Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL4212

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-02-2010
Datum publicatie
15-03-2010
Zaaknummer
09/920350-09 en 09/930367-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een benzinestation, de voorbereiding van een - waarschijnlijk gewapende - overval op een juwelier, verboden wapenbezit en verduistering van een tweetal paspoorten.

Jeugdstrafrecht. Promis. Medeplegen voorbereiding en vrijwiliige terugtred.

Jeugdetentie 14 maanden waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Bijzonder voorwaarde: Toezicht William Schrikker Groep/Jeugdreclassering.

Toewijzing benadeelde partij.

Zie ook LJN BL4191

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers 09/920350-09; 09/930367-09

Datum uitspraak: 11 februari 2010

(promis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte

[naam verdachte],

geboren op [geboortedatum] in 1991 te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),

adres: [adres]

thans preventief gedetineerd in Rijksinrichting [naam], Locatie [naam].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 28 januari 2010.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. Y.W.G. Verschuren, advocaat te 's-Gravenhage, is verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten aanzien van parketnummer 09/920350-09 ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 10 september 2009 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag (van

ongeveer 147 euro) en/of een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan [bedrijf A] (gevestigd aan de [adres]) en/of [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd

van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om

bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het tonen van

een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of met dat

vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, richten op die [slachtoffer 1] en/of roepen dat hij/zij geld/sigaretten wilde(n) hebben;

EN/OF

hij op of omstreeks 10 september 2009 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, oogmerk om

zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of

bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [bedrijf A] (gevestigd aan de [adres])

heeft gedwongen tot de afgifte van (een groot aantal pakjes) sigaretten, in

elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [bedrijf A], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld bestond(en) uit het tonen van een vuurwapen, althans een

op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of met dat vuurwapen, althans een op

een vuurwapen gelijkend voorwerp richten, op die [slachtoffer 1] en/of roepen dat

hij/zij geld/sigaretten wilde(n) hebben;

Artikel 317 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in de periode van 16 september 2009 tot en met 18 september 2009 te

's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, ter voorbereiding van het met anderen of een ander te plegen misdrijf

waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of

meer is gesteld, te weten diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld

en/of afpersing, althans een met anderen of een ander te plegen misdrijf

waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of

meer is gesteld, opzettelijk een vuurwapen, althans een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp, en/of een bivakmuts, kennelijk bestemd tot het in

vereniging begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of vervaardigd en/of

ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

art 46 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 18 september 2009 te Nootdorp, gemeente

Pijnacker-Nootdorp, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, te weten een

omgebouwd alarm/gaspistool (ME Sportwaffen .315 Knal), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

4.

hij op of omstreeks 18 september 2009 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp,

opzettelijk een rijbewijs, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, welk goed verdachte anders dan door misdrijf (door vondst) onder

zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

en ten aanzien van parketnummer 09/930367-09 dat

(doorgenummerd) (5).

hij in of omstreeks de periode van 09 mei 2009 tot en met 06 juni 2009 te

's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, een rijbewijs ten name van

[slachtoffer 3] heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen,

terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van

bovengenoemd rijbewijs wist, althans redelijkerijs had moeten vermoeden,

dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 417bis Wetboek van Strafrecht

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 09 mei 2009 tot en met 06 juni 2009 te

's-Gravenhage opzettelijk een rijbewijs ten name van [slachtoffer 3], in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders

dan door misdrijf, te weten als vinder, onder zich had, wederrechtelijk zich

heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een gewapende overval op een benzinestation, een voorbereiding van een overval op een juwelier en/of pizzakoerier, verboden wapenbezit en tweemaal de verduistering van een rijbewijs.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de feiten 1, eerste en tweede alternatief/cumulatief, 2, 3, 4 en 5 subsidiair heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Het standpunt van de verdediging komt er op neer dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 2 en feit 5 primair.

