Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL4094

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-02-2010
Datum publicatie
25-02-2010
Zaaknummer
338101 / HA ZA 09-1713
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De gemeente dient de aan haar betaalde dwangsommen op grond van onverschuldigde betaling aan eiser terug te betalen. De betaling is gebaseerd op een vonnis van de voorzieningenrechter waarbij deze de uit artikel 8:72 lid 7 Awb voortvloeiende beperking ten aanzien van de op te leggen voorziening, heeft genegeerd. De gemeente heeft vervolgens betaling van eiser verkregen door te dreigen met executie van het vonnis, welke bevoegdheid haar - gezien het vonnis - niet toekwam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 338101 / HA ZA 09-1713

Vonnis van 10 februari 2010

in de zaak van

[de besloten vennootschap],

[vestigingsplaats vennootschap],

eiseres in de hoofdzaak, tevens eiseres in het incident,

advocaat mr. H.J. Breeman,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE WESTLAND,

zetelend te Naaldwijk, gemeente Westland,

gedaagde in de hoofdzaak, tevens verweerster in het incident,

advocaat mr. J.B. Peters.

Partijen zullen hierna [de besloten vennootschap] en de Gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding tevens incidentele conclusie houdende een vordering tot een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv van 12 mei 2009 met producties;

- de conclusie van antwoord met producties, tevens conclusie van antwoord in het incident ex artikel 223 Rv;

- het tussenvonnis van 15 juli 2009;

- het proces-verbaal van comparitie van 24 november 2009.

1.2 Ten slotte is er een datum voor vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1 [de besloten vennootschap] drijft een onderneming die zich bezighoudt met de verwerking van papier/karton tot verpakkingsmateriaal en met de verkoop daarvan, welke onderneming onder meer gevestigd is op [vestigingsplaats vennootschap]. Op deze vestiging is sinds maart 2007 een golfkartonmachine in gebruik voor de vervaardiging van verpakkingsmateriaal.

2.2. Omwonenden, onder wie [omwonende A.] en [omwonende B.] (verder: [omwonenden]), hebben burgemeester en wethouders van de Gemeente (hierna: B&W) bij brief van 1 mei 2007 verzocht handhavend tegen [de besloten vennootschap] op te treden in verband met geluidsoverlast, (mede) veroorzaakt door de golfkartonmachine. Het handhavingsverzoek heeft geleid tot meerdere besluiten van B&W van de Gemeente, waaronder een besluit van 16 oktober 2008, waarbij onder meer een eerder bezwaar van [omwonenden] van 10 juli 2008 ongegrond werd verklaard.

2.3. Tegen laatstgenoemd besluit heeft [omwonenden] bij brief van 24 november 2008 beroep ingesteld. Daarbij heeft [omwonenden] tevens aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank (sector bestuursrecht) een voorlopige voorziening verzocht. In zijn uitspraak van 18 december 2008 heeft deze voorzieningenrechter, voor zover van belang, het volgende beslist:

"(...)

De voorzieningen rechter van de rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

- bepaalt dat [de besloten vennootschap] de golfkartonmachine alleen in gebruik mag hebben van maandag tot en met vrijdag van 09.00 uur tot 15.00 uur;

- gelast dat de machine buiten genoemde periode buiten gebruik is en blijft;

- bepaalt dat [de besloten vennootschap] aan verzoekers (zijnde [omwonenden], toevoeging rechtbank) een dwangsom verbeurt van € 2.500,-- (vijfentwintighonderd euro) voor elke overtreding;

(...)."

2.4. Bij brief van 8 januari 2009 heeft de griffier van de rechtbank Den Haag (sector bestuursrecht) in verband met vragen van partijen over de controle op de getroffen voorlopige voorziening aan partijen het volgende bericht:

"(...)

Aan het verzoekschrift heeft ten grondslag gelegen dat verweerder geweigerd heeft handhavend op te treden tegen een situatie die in strijd is met het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter heeft een voorlopige voorziening getroffen die beoogt het effect te hebben van handhavend optreden, zoals verweerder dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter in deze fase van de procedure had moeten doen. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat verweerder (lees: de Gemeente, toevoeging rechtbank) de bepaling dat [de besloten vennootschap] de golfkartonmachine alleen in gebruik heeft op de in de uitspraak genoemde tijdstippen controleert.

