Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL3893

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
01-03-2010
Zaaknummer
328307 - HA ZA 09-180
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onbetaalde advocatendeclaraties. Tekst en strekking van art. 22 Wet op de Ondernemingsraden.

Wetsverwijzingen
Wet op de ondernemingsraden
Wet op de ondernemingsraden 22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2010/86
JIN 2010/176
AR-Updates.nl 2010-0203
JAR 2010/86
ROR 2010/26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 328307 / HA ZA 09-0180

Vonnis van 27 januari 2010

in de zaak van

de maatschap [X] ADVOCATEN,

eiseres gevestigd te Utrecht,

advocaat : mr. M. Cohen,

tegen

de stichting Thuiszorg,

gedaagde gevestigd te Zoetermeer,

advocaat : mr. R.P.C. Kütemann.

De rechtsoverwegingen

1. De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken uit het griffiedossier:

- de dagvaarding van 5 januari 2009 met producties 1 t/m 10;

- de conclusie van antwoord van 25 februari 2009, met producties 1 t/m 11;

- het tussenvonnis van 11 maart 2009, de beschikkingen van 24 juni 2009 en 13 juli 2009, en het instructieformulier van 31 augustus 2009 van de rechtbank;

- de bij brieven van 12 en 15 oktober 2009 ingezonden twee akten met producties 11 t/m 16 van eiseres;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 28 oktober 2009;

- de brief van 6 januari 2010 van de advocaat van gedaagde;

- de brief van 7 januari 2010 van de advocaat van eiseres.

2. Ter zitting van 28 oktober 2009 kon (nog) geen minnelijke regeling worden bereikt. Toen is ter zitting vonnis bepaald op vandaag 27 januari 2010, met de procedurele afspraak dat beide advocaten de rechtbank uiterlijk 6 januari 2010 schriftelijk zouden hebben bericht of nog steeds vonnis nodig is dan wel dat de procedure kan worden doorgehaald wegens een alsnog getroffen schikking. Bij de hiervoor genoemde brieven van 6 en 7 januari 2010 hebben beide advocaten bericht dat partijen niet alsnog tot een schikking zijn gekomen én dat er inmiddels sprake zou zijn van surseance van betaling en/of faillissement van gedaagde. Bij ambtshalve raadpleging van het Centraal Insolventieregister op www.rechtspraak.nl is het de rechtbank gebleken dat aan gedaagde op 29 december 2009 surseance van betaling is verleend, waarna gedaagde op 8 januari 2010 in staat van faillissement is verklaard. Gelet op art. 30 lid 1 van de Faillissementswet zal de rechtbank de procedure nu niet meer schorsen maar daarin eindvonnis wijzen.

3. Eiseres vordert gedaagde te veroordelen tot betaling aan haar van € 44.103,59 met wettelijke handelsrente en overige nevenvorderingen. Zij stelt daartoe dat gedaagde als ondernemer ingevolge art. 22 WOR verplicht is ook haar resterende advocatendeclaraties van € 44.103,59 inclusief BTW voor haar rechtsbijstand aan de OR Goes en aan de Centrale OR van gedaagde te betalen, bovenop haar door gedaagde al betaalde advocatendeclaratie van € 7.550,55 inclusief BTW.

4. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat er kort gezegd op neerkomt dat zij niet verplicht is eiseres nog bij te betalen omdat eiseres tekst en strekking van art. 22 WOR heeft geschonden door gedaagde vooraf geen opgave te doen van de (geschatte) kosten van eiseres, die volgens gedaagde in de gegeven omstandigheden bovendien buitensporig hoog en deels redelijkerwijs niet noodzakelijk zijn geweest.

5. Voor de details van de zaak en de uiteenlopende standpunten van partijen volstaat de rechtbank nu kortheidshalve met een verwijzing naar de aan partijen en hun advocaten bekende inhoud van de hiervoor in rov. 1 opgesomde gedingstukken met producties.

6. De rechtbank is alles afwegende met gedaagde en anders dan eiseres van oordeel dat eiseres in dit geval tekst en strekking van artikel 22 leden 1 en 2 WOR heeft geschonden door aan gedaagde vooraf géén opgave te doen van de aan haar werkzaamheden vanaf februari 2008 voor de beide ondernemingraden van gedaagde naar schatting verbonden kosten, hoewel de toenmalige bestuurder van gedaagde daar gezien de inhoud van de producties herhaaldelijk om heeft gevraagd en ook op "een kostenplaatje vooraf" heeft aangedrongen. De na tussenkomst van de advocaten van gedaagde op 8 mei 2008 door eiseres uiteindelijk wel gedane opgave van de geschatte kosten voor de werkzaamheden vanaf april 2008 (productie 10 van gedaagde) is niet of nauwelijks inzichtelijk. De einddeclaraties van eiseres bedragen bovendien een veelvoud van de pas op 8 mei 2008 impliciet en onduidelijk aan gedaagde opgegeven geschatte kosten.

7. De strekking van art. 22 WOR is nu juist - zoals de kantonrechter te Delft in haar vonnis van 23 april 2009 ook al overwoog, zie productie 11 van eiseres - dat de ondernemer in staat moet zijn om tevoren tegen de noodzaak van het inschakelen van een deskundige door de ondernemingsraad én tegen de omvang van de in dat kader te maken kosten bezwaar te maken, waarna bij verschil van mening de weg van art. 36 WOR zou moeten worden gevolgd. In die zin bestaat er inderdaad een beperkt goedkeuringsrecht vooraf voor de bestuurder van de onderneming en mag een deskundige als eiseres er niet op vertrouwen dat aan haar "een blanco cheque" is afgegeven indien vooraf slechts is gemeld dát een deskundige wordt ingeschakeld maar niet hoeveel die inschakeling - indien en voorzover redelijkerwijs noodzakelijk - naar schatting zal gaan kosten voor de ondernemer. Anders dan in blijkbaar de voornoemde zaak bij de kantonrechter te Delft was er in dit geval geen extreme tijdsdruk en was er dus voldoende tijd en gelegenheid voor eiseres om gedaagde vooraf opgave te doen van haar geschatte kosten en gedaagde niet voor "voldongen feiten" te stellen door achteraf declaraties van in totaal € 51.654,14 te presenteren. In zoverre geven de andersluidende stellingen van eiseres in de stukken blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

8. Anders dan gedaagde is de rechtbank echter van oordeel dat dit handelen in strijd met artikel 22 WOR door eiseres in dit geval niet tot gevolg kan hebben dat gedaagde in het geheel niets meer van de resterende declaraties van eiseres zou behoren te betalen. De strekking van artikel 22 WOR is immers niet dat de kosten van inschakeling van een deskundige - voorzover in omvang redelijk en redelijkerwijs noodzakelijk gemaakt - in het geheel niet ten laste van de ondernemer kunnen worden gebracht. Gedaagde behoort met andere woorden naar het oordeel van de rechtbank aan eiseres in dit geval wél de kosten te vergoeden die in de gegeven omstandigheden achteraf bezien redelijkerwijs noodzakelijk waren en die ook in omvang als redelijk zijn te beschouwen.

9. Gedaagde heeft - blijkbaar anders dan in de zaak bij de kantonrechter te Delft, zie productie 11 van eiseres - in deze zaak gemotiveerd bezwaar gemaakt tegen de omvang van de declaraties van eiseres. Eiseres heeft de redelijkheid van de omvang van haar declaraties en de noodzakelijkheid van alle gedeclareerde uren en werkzaamheden van in totaal maar liefst € 51.654,14 ook ter comparitie niet nader onderbouwd, hetgeen na het desbetreffende verweer van gedaagde bij antwoord en na het instructieformulier van de rechtbank wel op haar weg lag. Ter zitting is namens eiseres weliswaar terecht betoogd dat de verleende rechtsbijstand destijds plaats vond in een extreme situatie van een grote reorganisatie met veel onrust in de onderneming, met relatief onervaren leden van de ondernemingsraden en met een relatief onervaren bestuurder die voor extra problemen en dus extra kosten zorgde door pas in een laat stadium met verifieerbare financiële gegevens te komen, maar anderzijds heeft deze voormalig bestuurder van gedaagde er van begin af aan terecht op gewezen dat er evident sprake was een financiële noodsituatie van de onderneming die niet alleen noopte tot verkoop van de zwaar verliesgevende vestiging Goes maar ook tot zuinigheid ten aanzien van de kosten van eiseres ([X] Advocaten) en de overige twee door de ondernemingsraden van gedaagde ingeschakelde deskundigen (de maatschap Dubois & Co Registeraccountants plus Adviesbureau Atim BV).

10. Anders dan eiseres en met gedaagde legt de rechtbank de geproduceerde correspondentie tussen advocaten vanaf 24 april 2008 aldus uit, dat niet - laat staan duidelijk en ondubbelzinnig - door of namens gedaagde is toegezegd dat de kosten van eiseres voor de werkzaamheden tot en met april 2008 zouden worden betaald, maar slechts dat de tot dan ontvangen ene declaratie (en niet: declaraties) van eiseres van

€ 7.550,55 zou worden voldaan. Dit argument van een toezegging aan eiseres zal de rechtbank dus verwerpen en kan niet leiden tot een veroordeling van gedaagde tot (gedeeltelijke) betaling van de gevorderde openstaande declaraties van € 44.103,59.

11. Alle bijzondere omstandigheden van dit geval in aanmerking genomen zoals die blijken uit alle gedingstukken met producties, gezien de verweren op dit punt van gedaagde en bij gebreke van een nadere onderbouwing door eiseres, schat de rechtbank de door gedaagde aan eiseres in dit specifieke geval verschuldigde redelijke kosten voor haar onderhavige, redelijkerwijs noodzakelijke werkzaamheden in 2008 voor de OR Goes en de Centrale OR van gedaagde in op een bedrag van in totaal € 25.000,- plus 19% BTW, dat is € 29.750,- inclusief BTW. Daarvan heeft gedaagde al betaald € 7.550,55 inclusief BTW (zie rov. 3), zodat gedaagde aan eiseres nog moet betalen € 22.199,45.

12. Gedaagde heeft verweer gevoerd tegen de door eiseres gevorderde wettelijke handelsrente ex art. 6:119a BW, waarop door eiseres ter comparitie niet meer is gereageerd. De rechtbank houdt het verweer voor juist en merkt overigens op dat het bedrag van de wettelijke handelsrente zoals berekend in productie 11 van eiseres van een onjuiste hoofdsom uitgaat. Bij deze stand van zaken zal de rechtbank toewijzen een bedrag van € 22.199,45, vermeerderd met de "gewone" wettelijke rente ex art. 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarding.

13. Beide partijen zijn op punten van niet ondergeschikte betekenis in het ongelijk gesteld, maar aan eiseres wordt wel een relevant bedrag toegewezen. Daarom zal de rechtbank in dit geval de door beide partijen betaalde griffierechten voor eigen rekening van beide partijen laten en de proceskosten dus in zoverre compenseren, maar zal de rechtbank gedaagde wel veroordelen in een deel van de overige proceskosten van eiseres. Dat toewijsbare deel wordt door de rechtbank begroot op € 72,25 deurwaarderskosten dagvaarding plus € 1.158,- salaris advocaat, dat is in totaal € 1.230,25.

14. Gelet op het inmiddels uitgesproken faillissement van gedaagde en op de tekst en strekking van art. 233 Rv en van de Faillissementswet, is er naar het oordeel van de rechtbank nu geen plaats meer voor de door eiseres nog gevorderde uitvoerbaar verklaring bij voorraad van de beslissingen in dit vonnis.

De beslissingen

De rechtbank:

- veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van € 22.199,45, vermeerderd met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW over dat bedrag met ingang van de dag van dagvaarding (5 januari 2009);

- veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van € 1.230,25 aan (een deel van de) proceskosten, zoals door de rechtbank begroot in rov. 13;

- compenseert de proceskosten voor het overige aldus dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

- wijst het door eiseres meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wien en in het openbaar uitgesproken op woensdag 27 januari 2010.