Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL3941

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
22-02-2010
Zaaknummer
322536 - HA ZA 08-3487
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BW1986, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid Staat voor onderzoeksrapport. Brand Koningkerk Haarlem? Vorderingen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 322536 / HA ZA 08-3487

Vonnis van 20 januari 2010

in de zaak van

[eiser],

[woonplaats A],

eiser,

advocaat mr. M. van Olden,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties),

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. drs. W.I. Wisman.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties,

- de conclusie van antwoord met producties,

- de conclusie van repliek met producties,

- de conclusie van dupliek met producties,

- de akte uitlating producties van de zijde van [eiser],

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij een brand in Haarlem op 23 maart 2003, waarbij de Koningkerk aan de Kloppersingel volledig is uitgebrand, zijn drie brandweermannen om het leven gekomen nadat de oostelijke gevel, aan de zijde van de J. de Breukstraat, vanaf 6 meter hoogte naar buiten gevallen was. De gevel was in totaal 24 meter hoog. Het torentje en het dak van de kerk waren een aantal minuten daarvoor al ingestort.

2.2. Naar aanleiding van het ongeval heeft de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid - hierna: IOOV - een onderzoek gedaan naar de brand. Het rapport, dat verschenen is in maart 2004, heeft als centrale onderzoeksvraag (paragraaf 1.3., met als titel 'Onderzoeksdoelstelling'):

'Hoe kon het gebeuren dat op 23 maart 2003 drie brandweerlieden zijn omgekomen tijdens het bestrijden van de brand in de Koningkerk te Haarlem?'

Daarnaast wordt aan deze onderzoeksvraag de volgende opmerking verbonden:

'Een direct daaraan verbonden vraag was hoe het ongeval kon plaatsvinden, gezien het feit dat er de laatste jaren zoveel (landelijke) aandacht is geweest voor de veiligheidsrisico's van het repressief brandweeroptreden.'

Ter toelichting op de onderzoeksvraag wordt in de navolgende paragraaf 1.4 'Het onderzoek en de rapportage' onder meer het volgende opgemerkt:

'Suboptimaal handelen (van personen) kan op alle niveaus zijn oorsprong hebben. Veelal echter zijn oorzaken van dergelijk handelen op alle niveaus met elkaar verweven: individuele missers kunnen een oorsprong hebben in typische tekortkomingen in de organisatie als inadequate procedures en instructie. Sommige tekortkomingen in de organisatie kunnen op hun beurt weer bijna onvermijdelijk zijn, gezien systeemweeffouten die op elke organisatie die ermee te maken heeft een zware wissel trekken.'

Om die reden wordt vermeld dat in het rapport in een tweetal hoofdstukken (2 en 3) aandacht besteed zal worden aan de organisatie van de brandweerzorg in de gemeente Haarlem. Dan wordt het volgende opgemerkt:

'Benadrukt wordt op voorhand dat met deze hoofdstukken niet beoogd wordt een volledige beschrijving van de organisatie van de gemeentelijke brandweer Haarlem te geven. Die onderdelen van de brandweerorganisatie en die organisatorische maatregelen worden hier belicht die het brandweeroptreden op 23 maart 2003 in de Koningkerk in het bredere perspectief van systeem, organisatie en individueel handelen plaatsen. Dit bredere perspectief is nodig om een weloverwogen oordeel te kunnen geven over het fatale ongeval op 23 maart.'

2.3. In hoofdstuk 7 van het rapport met als titel 'Samenvattende analyse en conclusies' wordt onder meer het volgende opgemerkt:

'7.1 Inleiding

(...)

In dit hoofdstuk wordt geoordeeld over het handelen van het brandweerpersoneel.

Hierbij moet altijd scherp in het oog worden gehouden dat het met nadruk het 'handelen' betreft, niet de 'persoon'. Veelal kan suboptimaal handelen voortkomen uit tekortkomingen in het systeem of de organisatie die niet aan de handelende persoon zijn toe te schrijven. Dit hoofdstuk begint dan ook met een analyse van systeem en organisatie van de brandweerzorg in de gemeente Haarlem.

