Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL3931

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-02-2010
Datum publicatie
15-02-2010
Zaaknummer
Awb 09/39818 BEPTDN/DU
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

"In deze uitspraken zijn onder meer de volgende stukken overgelegd en bij de beoordeling betrokken:

• het rapport van de NOAS, NHC en Aitima “Out the Back Door: The Dublin II Regulation and illegal deportations from Greece” van oktober 2009;

• de vragen die het EHRM op 9 november 2009 heeft gesteld aan de regeringen van Nederland en Griekenland;

• de klacht die door o.a. Vluchtelingenwerk Nederland, op 10 november 2009 tegen Griekenland is ingediend bij de Europese Commissie wegens het niet naleven van de Europese asielwetgeving.

• vragen die de Griekse Ombudsman heeft gesteld over een groep Koerden die tevergeefs heeft geprobeerd op Kreta asiel aan te vragen en die in Turkije is beland; èn

• het PV van een zitting bij nevenzittingsplaats Zwolle, over de feitelijke werkzaamheden van de verbindingsambtenaar van verweerder in Griekenland

• Ter zitting heeft eiser daarenboven een beroep gedaan op het meest recente rapport van de UNHCR over (de positie van) asielzoekers in Griekenland van december 2009.

De MK is tot het volgende oordeel gekomen:

De inhoud van deze rapportages wordt door verweerder niet betwist. Uit deze rapportages, bezien in samenhang met en als aanvulling op de in het bestreden besluit opgesomde stukken, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de algemene praktijk in Griekenland met betrekking tot zowel de mogelijkheid een asielaanvraag in te dienen als de behandeling van asielzoekers – Dublin-claimanten inbegrepen – niet met de verdragsverplichtingen overeenstemt. De rechtbank benadrukt in dit verband dat zowel het NOAS-rapport en het UNHCR-rapport melding maken van het feit dat Griekenland zich niet altijd houdt aan het beginsel van non-refoulement. Bovendien valt uit deze rapporten op te maken dat in Griekenland in de praktijk geen onderscheid wordt gemaakt tussen vreemdelingen die voor het eerst Griekenland binnenkomen en vreemdelingen die als Dublin-claimanten naar Griekenland terugkeren. Uit het vorenstaande volgt dat ook Dublin-claimanten in Griekenland het risico lopen om direct dan wel indirect te worden gerefouleerd. De omstandigheid dat in de rapporten geen voorbeeld wordt gegeven van een concreet geval dienaangaande doet daaraan niet af.

De rechtbank komt dan ook, anders dan voorheen, tot het oordeel dat zonder nadere onderbouwing – die tot dusver ontbreekt – niet valt in te zien op grond waarvan verweerder concludeert dat er geen sprake is van concrete aanwijzingen dat Griekenland ten aanzien van asielzoekers, Dublin-claimanten inbegrepen, zijn internationale verplichtingen niet nakomt.

Mocht verweerder hebben bedoeld dat er alleen sprake kan zijn van concrete aanwijzingen in voormelde zin als deze zien op specifiek eiser betreffende omstandigheden, dan merkt de rechtbank op dat het gaat om de omvang van het risico dat eiser bij terugzending naar Griekenland loopt, ongeacht of dat risico voortvloeit uit specifiek hemzelf betreffende omstandigheden of uit de algemene omstandigheden.

Verder merkt de rechtbank nog op dat het in de eerste plaats de lidstaten zijn die verantwoordelijk zijn voor de naleving van het Verdrag en het bieden van rechtsbescherming tegen (dreigende) schendingen; op de lidstaten rust de verantwoordelijkheid zich ervan te verzekeren (“to ensure”) dat de vreemdeling als gevolg van de uitzetting niet wordt onderworpen aan een behandeling strijdig met artikel 3 EVRM. Daarbij dient de aard en de ernst van het – absolute – verbod op refoulement, in samenhang met de mogelijk onomkeerbare gevolgen van uitzetting, voor ogen gehouden te worden.

De mogelijkheid voor een Dublin-claimant om bij het EHRM een interim measure aan te vragen om dreigende uitzetting naar het land van herkomst (tijdelijk) te voorkomen, doet aan die verantwoordelijkheid niet af."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

vreemdelingenkamer

nevenzittingsplaats Almelo

regnr: Awb 09/39818 BEPTDN/DU

uitspraak van de meervoudige kamer

inzake:

(naam),

geboren 1989,

van .. nationaliteit,

IND dossiernummer ..,

eiser,

gemachtigde mr. P.J. Schüller, advocaat te Amsterdam;

en

De Staatssecretaris van Justitie,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. M.M. Luik, ambtenaar ten departemente.

1. Procesverloop

Eiser heeft op 26 september 2009 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft bij besluit van

30 oktober 2009 die aanvraag afgewezen omdat Griekenland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Daartegen is bij brief van 30 oktober 2009, aangevuld bij brieven van 19 november 2009,

23 november 2009 en 18 januari 2010, beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 28 januari 2010 behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. Ter zitting was een tolk aanwezig.