(...)".

2.5. De milieu-inspecteur van de Gemeente heeft controle uitgeoefend op de tijdstippen waarop de golfkartonmachine bij [de besloten vennootschap] in gebruik is geweest. In verband met gebruik van de golfkartonmachine buiten de tijdstippen die door de voorzieningenrechter waren vastgesteld, hebben B&W van de Gemeente bij brief van 6 februari 2009 aan [de besloten vennootschap] het volgende geschreven:

"(...)

Op 18 december 2008 heeft de voorzieningenrechter (...) een last onder dwangsom aan u opgelegd (...).

Constatering

Door een milieu-inspecteur van de gemeente Westland is er in de periode van 5 januari tot en met 30 januari 2009 25 keer geconstateerd, dat de golfkartonmachine op de niet toegestane tijdstippen aan stond. De rapportages zijn bijgevoegd.

Verbeuring

(...)

Dientengevolge heeft u 30 januari 2009 een dwangsom van € 62.500,- verbeurd. U dient het bedrag van € 62.500,- binnen een termijn van 14 dagen na verzenddatum van deze brief over te maken op (...). Wij maken het geld dan vervolgens over aan de familie [omwonenden].

Indien geen tijdige betaling plaatsvindt, zullen wij de deurwaarder opdracht geven het bedrag bij dwangbevel in te vorderen. U bent dan naast de wettelijke rente over het vorengenoemd bedrag, onder andere ook incassokosten verschuldigd.

(...)".

2.6. Bij brief van 18 februari 2009 hebben B&W van de Gemeente [de besloten vennootschap] op soortgelijke wijze aangeschreven tot betaling van € 17.500,- wegens door [de besloten vennootschap] verbeurde dwangsommen over de periode van 2 tot en met 13 februari 2009.

2.7. [de besloten vennootschap] heeft de bedragen tot betaling waarvan zij door de Gemeente is aangeschreven (in totaal € 80.000,-) op 20 februari 2009 aan de Gemeente betaald.

2.8. In haar uitspraak van 11 maart 2009 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank op verzoek van [de besloten vennootschap] tot opheffing van de in de uitspraak van 18 december 2008 getroffen voorlopige voorziening, deze voorziening opgeheven.

2.9. [de besloten vennootschap] heeft de onder 2.5 en 2.6 genoemde en aan de Gemeente betaalde bedragen als onverschuldigd teruggevorderd, maar de Gemeente heeft dat verzoek van de hand gewezen.

3. Het geschil

3.1. [de besloten vennootschap] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar te verklaren bij voorraad,

in het incident

- de Gemeente zal veroordelen tot betaling aan [de besloten vennootschap] van € 80.000,- , althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

in de hoofdzaak

- voor recht zal verklaren dat de betaling door [de besloten vennootschap] aan de Gemeente ter grootte van € 80.000,- onverschuldigd is gedaan;

- de Gemeente zal veroordelen tot restitutie van de door [de besloten vennootschap] aan haar betaalde bedragen tot een bedrag van € 80.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW ten minste vanaf 20 februari 2009 tot de dag van algehele voldoening, een en ander conform de regeling ex artikel 6:44 BW, te verminderen met een eventuele betaling door de Gemeente in het kader van de (voorwaardelijke) restitutie van de dwangsommen;

- de Gemeente zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van

€ 1.788,- te vermeerderen met wettelijke rente vanaf ten minste 20 februari 2009 tot de dag van algehele voldoening;

in het incident en in de hoofdzaak

- de Gemeente zal veroordelen in de proceskosten.

3.2. Aan haar vordering legt [de besloten vennootschap] - kort samengevat - ten grondslag dat zij de dwangsommen onverschuldigd heeft betaald. Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 18 december 2008 een dwangsom opgelegd te verbeuren door [de besloten vennootschap], daar [de besloten vennootschap] in die procedure derde belanghebbende was en de gevraagde voorziening zich daarom niet tot haar kan richten. De beslissing van de voorzieningerechter is in dit opzicht in strijd met de wet. Omdat tegen een voorlopige voorziening ex artikel 8:81 jo 8:84 Awb geen hoger beroep openstaat, heeft [de besloten vennootschap] tegen de uitspraak van 18 december 2008 geen bestuursrechtelijk rechtsmiddel kunnen instellen.