7.2 Het systeem en de organisatie van de brandweerzorg

7.2.1 Het systeem van de brandweerzorg in Haarlem

(...)

Conclusie

Het gekozen systeem van organisatie van de brandweerzorg in Haarlem is voorspelbaar kwetsbaar: de inzet van het vrijwillig brandweerpersoneel is essentieel bij grotere en complexe branden en zware ongevallen. Juist dan echter is ervaring en goede samenwerking met de collega's noodzakelijk. Het gekozen systeem garandeert echter onvoldoende ervaring en een minder goede samenwerking.

7.2.2 Organisatiecultuur

(...)

Conclusie

De organisatiecultuur in het Haarlemse korps kan als suboptimaal worden betiteld. De commandant en het managementteam ontbraken het ten minste tot het aantreden van de nieuwe commandant in 2002 aan een gezamenlijke visie op het aansturen van het korps en aan een gezamenlijk gevoel van verantwoordelijkheid voor het functioneren van het korps. Het korps is dan ook in de laatste 15 jaar geheel verkokerd geraakt. Het middenkader heeft de ontstane lacune in autoriteit zelf ingevuld op een wijze die de verkokering verder bevorderd heeft en de kwaliteit van de geleverde brandweerzorg niet verbeterd heeft.

7.2.4. Procedures

(...)

Conclusie

De gemeentelijke brandweer Haarlem heeft haar primaire proces niet vastgelegd op een eenduidige wijze. Gezien de eveneens al geconstateerde afwezigheid van adequate instructie is het optreden van misverstanden daarmee voorspelbaar onvermijdelijk.

7.2.5. De meldkamer brandweer & ambulance

(...)

Conclusie

De meldkamer brandweer & ambulance was in maart 2003 niet voldoende uit- en toegerust om de noodzakelijke professionele alarmering en ondersteuning van brandweer en brandinzet uit te voeren.

7.3. Het brandweeroptreden op 23 maart 2003

Zoals reeds in de inleiding van dit hoofdstuk opgemerkt, wordt in deze paragraaf

geoordeeld over het handelen van het brandweerpersoneel. Deze beoordelingen moeten echter gezien worden in het licht van de analyse en conclusies over het systeem en de organisatie uit de voorgaande paragraaf. In het bijzonder moet bij lezing van het hier onderstaande steeds bedacht worden dat het personeel van de gemeentelijke brandweer Haarlem in het algemeen onvoldoende geïnstrueerd was en dat zij in het bijzonder niet als adequaat voorbereid kan worden gezien op de risico's die brandbestrijding met zich meebrengen.

(...)

7.3.15. Maatregelen met betrekking tot het potentiële instortingsgevaar

De OvD

(...)

Het besluit van de OvD om, rekening houdend met de valschaduw van de muren, niemand meer door de Joh. de Breukstraat te laten lopen en iedereen tot op veilige afstand van de kerk te laten terugtrekken, was zeer terecht. De wijze waarop hij daar als verantwoordelijke voor de hele brandweerinzet uitvoering aan gaf, kan echter als onvoldoende professioneel worden gekenschetst. Door zijn waarschuwingen ongeadresseerd en daarmee feitelijk vrijblijvend in slechts de directe omgeving van de kruising rond te roepen, was het onvermijdelijk dat verschillende groepen mensen de waarschuwing om uit de valschaduw van de kerk te blijven niet zouden meekrijgen. Dit gold voorspelbaar voor het personeel dat aan de noordzijde van de kerk was ingezet (bemanning van de tweede tankautospuit (TS-741) en de tweede autoladder (AL-753)), het personeel dat door de OvD was aangevraagd en mogelijk nog niet ter plaatse was en de overige hulpdiensten (politie en ambulancepersoneel). Ook het personeel dat niet op een vaste plek was ingezet, maar rond liep om op verschillende plekken hand- en spandiensten te verlenen, werd voorspelbaar niet bereikt.