De verdachte en diens raadsvrouw hebben ten aanzien van feit 2, de voorbereiding van een overval, betoogd dat er van enige voorbereiding geen sprake is geweest. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte en diens medeverdachte weliswaar over de telefoon gesproken hebben over een overval, maar dat daarbij niets concreets is besproken, en dat het ontbreken van de intentie om een overval te plegen blijkt uit het feit dat de verdachte in zijn bed lag op het moment dat volgens de telefoongesprekken de overval op de juwelier plaats zou moeten vinden. De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat de verdachte weliswaar een vuurwapen voorhanden had, maar dat hij niet de bedoeling heeft gehad om met dit wapen een overval te plegen, maar dat het slechts ter bescherming diende.

Ten aanzien van feit 5 primair heeft de raadsvrouw betoogd dat de verdachte niet wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door hem gevonden rijbewijs van misdrijf afkomstig was, zodat van heling geen sprake kan zijn.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 het volgende af. (1)

Op 10 september 2009 is het [bedrijf A] benzinestation aan de [adres] in Nootdorp door twee jongens overvallen. De daders hebben daarbij een vuurwapen gebruikt dat zij gericht hebben op de medewerkster, mevrouw [slachtoffer 1]. Eén van de jongens heeft geroepen dat hij geld en sigaretten wilde, terwijl de ander het vuurwapen vasthield. De daders hebben een bedrag van ongeveer 165 euro uit de kassa gepakt, ze hebben die [slachtoffer 1] gedwongen tot afgifte van een groot aantal pakjes sigaretten en zij hebben ten slotte de mobiele telefoon van die [slachtoffer 1] weggenomen.(2)

Een getuige heeft de daders van deze overval zien wegrennen in de richting van zorginstelling [naam].(3) Kort daarna hebben twee getuigen twee jongens opvallend zien rennen op het terrein van deze zorginstelling naar een rode auto met het kenteken [nummer].(4)(5)

De rode auto met het kenteken [nummer] bleek op naam te staan van [betrokkene A].(6)

Zowel op de telefoon van de eigenaar van de rode auto, [betrokkene A], (7) als op de weggenomen telefoon van [slachtoffer 1] (IMEI-nummer [nummer])(8)(9) is een tap geplaatst.

Een beller met de naam [betrokkene B] heeft de gebelde op het telefoonnummer [nummer] [medeverdachte] genoemd. (10) De telefoon met dit nummer bleek in gebruik te zijn bij de [medeverdachte].

Een onbekende beller heeft de gebelde op het nummer [nummer] (in een gesprek over een pistool) [verdachte] genoemd. (11) De telefoon met dit nummer bleek in gebruik te zijn bij de verdachte [naam verdachte].

In de gesprekken tussen de [medeverdachte] en de verdachte is gesproken over het overvallen van een juwelier en een pizzakoerier. Op 17 september 2009 is er uitgebeld door de verdachte met [medeverdachte] en tijdens dit gesprek hebben zij gesproken over "die dingens toch juwelier", "dan moet je wel om half negen bij mij zijn", "o voor morgen te gaan chequen", "om te dingen".(12)

Op 17 september 2009 heeft de verdachte een sms gestuurd met de tekst "Maar wanneer komt die man die pistool halen." (13) En kort daarna een sms met de tekst "Ik ben nu bijna bij Leiden ik ga met [betrokkene D] kogels halen ik kom je om 12 uur om die ov te doen" (14) en kort daarna een sms met de tekst "we hebben die nodig voor die ov."

Vervolgens heeft [medeverdachte] op 18 september 2009, vanaf 05.30 uur tot en met 11.20 uur vele malen geprobeerd de verdachte telefonisch te bereiken, overigens tevergeefs. (15)

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat met "ov" een overval werd bedoeld. (16)

Op 18 september 2009 heeft de politie vervolgens de woning waar de verdachte verbleef, doorzocht. Bij deze doorzoeking zijn onder meer een bivakmuts en een vuurwapen in beslag genomen. (17)

Het in beslag genomen wapen betrof een omgebouwd alarm/gaspistool, merk ME, kaliber .315 Knal. Dit wapen betrof een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3e, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III sub 1 van de Wet wapens en munitie. (18)

