 juli 2009, p. 69.

34 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 14 juli 2009, p. 69en d.d. 2 april 2009, p. 80.

35 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 14 juli 2009, p. 68.

36 Proces-verbaal van verhoor getuige [A] bij de rechter-commissaris d.d. 5 oktober 2009, onder 4.

37 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [A] d.d. 14 juli 2009, p. 88.

38 Zakendossier mensenhandel., proces-verbaal van verhoor getuige [A] d.d. 14 juli 2009, p. 88

39 Zakendossier mensenhandel., proces-verbaal van verhoor getuige [A] d.d. 14 juli 2009, p. 93.

40 Zakendossier mensenhandel., proces-verbaal van verhoor getuige [A] d.d. 14 juli 2009, p. 93-94.

41 Proces-verbaal van verhoor getuige [A] bij de rechter-commissaris d.d. 5 oktober 2009, onder 13.

42 Zakendossier mensenhandel., proces-verbaal van verhoor getuige [A] d.d. 14 juli 2009, p. 94.

43 Zaaksdossier – Marokko-ambtshandelingen, p. 109

44 Zakendossier Mensenhandel, proces-verbaal van verhoor getuige [A] d.d. 22 september 2008, p 98

45 Verdachte Dossier V/ [medeverdachte Y], proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 maart 2009, p. 57

46 Verdachte Dossier [medeverdachte Z], proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 10 december 2009, p.40-41