In plaats van zich uitvoerend bezig te houden met de inzet had hij (nogmaals) op adequate wijze invulling moeten geven aan zijn leidinggevende rol. Van een OvD mag immers verwacht worden dat hij hoofdzaken van bijzaken kan onderscheiden. Na het 'acuut' veilig stellen van mensen en materieel had hij onmiddellijk via zijn bevelvoerders moeten verbieden dat het personeel zich in de gevarenzone van de kerk mocht begeven. In het bijzonder had de OvD de bevelvoerders expliciet duidelijk moeten maken dat niemand meer in de Joh. de Breukstraat mocht komen. Deze straat verbond immers de beide inzetgebieden aan de noord- en zuidzijde van de kerk en werd dan ook regelmatig door brandweerlieden (en politie, zie ook hieronder) gebruikt om van het ene naar het andere inzetgebied te lopen. Hij had ze expliciet de opdracht moeten geven de manschappen hierover te instrueren en ze er op te wijzen dat ze moesten toezien dat dit door iedereen werd nageleefd. Dit alles had hij ook aan de MBA en de verbindingscommandowagen (VC) moeten doorgeven, zodat het nog niet ter plaatse zijnde personeel vroegtijdig van het gevaar op de hoogte gebracht had kunnen worden.

Niet alleen het eigen personeel had overigens op de hoogte gebracht moeten worden. Ook de andere hulpdiensten, zoals de politie en het ambulancepersoneel, hadden geïnformeerd moeten worden over het potentiële instortingsgevaar en het daarmee samenhangende verbod om nog binnen de valschaduw van de kerkmuren te komen.

Omdat het inzetgebied hiermee feitelijk in tweeën werd gedeeld (in een noord- en zuidkant) had de OvD de hoofd officier van dienst (HOvD) ter plaatse moeten laten komen. Om overzicht te behouden over de noordzijde had hij in de tussentijd portofonisch nauw contact moeten houden met de tweede bevelvoerder. Gezien het beperkt aantal voertuigen dat aan de noordzijde was ingezet (een tankautospuit en een autoladder), had hij de tweede bevelvoerder tijdelijk de leiding over de inzet aan de noordzijde kunnen geven.

Conclusie

De maatregelen die door de OvD werden getroffen om het ingezette en nog in te

zetten personeel van zowel de brandweer als de overige hulpdiensten in veiligheid te brengen, waren onvoldoende professioneel.

De OvD heeft eveneens niet voorzien in de coördinatie van de gehele brandweerinzet.

De bevelvoerders

(...)

Conclusie

De bevelvoerders hebben de waarschuwing van de OvD niet gehoord of begrepen, noch hebben zij zelf hun verantwoordelijkheid voor de veiligheid van hun personeel en voor zichzelf genomen. Daarom hebben zij hun personeel niet consequent buiten de valschaduw van de kerkmuren laten opereren.

De manschappen

(...)

Conclusie

Hoewel ook de manschappen hadden moeten beseffen dat zij in onveilig gebied opereerden, hebben gedurende de gehele inzet brandweermensen binnen de valschaduw van de verschillende muren van de kerk gestaan of gelopen.

2.4. In het Ongevallenboeterapport van de Arbeidsinspectie, gedateerd op 5 maart 2003, wordt onder meer het volgende opgemerkt:

'Het gevaar betrof het potentiële risico, dat personen getroffen konden worden door (delen van) de vallende of instortende gevels van de Koningkerk. Voor deze mogelijkheid, de kans dat dit kon gebeuren werd gewaarschuwd en dat werd onderkend door de aanwezige hoogste leidinggevende van de brandweer.

De wijze waarop de OvD, als verantwoordelijke voor de hele brandweerinzet, uitvoering gaf aan zijn besluit om niemand meer door de Johan de Breukstraat te laten lopen en iedereen tot op een veilige afstand van de gevels van de kerk te laten terug te trekken, was onvoldoende doeltreffend. Zijn waarschuwingen die hij slechts in de directe omgeving van de kruising Kloppersingel/Johan de Breukstraat rond riep, waren vrijblijvend en niet specifiek gericht op het betreffende brandweerpersoneel die zich binnen het valbereik van de gevels van de kerk bevonden.'