Zowel de verdachte als de [medeverdachte] heeft bekend zich schuldig te hebben gemaakt aan het plegen van de overval op het [bedrijf A] benzinestation.(19)(20)

De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1, eerste en tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdachte verklaard dat hij en [medeverdachte] het plan hadden om een juwelier te overvallen (21), maar dat dit plan nog geen vastere vormen had aangenomen. Zij waren van plan om de overval te plegen in de ochtend van 18 september 2009, maar dit is niet gebeurd. De verdachte heeft verklaard dat ze niet meer van plan waren om het te doen. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat de bivakmuts en het vuurwapen niet bedoeld waren voor de overval; het vuurwapen zou dienen ter bescherming van de verdachte op het moment dat hij veel geld zou hebben. De overval zou gepleegd worden zonder wapen.

De rechtbank is van oordeel dat er, gelet op het bovenstaande, in elk geval op enig moment sprake was van een plan om een juwelier te overvallen. De rechtbank acht de lezing van de verdachte dat het in de woning van de verdachte aangetroffen vuurwapen niet gebruikt zou worden bij de overval, mede gelet op de wijze waarop de [bedrijf A] kort daarvoor door de verdachte en zijn mededader was overvallen, onaannemelijk. Dat de verdachte daarnaast een wapen nodig dacht te hebben voor het geval dat hij veel geld zou hebben (na de overval op de juwelier), sterkt de rechtbank in haar overtuiging dat de verdachte en zijn mededader een overval op de juwelier hadden voorbereid.

De overval was gepland op 18 september 2009 in de ochtend. Uit het dossier komt niet duidelijk naar voren waarom de overval niet is gepleegd.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of er sprake is geweest van vrijwillige terugtred, waarbij vastgesteld moet worden dat het misdrijf niet is voltooid tengevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk.

De Hoge Raad heeft hierover bij arrest van 12 april 2005, LJN AS6095 bepaald dat er controleerbare feiten moeten zijn aangevoerd die moeten leiden tot de conclusie dat het misdrijf niet is voltooid tengevolge van omstandigheden van de wil van de verdachte afhankelijk. Nu van het aanvoeren van controleerbare feiten in het onderhavige geval geen sprake is, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is geweest van vrijwillige terugtred.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde.

De verdachte heeft het derde ten laste gelegde feit bekend. (22)

De rechtbank is, gelet daarop en op hetgeen hierboven is omschreven, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank voorts ten aanzien van feit 4 het volgende af. (23)

Op zondag 28 juni 2009 is aangeefster [slachtoffer 2] beroofd van haar tas met daarin een op haar naam gesteld rijbewijs.(24)

Het rijbewijs op naam van deze [slachtoffer 2] is op 18 september 2009 aangetroffen tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte. (25)

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het rijbewijs had gevonden en bij zich heeft gehouden. (26)

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank ten slotte ten aanzien van feit 5 (doorgenummerd) het volgende af. (27)

De verdachte is op 6 juni 2009 in Den Haag aangehouden nadat hij en een ander op een scooter reden en werden achtervolgd door de politie. (28) Bij de insluitingsfouillering op 6 juni 2009 werd bij de verdachte een rijbewijs op naam van [slachtoffer 3] aangetroffen.(29)

Daarna bleek dat [slachtoffer 3] aangifte had gedaan van diefstal van zijn tas met daarin onder meer zijn rijbewijs, uit zijn auto, op 9 mei 2009 in Den Haag. (30)

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij het rijbewijs had gevonden. (31)

Niet vast is komen te staan dat de verdachte wist of had moeten vermoeden dat het rijbewijs van een misdrijf afkomstig was, zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 5 primair ten laste gelegde.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het bovenstaande, wel wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 5 subsidiair ten laste gelegde verduistering.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:

1.

op 10 september 2009 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag en een mobiele telefoon toebehorende aan [bedrijf A] (gevestigd aan de [adres]) en [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld bestond uit het tonen van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en met dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, richten op die [slachtoffer 1] en roepen dat zij geld/sigaretten wilden hebben;

EN/OF

op 10 september 2009 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door

bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een groot aantal pakjes sigaretten toebehorende aan [bedrijf A], welke bedreiging met geweld bestond uit het tonen van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en met dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp richten op die [slachtoffer 1] en roepen dat zij geld/sigaretten wilden hebben;

2.

in de periode van 16 september 2009 tot en met 18 september 2009 te

's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander, ter voorbereiding van het met een ander te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld

en/of afpersing, opzettelijk een vuurwapen en een bivakmuts, kennelijk bestemd tot het in

vereniging begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden gehad;

3.

op 18 september 2009 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp een wapen van categorie III, te weten een omgebouwd alarm/gaspistool (ME Sportwaffen .315 Knal), voorhanden heeft gehad;

4.

op 18 september 2009 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp, opzettelijk een rijbewijs,

toebehorende aan [slachtoffer 2], welk goed verdachte anders dan door misdrijf (door vondst) onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

5. (doorgenummerd) subsidiair

in de periode van 09 mei 2009 tot en met 06 juni 2009 te 's-Gravenhage opzettelijk een rijbewijs ten name van [slachtoffer 3], toebehorende aan [slachtoffer 3], welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten als vinder, onder zich had, wederrechtelijk zich

heeft toegeëigend.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf/maatregel

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding met parketnummer 09/930367-09 (doorgenummerd 5.) primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken en dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding met parketnummer 09/920350-09 onder 1, eerste en tweede alternatief/cumulatief, 2, 3, 4 en het hem bij dagvaarding met parketnummer 09/930367-09 (doorgenummerd 5.) subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 14 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de William Schrikker Groep, ook als dit ITB Harde Kern gedurende de eerste zes maanden en behandeling bij Het Palmhuis of De Waag inhoudt.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geconcludeerd tot vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde feit.

Voorts heeft zij een straf gelijk aan het voorarrest en daarnaast oplegging van ITB harde Kern bepleit.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een benzinestation, de voorbereiding van een - waarschijnlijk gewapende - overval op een juwelier, verboden wapenbezit en verduistering van een tweetal paspoorten.

Met name de overval en de voorbereiding van een volgende overval rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.

Overvallen en dan zeker gewapende overvallen zorgen niet alleen voor veel onrust in de maatschappij, maar brengen ook grote nadelige gevolgen voor de slachtoffers ervan met zich mee. Uit de ter terechtzitting door de voorzitter voorgelezen slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] blijkt hoe groot de impact van een dergelijk feit is en dat zij onder meer schrikkerig, wantrouwend en achterdochtig is geworden door de overval.

De verdachte heeft door te handelen zoals bewezen verklaard ervan blijk gegeven geen enkele rekening te houden met de gevoelens van het slachtoffer en met mogelijke volgende slachtoffers. Hij heeft steeds alleen rekening gehouden met zijn eigen financiële gewin. Hij wilde er rijk van worden, hij dacht veel geld te gaan hebben, zoveel zelfs dat hij een wapen nodig dacht te hebben om zichzelf te beschermen.

Het verboden wapenbezit is daarnaast een buitengewoon vervelend feit. Wapens brengen immers de veiligheid van een ieder in gevaar. De verdachte heeft daarmee geen rekening gehouden bij de aanschaf en het onder zijn matras verbergen van het wapen.

De verduistering van twee rijbewijzen ten slotte is een vervelend feit. Door de rijbewijzen onder zich te houden heeft de verdachte miskend dat het verlies van een rijbewijs voor de betrokkenen veel nadelen met zich meebrengt, zoals het doen van aangifte van vermissing, het aanvragen van een nieuw rijbewijs en alle kosten die daarmee gepaard gaan.

Vast is komen te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister in het verleden niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Pro Justitia rapport van mw. drs. H. van der Lugt, kinder- en jeugdpsychiater, d.d. 2 januari 2010 van het psychiatrisch onderzoek, onder meer inhoudend, verkort en zakelijk weergegeven:

De verdachte is lijdende aan een gedragsstoornis NAO, heeft een achterstand in zijn emotionele ontwikkeling, functioneert op zwakbegaafd niveau en er is sprake van een dreigende persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale trekken. Het maakt dat de verdachte onvoldoende zicht heeft op eigen handelen, sociale regels en normen overtreedt, zonder rekening te houden met de belangen van anderen, zich nauwelijks verantwoordelijk voelt, ook niet achteraf, voor daden als spijbelen, vernieling, diefstal, bedreiging en geweldpleging.

De genoemde gedragsstoornis en gebrekkige emotionele ontwikkeling van de verdachte beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde zodanig dat het mede daaruit verklaard kan worden. De verdachte is onvoldoende in staat zijn gedrag en handelen te evalueren, af te stemmen op de situatie en daaruit te leren.

De verdachte kan vragen van anderen onvoldoende beoordelen wat betreft inhoud, het belang van zichzelf en de ander, de manier waarop en waartoe hij wordt ingezet, alsmede de gevolgen en consequenties ervan. In die zin is hij gemakkelijk over te halen en in te zetten door derden.

Als het ten laste gelegde wordt bewezen heeft de verdachte nauwelijks de tijd genomen tot enige overdenking en is vrij impulsief te werk gegaan. Hij is niet in staat zich te verplaatsen in de gevoelens van anderen. Schuld- en schaamtegevoelens ontbreken. Daarbij komt nog het gebrek aan zelfinzicht en het zich afsluiten van de werkelijkheid. De verdachte mist een innerlijke structuur en is daarin aangewezen op anderen, te weten volwassenen. De kans op recidive is daarom groot.

De combinatie van de gedragsstoornis, het beperkt functioneren op cognitief en emotioneel niveau en het beperkte zicht en aansturing door de opvoeders versterken elkaar in negatieve zin.

Ter preventie van recidive en ter bevordering van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte dient hij te worden behandeld door het Palmhuis of de Waag. Belangrijk daarbij is dat hij zicht krijgt op eigen handelen, de manier waarop hij keuzes maakt en zijn emotionele inbedding. Dat kan best in groepsverband met gelijkgestemden, qua cognitieve vermogens.

Als juridisch kader wordt geadviseerd een maximaal voorwaardelijke straf met een verplicht reclasseringscontact voor de maximale duur om de behandeling veilig te stellen. Overwogen kan worden de begeleiding te laten uitvoeren door de William Schrikker Groep.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Pro Justitia rapport van drs. G.G. van der Haagen, psycholoog, d.d. 4 januari 2010 van het psychologisch onderzoek, onder meer inhoudend, verkort en zakelijk weergegeven:

Er is bij de verdachte sprake van zwakbegaafdheid en een achterstand in zijn sociaal emotionele ontwikkeling, terwijl een gedragspatroon waarbij de grondrechten van anderen of belangrijke bij de leeftijd behorende sociale normen of regels worden overtreden zoals betrokkenheid bij diefstal en geweldpleging, vernieling en spijbelen, naast geen verantwoordelijkheid nemen voor zijn gedrag past bij de diagnose gedragsstoornis NAO.

De gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens is van invloed geweest op de gedragskeuzes c.q. de gedragingen van de verdachte zodanig dat het ten laste gelegde mede daaruit verklaard kan worden. Hij had door zijn gebrekkige ontwikkeling onvoldoende gedragsalternatieven om anders te handelen.

De verdachte is een structuurbehoeftige jongen die redelijk functioneert zolang hem voldoende aansturing en structuur wordt geboden. Mist hij die aansturing en structuur bijvoorbeeld buiten de thuissituatie en buiten de lessituatie, dan kan deze beperkte jongen gemakkelijk ten prooi vallen aan negatieve invloeden vanuit een groep. De discrepantie tussen aan de ene kant zijn zwakbegaafdheid en aan de andere kant zijn behoefte om bij een groep te willen horen, kan de verhoogde spanningsbehoefte verklaren van waaruit hij datgene wat hem ten laste is gelegd heeft uitgevoerd. Geadviseerd wordt om de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Het niet hebben van voldoende aansturing en structuur in de thuissituatie, op school en daarbuiten, kan bij deze jongen gemakkelijk ertoe leiden dat hij gaat afglijden met als gevolg dat hij in herhaling treedt. Daarnaast is hij vanwege zijn zwakbegaafdheid onvoldoende in staat de gevolgen van zijn gedrag te overzien.

De gezinsconstellatie roept vragen op. Stiefmoeder en vader die in de opvoeding niet met elkaar helder communiceren over het gedrag van de verdachte, het gebrek aan inzicht van de ouders op de sociale contacten van de verdachte, meer specifiek de groep van personen waar hij deel van uitmaakte.

Er is sprake van een direct verband tussen de beperkingen op zowel cognitief als sociaal emotioneel gebied en de gedragsstoornis enerzijds en het gebrek aan aansturing van het gezin van oorsprong anderzijds.

Geadviseerd wordt een deels voorwaardelijke, deels onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen overeenkomstig de ernst van de feiten. Naast intensieve trajectbegeleiding (ITB plus) door de jeugdreclassering (of mogelijk de William Schrikker Groep) is voor effect op langere termijn behandeling in een groep afgestemd op zijn cognitieve vermogens van belang. De verdachte is het meest gebaat bij 24-uurs begeleiding en toezicht en een zeer duidelijke structuur met steunende en duidelijke volwassenen om hem heen. Een beschermende woonvorm is gewenst. Daarnaast wordt gedacht aan ambulante behandeling bijvoorbeeld vanuit de Waag.

De rechtbank neemt de conclusie ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte over uit het rapport van drs. G.G. van der Haagen en zal de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar achten.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, d.d. 21 januari 2010, waarin geadviseerd wordt aan de verdachte op te leggen een voorwaardelijke detentiestraf met als bijzondere voorwaarden het houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering van de William Schrikker Groep, waarvan de eerste zes maanden uitgevoerd door ITB Harde Kern, ook als dat inhoudt het volgen van behandeling bij Het Palmhuis of De Waag.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het rapport van de William Schrikker Jeugdreclassering, d.d. 21 januari 2010.

Ter terechtzitting heeft de William Schrikker Groep bij monde van mevrouw Ultee aangegeven achter het advies van de Raad voor de Kinderbescherming te staan.

De rechtbank is gelet op al het bovenstaande van oordeel dat een deels voorwaardelijke detentiestraf van na te melden duur en met na te melden bijzondere voorwaarden passend en geboden is. Het voorwaardelijke deel van de straf dient de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan strafbare feiten.

7. De vordering van de benadeelde partij.

[slachtoffer 1] heeft zich ten aanzien van parketnummer 09/920350-09, feit 1, eerste en tweede alternatief/cumulatief, als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.680,00.

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot het bedrag van € 1.680,00, hoofdelijk en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangegeven de vordering benadeelde partij niet te betwisten.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de vordering van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De vordering is door de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1, eerste en tweede alternatief/cumulatief bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 1.680,00.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1, eerste en tweede alternatief/cumulatief bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.680,00, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1].

Toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

36f, 46, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 310, 312, 317, 321 van het Wetboek van Strafrecht;

de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem bij - gewijzigde - dagvaarding onder 5. (doorgenummerd) primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1, eerste en tweede alternatief/cumulatief, 2, 3, 4 en 5 subsidiair ten laste gelegde feiten, zoals hierboven omschreven, heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

1, eerste alternatief/cumulatief

DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN EN VERGEZELD VAN BEDREIGING MET GEWELD, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN;

1, tweede alternatief/cumulatief

MEDEPLEGEN VAN AFPERSING;

2

MEDEPLEGEN VAN VOORBEREIDING VAN MEDEPLEGEN VAN AFPERSING EN/OF DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN OF VERGEZELD OF GEVOLGD VAN GEWELD OF BEDREIGING MET GEWELD, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN OF GEMAKKELIJK TE MAKEN OF OP, BIJ BETRAPPING OP HETERDAAD, AAN ZICHZELF OF ANDERE DEELNEMERS AAN HET MISDRIJF HETZIJ DE VLUCHT MOGELIJK TE MAKEN, HETZIJ HET BEZIT VAN HET GESTOLENE TE VERZEKEREN;

3

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE EN HET FEIT BEGAAN MET BETREKKING TOT EEN VUURWAPEN VAN CATEGORIE III;

4, 5 (doorgenummerd)

VERDUISTERING, MEERMALEN GEPLEEGD;

verklaart het bewezene en de verdachte te dier zake strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 14 maanden

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 7 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

onder de bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de William Schrikker Groep/Jeugdreclassering namens de Stichting Bureau Jeugdzorg, zolang die instelling zulks nodig acht, ook als dit inhoudt het volgen van het traject ITB Harde Kern voor de duur van zes maanden en ook als dit inhoudt behandeling bij De Waag of Het Palmhuis;

verstrekt aan bovengenoemde instelling de opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde krachtens het bepaalde bij artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de uitvoering van de hem onvoorwaardelijk opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe en veroordeelt de verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1], een bedrag van € 1.680,00;

met bepaling dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader(s) opgelegde, verplichting tot betaling aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.680,00 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 14 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.M.D. de Jong, kinderrechter, voorzitter,

mr. J.M. Ghrib, kinderrechter,

en mr. M.F.M. de Groot, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. D.V. Verbree, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 februari 2010.

(1) Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1583/2009/68

(2) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], blz. 114 e.v.

(3) Proces-verbaal van verhoor getuige [1], blz. 74

(4) Proces-verbaal van verhoor getuige [2], blz. 101

(5) Proces-verbaal verhoor getuige [3], blz. 107

(6) Proces-verbaal van bevindingen, blz. 123

(7) Blz. 220 van het methodiekenproces-verbaal met het nummer PL1583/2009/22640

(8) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], blz. 19 van het methodiekenproces-verbaal met het nummer PL1583/2009/22640

(9) Blz. 65 van het methodiekenproces-verbaal met nummer PL1583/2009/22640

(10) Tapgesprek blz. 253 van het methodiekenproces-verbaal met nummer PL1583/2009/22640

(11) Tapgesprek blz. 161 van methodiekenproces-verbaal met nummer PL1583/2009/22640

(12) Tapgesprek blz. 143 van het methodiekenproces-verbaal met nummer PL1583/2009/22640

(13) Tapgesprek blz. 165 van het methodiekenproces-verbaal met nummer PL1583/2009/22640

(14) Tapgesprekken blz. 168 en 169 van het methodiekenproces-verbaal met nummer PL1583/2009/22640

(15) Tapgesprekken blz. 187 t/m 194 van het methodiekenproces-verbaal met nummer PL1583/2009/22640

(16) Eigen verklaring ter terechtzitting

(17) Blz. 127

(18) Proces-verbaal van politie, blz. 128, 129

(19) Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], blz. 134

(20) Eigen verklaring van de verdachte ter terechtzitting

(21) Eigen verklaring van de verdachte ter terechtzitting

(22) Eigen verklaring van de verdachte ter terechtzitting

(23) Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1583/2009/68, voor zover niet anders weergegeven.

(24) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2], blz. 289 e.v.

(25) Beslagdossier blz. 21

(26) Eigen verklaring verdachte ter terechtzitting

(27) Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1583/2009/68, voor zover niet anders weergegeven.

(28) Proces-verbaal van bevindingen van politie, blz. 32, als bijlage gevoegd bij de bundel ambtsedige processen-verbaal met nr PL1513/2009/56567

(29) Proces-verbaal van bevindingen van politie, blz. 75, als bijlage gevoegd bij de bundel ambtsedige processen-verbaal met nr PL1513/2009/56567

(30) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3], blz. 76 e.v., als bijlage gevoegd bij de bundel ambtsedige processen-verbaal met nr PL1513/2009/56567

(31) Eigen verklaring verdachte ter terechtzitting