In elk geval is door de uitspraak geen verplichting ontstaan om aan de Gemeente te betalen. De onder 2.4 aangehaalde brief van de rechtbank brengt daarin geen verandering.

De Gemeente is door de inning van de beweerdelijk verbeurde dwangsommen en de aankondiging van dwangbevelen haar bevoegdheden te buiten gegaan, omdat de gevorderde dwangsommen niet zijn opgelegd door B&W van de Gemeente. Was dat wel het geval geweest, dan had [de besloten vennootschap] tegen een daartoe strekkend besluit kunnen opkomen.

3.3. De Gemeente voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 In de uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 december 2008, aangehaald onder 2.3, is bepaald dat [de besloten vennootschap] aan [omwonenden] de in de uitspraak vastgestelde dwangsom verbeurt, telkens indien [de besloten vennootschap] de machine in werking heeft buiten de in de uitspraak bepaalde tijdstippen. Daar [de besloten vennootschap] in deze procedure als derde belanghebbende was betrokken, overschrijdt de voorziening de mede uit artikel 8:72 lid 7 Awb volgende wettelijke beperking dat de voorlopige voorziening zich dient te richten tot het bestuursorgaan. Volgens genoemd wetsartikel had de voorzieningenrechter alleen aan de Gemeente kunnen opdragen om te besluiten dat [de besloten vennootschap] onder gemelde voorwaarden de dwangsom zou verbeuren.

4.2. Dat de uitspraak van de voorzieningenrechter in de hiervoor weergegeven zin de door de wet gestelde grens overschrijdt, is door de Gemeente niet bestreden en ter comparitie met zoveel woorden erkend. De Gemeente beroept zich echter op de bindende kracht van de uitspraak van de voorzieningenrechter die volgt uit het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Dat tegen de uitspraak geen hogere voorziening openstond, doet aan de rechtskracht tussen partijen van een onjuiste uitspraak niet af. Daarvan uitgaande is er geen sprake van onverschuldigde betaling omdat [de besloten vennootschap] de dwangsommen heeft betaald die zij volgens de haar in de uitspraak opgelegde last heeft verbeurd. Aldus het verweer van de Gemeente.

4.3. De rechtbank overweegt met betrekking tot het hiervoor samengevatte verweer als volgt.

De Gemeente heeft betaling van de dwangsommen van [de besloten vennootschap] verkregen door in de onder 2.5 en 2.6 aangehaalde brieven van 6 en 18 februari 2008 aan [de besloten vennootschap] bij niet betaling van de dwangsommen invordering door middel van een door de deurwaarder uit te brengen dwangbevel aan te kondigen. Onder deze dreiging van executie is [de besloten vennootschap] tot betaling aan de Gemeente overgegaan. De rechtbank onderschrijft het standpunt van [de besloten vennootschap] dat de Gemeente zich door dreiging met executie een bevoegdheid heeft aangemeten die haar niet toekwam. De uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 december 2008 bepaalt immers dat de dwangsom zal worden verbeurd aan [omwonenden]. Door niettemin jegens [de besloten vennootschap] het standpunt in te nemen dat zij tot executie gerechtigd was en [de besloten vennootschap] bij niet betaling executie aan te kondigen, heeft de Gemeente de haar wettelijk toekomende bevoegdheden overschreden. Zoals [de besloten vennootschap] terecht aanvoert had de Gemeente, indien zij het in werking houden van de machine buiten de door de voorzieningenrechter vastgestelde tijdstippen met een dwangsom had willen sanctioneren, op grond van artikel 125 Gemeentewet in verbinding met 5:32 Awb aan [de besloten vennootschap] een last onder dwangsom kunnen opleggen waartegen [de besloten vennootschap] dan in rechte had kunnen opkomen. In plaats daarvan heeft de Gemeente, gebruikmakend van een haar niet toekomende bevoegdheid, van [de besloten vennootschap] betaling van de dwangsommen verkregen. Het hiervoor bedoelde verweer van de Gemeente gaat daaraan voorbij. Geconcludeerd moet daarom worden dat aan de betaling van de dwangsommen door [de besloten vennootschap] een rechtsgrond ontbreekt, zodat de betaling in beginsel onverschuldigd is verricht.