2.5. [eiser] is in de jaren na de brand arbeidsongeschikt geraakt. Bij beslissing van 28 oktober 2009 is hem een WIA-uitkering toegekend.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door onjuiste conclusies te trekken ten aanzien van het optreden van [eiser] tijdens de Haarlemse kerkbrand op 23 maart 2003. Voorts vordert hij dat de Staat wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding nader op te maken bij staat en tot publicatie van twee rectificaties met betrekking tot de beide rapporten. Ten slotte vordert [eiser] een veroordeling tot betaling van de kosten van het geding.

3.2. [eiser] heeft daartoe, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat hij in beide rapporten ten onrechte (in hoofdzaak) als verantwoordelijke wordt aangewezen voor de dood van de drie omgekomen brandweermannen. Ter ondersteuning van zijn stelling dat hem ten onrechte dit verwijt gemaakt is stelt [eiser] dat de feitelijke weergave in het rapport met betrekking tot zijn handelen op een aantal onderdelen onjuist is. Zo heeft hij aangevoerd dat de Hoofdofficier van Dienst (HOVD) ten onrechte niet aanwezig was, waardoor [eiser] er te lang alleen voor gestaan heeft en bovendien in het rapport alle aandacht ten onrechte naar hem uitgegaan is. Daarnaast was er volgens [eiser] sprake van miscommunicatie vanuit de centrale meldkamer Brandweer en Ambulance (MBA). Verder stelt [eiser] dat hij meer dan 20 minuten voordat de muur viel heeft bevolen de J. de Breukstraat niet langer te betreden en dat de omgekomen brandweermannen in strijd met zijn bevel hebben gehandeld. Tenslotte stelt [eiser] nog dat de bemanning van de Dompelpompunit en een aantal vrijwilligers dat later met een busje ter plaatse kwam zich ten onrechte niet heeft gemeld zodat hij er niet van op de hoogte was dat deze waren gearriveerd en niet in staat is geweest om hen adequaat te instrueren. Het verwijt dat in het rapport gemaakt is heeft volgens [eiser] er onder meer toe geleid dat zijn goede naam en reputatie geschaad is maar daarnaast hebben de rapporten consequenties gehad voor zijn loopbaan binnen de brandweer waardoor hij inkomsten heeft gederfd en promotie is misgelopen.

3.3. De Staat voert onder meer als verweer dat de stellingen van [eiser] feitelijke grondslag missen omdat de beide rapporten niet beogen de persoonlijke schuldvraag te beantwoorden, zodat van (een beoordeling van) een persoonlijk verwijt van [eiser] in de beide rapporten geen sprake is. Wat betreft de het rapport van de Arbeidsinspectie geldt bovendien dat dit betrekking heeft op de gemeente Haarlem als werkgever - niet op [eiser] - en dat de schuldvraag van de delictsomschrijving geen deel uit maakt. Het laatste rapport is bovendien niet openbaar. Ten slotte is er geen causaal verband tussen de gedragingen van de Staat en de gevolgen die de werkgever van [eiser], volgens zijn stellingen, verbonden zou hebben aan de rapporten.

3.4. Voor zover van belang wordt op de overige stellingen van partijen in het vervolg nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Bij beoordeling van de vorderingen stelt de rechtbank het volgende voorop. Bij een ernstig incident als de brand in de Koningkerk op 23 maart 2003, waarbij bovendien hulpverleners om het leven zijn gekomen zijn er zwaarwegende maatschappelijke belangen die vereisen dat - in dit geval - de Staat een onderzoek doet uitvoeren naar de oorzaak van - in het bijzonder - het verlies aan mensenlevens. De Staat heeft er terecht op gewezen dat die grote maatschappelijke belangen hun weerslag hebben gevonden in onder meer artikel 19 van de Brandweerwet 1995 waarin de plicht van de Staat om onderzoek te doen naar een brand als deze, is neergelegd. De noodzakelijke bescherming van werknemers rechtvaardigt dat de Arbeidsinspectie waar nodig zelfstandig onderzoek doet naar een mogelijke overtreding van de relevante wettelijke bepalingen.