2. Overwegingen

Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval is van toepassing Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van de Europese Unie van

18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna Vo 343/2003).

Griekenland heeft niet tijdig gereageerd op het terugnameverzoek, zodat Griekenland op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, Vo 343/2003 wordt geacht in te stemmen met terugname van eiser.

De rechtbank stelt voorop dat hetgeen eiser in beroep naar voren heeft gebracht betreffende (de situatie voor asielzoekers in) Griekenland dient te worden aangemerkt als een nadere onderbouwing van zijn eerder ingenomen standpunt betreffende (de overdracht aan) Griekenland en derhalve bij de beoordeling kan worden meegenomen.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van Vo 343/2003 kan elke lidstaat een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in de Verordening neergelegde criteria niet verplicht.

Verweerders beleid ter zake is neergelegd in de paragrafen C3/2.3.6.1 en C3/2.3.6.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000). Blijkens dat beleid wordt van de mogelijkheid het asielverzoek zelf te behandelen terughoudend gebruik gemaakt. Ten principale wordt op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgegaan dat de lidstaten de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waaraan de betrokkene wordt overgedragen zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Het ligt op de weg van de vreemdeling om dit aannemelijk te maken.

Eiser betoogt dat er concrete aanwijzingen zijn dat Griekenland zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Daartoe is gewezen op eigen ervaringen in Griekenland, op algemene stukken waaruit dergelijke aanwijzingen blijken, zoals nader aangegeven op pagina 2 van het bestreden besluit, en op jurisprudentie van deze rechtbank. Eiser heeft op

19 november 2009, 23 november 2009 en 18 januari 2010 de gronden van zijn beroep nader toegelicht.

In eerstgenoemd schrijven verwijst hij onder meer naar:

• het rapport van de Norwegian Organisation for Asylum Seekers (NOAS), Norwegian Helsinki Committee (NHC) en Aitima “Out the Back Door: The Dublin II Regulation and illegal deportations from Greece” van oktober 2009;

• de vragen die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) op

9 november 2009 naar aanleiding van 14 bij het EHRM aanhangige Nederlandse Dublin-Griekenlandzaken heeft gesteld aan de regeringen van Nederland en Griekenland;

• de klacht die door een aantal organisaties, waaronder Vluchtelingenwerk Nederland, op 10 november 2009 tegen Griekenland is ingediend bij de Europese Commissie wegens het niet naleven van de Europese asielwetgeving.

Bij brief van 18 januari 2010 heeft eiser onder meer gewezen op:

• vragen die de Griekse Ombudsman heeft gesteld over een groep Koerden die tevergeefs heeft geprobeerd op Kreta asiel aan te vragen en die in Turkije is beland;

het proces-verbaal van een zitting bij deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle,

waaruit blijkt dat de verbindingsambtenaar van verweerder in Griekenland zich niet bezighoudt met de waarborgen binnen en het monitoren van de Griekse asielprocedure, maar slechts als functie heeft het optimaliseren van de samenwerking met de Griekse autoriteiten.

Ter zitting heeft eiser daarenboven een beroep gedaan op het meest recente rapport van de UNHCR over (de positie van) asielzoekers in Griekenland van december 2009. Tevens heeft eiser aan de rechtbank voorgesteld prejudiciële vragen te stellen over de toepassing van

artikel 3, tweede lid van Vo 343/2003.

Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er in casu sprake is van dergelijke concrete aanwijzingen. Ter zitting is daaraan namens verweerder nog toegevoegd dat er, hoewel de situatie in Griekenland voor asielzoekers niet rooskleurig is, geen concrete aanwijzingen zijn dat Griekenland ten aanzien van zogenaamde “Dublin-claimanten” zijn internationale verplichtingen niet nakomt.

De rechtbank overweegt als volgt.

Eiser heeft eerst ter zitting een beroep gedaan op het UNHCR rapport van december 2009. Verweerder heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. De rechtbank stelt dan ook vast dat het rapport bij de beoordeling van het beroep kan worden betrokken.

Voormeld rapport vermeldt onder meer het volgende:

“(…)

UNHCR remains concerned that asylumseekers face serious challenges in accessing and enjoying effective protection in Greece in line with international and European standards. In UNHCR’s view, the adoption of Presidential Decree 81/2009 in July 2009 has introduced changes to the asylum procedure which have further diminished the prospects of asylum-seekers, including Dublin II transferees, having their claims determined in a fair procedure in Greece.

Dublin transferees are exposed to the same difficulties as other persons arriving in Greece and seeking to obtain international protection. Pink card holders, including Dublin transferees, are not exempt from arrests, including in Athens and Patras, followed by summary deportations. (…)

While no Dublin transferees were among the persons deported from Greece to Turkey documented by UNHCR, there are no safeguards in place to protect Dublin transferees from such practices. The cases documented by UNHCR included deportation of other documented asylum-seekers. To the police implementing arrests, Dublin transferees cannot be distinguished based on their documentation from other asylum-seekers, and are thus exposed to the same risk of removal.