4.4. De Gemeente voert vervolgens aan dat [de besloten vennootschap] geen belang meer heeft bij haar standpunt dat de Gemeente niet tot inning van de dwangsommen bevoegd was, nu [de besloten vennootschap] door betaling van de dwangsommen aan de Gemeente op de voet van artikel 6:32 BW ondanks de onbevoegdheid van de Gemeente bevrijdend heeft betaald daar de dwangsommen aan [omwonenden] zijn doorbetaald. Daarom is, aldus de Gemeente, geen sprake van onverschuldigde betaling. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

4.5. Indien de Gemeente de inning niet ter hand had genomen, valt niet in te zien dat [omwonenden] zelf aan de uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 december 2008 een titel jegens [de besloten vennootschap] had kunnen ontlenen. [omwonenden] had zich ter verkrijging daarvan tot de burgerlijke rechter moeten wenden. Dat deze van de rechtskracht van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 december 2008 zou moeten uitgaan, zoals de Gemeente betoogt, nu daartegen geen rechtsmiddel is ingesteld, gaat naar het oordeel van de rechtbank tegenover [de besloten vennootschap] niet zonder meer op. Zoals ook volgt uit de door de Gemeente aangehaalde literatuur en jurisprudentie, gaat het om de rechtskracht van een uitspraak tussen partijen, terwijl nu juist [de besloten vennootschap] in de uitspraak van de voorzieningenrechter tussen Gemeente en [omwonenden] geen partij maar derde belanghebbende was. Het standpunt van de Gemeente dat op grond van de uitspraak van de voorzieningenrechter moet worden uitgegaan van een schuld van [de besloten vennootschap] aan [omwonenden], volgt de rechtbank dan ook niet bij gebreke van onvoldoende onderbouwing. Het beroep van de Gemeente op artikel 6:32 BW dat op dit uitgangspunt is gebaseerd, faalt daarom.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat de door [de besloten vennootschap] gevorderde hoofdsom behoort te worden toegewezen. [de besloten vennootschap] vordert tevens wettelijke rente vanaf het tijdstip waarop de dwangsommen zijn betaald (20 februari 2009). De gemeente is echter pas wettelijke rente verschuldigd vanaf het tijdstip dat zij in verzuim is met het terugbetalen van de onverschuldigd betaalde bedragen. De rechtbank constateert dat de advocaat van [de besloten vennootschap] de Gemeente bij brief van 17 maart 2009 heeft gesommeerd binnen twee weken na dagtekening van de brief de bedragen terug te betalen. Nu de Gemeente dit heeft nagelaten, is zij in verzuim vanaf 31 maart 2009. Vanaf die datum zal de wettelijke rente over de hoofdsom worden toegewezen.

4.7. De rechtbank zal eveneens de gevorderde buitengerechtelijke kosten toewijzen, die op zichzelf niet zijn weersproken en waarvan de hoogte in overeenstemming is met het redelijk te achten tarief van het rapport Voorwerk II.

4.8. Nu op de vordering in de hoofdzaak wordt beslist, heeft [de besloten vennootschap] geen belang meer bij de incidentele vordering, die daarom zal worden afgewezen. De kosten in het incident zullen worden gecompenseerd, zo dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1 wijst de vordering af;

5.2 compenseert de proceskosten zo dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

in de hoofdzaak

5.3 verklaart voor recht dat de betalingen door [de besloten vennootschap] aan de Gemeente voor een bedrag van € 80.000,- onverschuldigd zijn gedaan;

5.4 veroordeelt de Gemeente tot betaling aan [de besloten vennootschap] van € 81.788,- te vermeerderen met wettelijke rente over € 80.000,- vanaf 31 maart 2009 tot de dag van voldoening;

5.5 veroordeelt de Gemeente in de proceskosten, aan de zijde van [de besloten vennootschap] tot op heden begroot op € 1.788,- aan salaris advocaat en € 1.872,25, aan verschotten,

5.6 verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.4 en 5.5 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.7 wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.