4.2. Nu bestrijding van branden uiteindelijk het werk is van individuen, is onvermijdelijk dat een op zichzelf te rechtvaardigen onderzoek naar het verlies van mensenlevens zich uiteindelijk ook richt op het handelen van betrokken individuen en dat de conclusies van een dergelijk onderzoek ook op het handelen van die individuen betrekking hebben. Dat is, tenzij aan opzet of wijze van uitvoering het onderzoek als zodanig ernstige gebreken kleven, op zichzelf niet onrechtmatig, ook niet wanneer er kritische noten over het optreden van een of meer individuen worden gekraakt.

4.3. In het verlengde van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat aan betrokken onderzoekers de nodige vrijheid toekomt bij niet alleen de inrichting van hun onderzoek, maar ook de vaststelling en formulering van hun conclusies. Het is, met andere woorden, in beginsel niet de taak van de rechtbank zelfstandig de juistheid van de conclusies van een bepaald onderzoek te toetsen wanneer dat zou meebrengen dat de rechtbank feitelijk het werk van de onderzoekers over zou moeten doen. Daarover zou anders gedacht kunnen worden wanneer de wijze waarop een onderzoek is uitgevoerd ernstige gebreken kent, maar voor die conclusie heeft [eiser] ten aanzien van de rapporten van de IOOV en de Arbeidsinspectie en tegenover het betoog van de Staat dienaangaande, onvoldoende gronden aangevoerd.

4.4. De rechtbank neemt bij verdere beoordeling van de vorderingen voorts nog tot uitgangspunt dat zowel het IOOV-rapport als het rapport van de Arbeidsinspectie niet gericht is geweest op het vaststellen van fouten van [eiser], maar een breder kader had dat past bij de hierboven bedoelde maatschappelijke belangen. De Staat betoogt dan ook terecht dat de vorderingen van [eiser] uitgaan van een onjuiste lezing van de rapporten. De rechtbank deelt in het bijzonder niet de visie van [eiser] dat het IOOV- rapport en het daarop gebaseerde rapport van de Arbeidsinspectie hem aanwijst als schuldig aan de dood van de drie brandweermannen. Uit de rapporten blijkt immers in de eerste plaats, dat er bij het functioneren van de Haarlemse brandweerorganisatie als zodanig ernstige vraagtekens te plaatsen waren, terwijl daarnaast kanttekeningen zijn geplaatst bij - feitelijk - het optreden van alle betrokken brandweerlieden, zelfs de laagst in rang geplaatste brandweerlieden. De op zichzelf harde conclusies van de rapporten hebben dan ook betrekking op de bredere brandweerorganisatie als zodanig waarbinnen het optreden van individuen noodzakelijkerwijs mede is beoordeeld. Dit karakter van het onderzoek is mede redengevend voor de conclusie dat de rechtbank terughoudendheid past ten aanzien van de toets van enkele op betrokken individuele functionarissen - dus niet: personen - toegespitste conclusies en de uitleg die [eiser] daaraan ten onrechte geeft.

4.5. [eiser] betoogt niettemin terecht dat met name het IOOV-rapport ernstige kritiek op het optreden van de Officier van Dienst bevat. Met [eiser] is de rechtbank van oordeel dat die kritiek eenvoudig tot [eiser] te herleiden is. Met [eiser] is de rechtbank in het verlengde daarvan voorts van oordeel dat die kritiek en de publicatie daarvan onder omstandigheden onrechtmatig jegens hem kan zijn. Binnen het kader van de hierboven weergegeven uitgangspunten - te weten achtergrond en doel van de rapporten en de daarmee samenhangende vrijheid van de onderzoekers - is de rechtbank evenwel van oordeel dat [eiser] voor de conclusie dat de op hem te herleiden kritiek onrechtmatig is, in algemene zin onvoldoende feiten heeft aangevoerd. De rechtbank ziet daarbij onder ogen dat andere nuances en andere bewoordingen in het onderzoeksrapport denkbaar waren geweest. Opnieuw binnen het kader van de hierboven genoemde uitgangspunten en daarbij benadrukkend dat [eiser] ten onrechte tot uitgangspunt neemt dat hij als schuldig aan de dood van drie brandweermannen wordt aangewezen, acht de rechtbank die denkbare andere nuances evenwel niet noodzakelijk en het ontbreken daarvan niet onrechtmatig jegens [eiser].

4.6. Het merendeel van de door [eiser] aangevoerde verwijten vereist een zelfstandig onderzoek door de rechtbank naar de gang van zaken ten tijde van de brand. Een dergelijk onderzoek stuit, nu er onvoldoende gronden zijn voor de conclusie dat het onderzoek naar opzet en uitvoering ernstige gebreken vertoont, af op hetgeen hierboven is overwogen. Tot datgene behoort dat [eiser] ten onrechte uitgaat van een onjuiste conclusie van het rapport en ten onrechte de verschillende deelconclusies en overwegingen niet in hun onderlinge verband beschouwt. Ten aanzien van de afzonderlijk door [eiser] aangevoerde gebreken in de rapporten overweegt de rechtbank - voor zover na het bovenstaande nog noodzakelijk en daarom deels ten overvloede - nog het volgende.

Afwezigheid van de Hoofdofficier van Dienst, miscommunicatie centrale meldkamer en uitrukprocedure

4.7. [eiser] heeft kritiek geuit op de afwezigheid van de Hoofdofficier van Dienst en een tweede bevelvoerend functionaris. Hij miskent daarmee dat in deze procedure niet het handelen of nalaten van die functionarissen ter beoordeling staat. Voor zover [eiser] met zijn kritiek een omissie in het IOOV-rapport beoogt aan te duiden gaat hij eraan voorbij dat het IOOV-rapport van de afwezigheid van de Hoofdofficier van Dienst is uitgegaan en het handelen van [eiser] in die situatie - dus als enige en hoogste bevelvoerder - heeft beoordeeld.

4.8. Voor zover [eiser] met zijn kritiek op de Hoofdofficier van Dienst en de Meldkamer tevens de conclusie van het IOOV-rapport beoogt aan te vechten dat hij zelf de Hoofdofficier van Dienst ter plaatse had moeten laten komen, geldt dat [eiser] miskent dat de vaststelling in het rapport dat [eiser] niet voorzien heeft in 'de coördinatie van de gehele brandweerinzet' niet alleen ziet op de vraag of hij de hoofdofficier zelf had moeten oproepen maar evenzeer op het gegeven dat hij in afwachting van de hoofdofficier het gebied in tweeën had kunnen opdelen (in verband met het verbod om de J. de Breukstraat nog langer te betreden) en de leiding over de inzet aan de noordzijde van de kerk tijdelijk had kunnen opdragen aan de tweede bevelvoerder (die daar aanwezig was) en verder portofonisch contact met de tweede bevelvoerder had moeten houden. Binnen dit kader en binnen het in de inleidende overwegingen weergegeven kader kan de in het rapport in dit verband opgenomen conclusie niet onrechtmatig worden geoordeeld.

4.9. Tegelijkertijd stelt de rechtbank vast dat de stellingen van [eiser] op dit punt niet wezenlijk afwijken van hetgeen in het rapport opgemerkt wordt over de organisatie van de brandweer in Haarlem met betrekking tot bijvoorbeeld de uitrukprocedure en de effectiviteit van de meldkamer waardoor zijn stellingen op dit punt wegens gebrek aan feitelijke grondslag evenmin gevolgen kunnen hebben voor het oordeel dat de Staat niet onrechtmatig jegens hem gehandeld heeft.

Verbod betreden van de J. de Breukstraat

4.10. [eiser] komt op tegen de conclusie in het IOOV-rapport dat de wijze waarop hij uitvoering gaf aan het besluit om niemand meer door de J. de Breukstraat te laten lopen en iedereen tot op veilige afstand van de kerk te laten terugtrekken onvoldoende professioneel was. (Ook) voor de conclusie dat dit onderdeel van het rapport onjuist en onrechtmatig is heeft [eiser] onvoldoende feiten gesteld. In het bijzonder heeft hij niet beargumenteerd dat en waarom de opmerkingen in het rapport onjuist zouden zijn dat hij dit besluit portofonisch had moeten doorgeven, onder andere via zijn bevelvoerders en de meldkamer, om daarmee veilig te stellen dat ook personen die later ter plaatse zouden arriveren van dit besluit op de hoogte zouden zijn en dat hij dit besluit tevens had moeten afstemmen met de overige hulpdiensten. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de conclusie uit het rapport mede is gebaseerd op het feit dat verschillende groepen personeel die hetzij nog niet ter plaatse waren, hetzij aan de andere zijde van de kerk waren ingezet, evident zijn mondeling gegeven opdracht niet konden horen. Het bewijsaanbod van [eiser] met betrekking tot zijn stelling dat de beide aanwezige bevelvoerders in strijd met zijn nadrukkelijke instructies de J. de Breukstraat hebben betreden is in het licht hiervan onvoldoende ter zake doende. Ook als [eiser] in dat bewijs zou slagen laat dat de bredere grondslag van de conclusies, te weten dat ook anderen de gegeven instructie niet hebben kunnen horen, en dus die conclusies, onverlet.

4.11. Daaraan voegt de rechtbank nog het volgende toe. Terecht merkt [eiser] op dat in het slothoofdstuk in het rapport niet meer vermeld wordt dat een van de bevelvoerders opdracht heeft gegeven de slang de J. de Breukstraat in te trekken. Dat gegeven wordt echter eerder in het rapport wel beschreven (zie p. 142, waar vermeld wordt dat het de derde bevelvoerder was die dit bevel gaf). Het enkele feit dat dit niet terugkomt in het slothoofdstuk levert op zichzelf dan ook geen onrechtmatigheid op jegens [eiser]. Dit te meer niet omdat uit de behandeling van het optreden van de bevelvoerders in het slothoofdstuk niet blijkt van een onkritische benadering van het handelen van de bevelvoerders.

Dompelpompunit en busje met vrijwilligers

4.12. Hetgeen [eiser] met betrekking tot de dompelpompunit en het busje met vrijwilligers naar voren brengt kan evenmin de conclusie dragen dat de inhoud van het rapport jegens hem onrechtmatig is. Daarvoor is reeds doorslaggevend dat het IOOV-rapport ook opmerkt, in overeenstemming met de stellingen van [eiser], dat de nieuw aangekomen brandweermannen zich 'ten allen tijde' ter plaatse hadden moeten melden (p. 202). Het feit dat zij dit niet hebben gedaan is zodoende door de onderzoekers onder ogen gezien. Met de daaraan vervolgens door hen verbonden conclusie hebben zij niet de vrijheid die zij in dat opzicht hebben overschreden.

Rapport van de Arbeidsinspectie

4.13. De verwijten van [eiser] richten zich niet alleen op het IOOV-rapport, maar, gelet op de vordering, ook op het rapport van de Arbeidsinspectie. Een voldoende zelfstandige onderbouwing van die verwijten ontbreekt evenwel, terwijl het rapport van de Arbeidsinspectie in belangrijke mate op het rapport van de IOOV is gebaseerd. Ook de tegen dat rapport gerichte verwijten slagen dan niet. Na hetgeen hierboven is besproken, behoeven die verwijten geen afzonderlijke bespreking meer.

Conclusie

4.14. De conclusie van het bovenstaande moet zijn dat de vorderingen dienen te worden afgewezen. Hetgeen overigens door partijen is gesteld kan verder onbesproken blijven en aan (nadere) bewijslevering wordt, waar dat is aangeboden, niet toegekomen omdat hetzij onvoldoende feiten zijn gesteld hetzij het aangeboden bewijs in het licht van de bovenstaande overwegingen relevantie mist. De door [eiser] gestelde schade kan eveneens onbesproken blijven.

4.15. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op € 254,- aan verschotten en € 1.808,- aan salaris van de advocaat.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 254,- aan verschotten en € 1.808,- aan salaris van de advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Mendlik, mr. J.J. van der Helm en mr. J.A.I. Wendt en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2010.