(…)

Access to asylum procedures is not always guaranteed for Dublin transferees. (…)

Dublin transferees (including those who previously applied for asylum in Greece and those who have not done so) face problems which may hinder or preclude their efforts to register (or re-register) their applications for asylum, barring them from access to the process and to an effective claim examination. (…)”.

De UNHCR komt dan ook tot de volgende conclusie:

“In light of the situation described above, UNHCR continues to advise Governments to refrain from returning asylum-seekers to Greece under the Dublin Regulation or otherwise. (…)”.

In het NOAS-rapport staat onder meer het volgende:

“(…)

Based on evidence gathered during investigations in Greece, Turkey and Iraq between April and September 2009, and corroborated by reports and findings of international human rights monitoring bodies and NGO’s, we argue that the principle of non-refoulement is severely threatened by the Greek practice of illegal deportations, and consequently by transfers of asylum seekers to Greece under the Dublin II Regulation.

In this report we present specific instances of illegal deportations by the Greek authorities of persons with pending asylum cases, as well as of other groups. Such deportations take place in such an arbitrary manner that there is no basis for claiming that Dublin returnees enjoy a higher degree of protection than others. (…)”.

De inhoud van deze rapportages wordt door verweerder niet betwist.

Uit deze rapportages, bezien in samenhang met en als aanvulling op de in het bestreden besluit opgesomde stukken, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de algemene praktijk in Griekenland met betrekking tot zowel de mogelijkheid een asielaanvraag in te dienen als de behandeling van asielzoekers – Dublin-claimanten inbegrepen – niet met de verdragsverplichtingen overeenstemt. De rechtbank benadrukt in dit verband dat zowel het NOAS-rapport en het UNHCR-rapport melding maken van het feit dat Griekenland zich niet altijd houdt aan het beginsel van non-refoulement. Bovendien valt uit deze rapporten op te maken dat in Griekenland in de praktijk geen onderscheid wordt gemaakt tussen vreemdelingen die voor het eerst Griekenland binnenkomen en vreemdelingen die als Dublin-claimanten naar Griekenland terugkeren. Uit het vorenstaande volgt dat ook Dublin-claimanten in Griekenland het risico lopen om direct dan wel indirect te worden gerefouleerd. De omstandigheid dat in de rapporten geen voorbeeld wordt gegeven van een concreet geval dienaangaande doet daaraan niet af.

De rechtbank komt dan ook, anders dan voorheen, tot het oordeel dat zonder nadere onderbouwing – die tot dusver ontbreekt – niet valt in te zien op grond waarvan verweerder concludeert dat er geen sprake is van concrete aanwijzingen dat Griekenland ten aanzien van asielzoekers, Dublin-claimanten inbegrepen, zijn internationale verplichtingen niet nakomt.

Mocht verweerder hebben bedoeld dat er alleen sprake kan zijn van concrete aanwijzingen in voormelde zin als deze zien op specifiek eiser betreffende omstandigheden, dan merkt de rechtbank op dat het gaat om de omvang van het risico dat eiser bij terugzending naar Griekenland loopt, ongeacht of dat risico voortvloeit uit specifiek hemzelf betreffende omstandigheden of uit de algemene omstandigheden.

Verder merkt de rechtbank nog op dat het in de eerste plaats de lidstaten zijn die verantwoordelijk zijn voor de naleving van het Verdrag en het bieden van rechtsbescherming tegen (dreigende) schendingen; op de lidstaten rust de verantwoordelijkheid zich ervan te verzekeren (“to ensure”) dat de vreemdeling als gevolg van de uitzetting niet wordt onderworpen aan een behandeling strijdig met artikel 3 EVRM. Daarbij dient de aard en de ernst van het – absolute – verbod op refoulement, in samenhang met de mogelijk onomkeerbare gevolgen van uitzetting, voor ogen gehouden te worden.

De mogelijkheid voor een Dublin-claimant om bij het EHRM een interim measure aan te vragen om dreigende uitzetting naar het land van herkomst (tijdelijk) te voorkomen, doet aan die verantwoordelijkheid niet af.

Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit tot stand is gekomen in strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. Hieruit volgt dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking komt.

Voor het stellen van prejudiciële vragen, voor zover mogelijk, ziet de rechtbank, gezien het voorgaande, geen aanleiding.

Hetgeen overigens is aangevoerd kan onbesproken blijven.

Er bestaat aanleiding voor veroordeling van verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het betreft hier één punt voor het instellen van beroep en één punt voor het bijwonen van de zitting.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 30 oktober 2009;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in

deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten begroot op € 874,--, onder aanwijzing van verweerder die deze kosten aan eiseres moet voldoen.

Aldus gedaan door mr. E. Horsthuis, als voorzitter, en mrs. J.H. Keuzenkamp en

E.C.R. Schut, als leden, en door de voorzitter en mr. S. Reesink, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

In het openbaar uitgesproken op

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden op: