Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL3871

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-02-2010
Datum publicatie
15-02-2010
Zaaknummer
09/753565-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 2 is ten laste gelegd (poging verkrachting dan wel poging tot feitelijke aanranding van de eerbaarheid van aangeefster [B]). De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. Wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan: verkrachting van een vijftienjarig meisje [aangeefster A]. Hij heeft ’s nachts op straat een wildvreemd meisje met haar fiets tot stilstand gebracht door haar bagagedrager vast te pakken en gedwongen tot seksuele handelingen. Verdachte heeft zijn eigen lustgevoelens laten prevaleren boven de gevoelens en belangen van het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/753565-09

Datum uitspraak: 12 februari 2010

(Verkort vonnis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 199,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting " Zuid West locatie De Dordtse Poorten" te Dordrecht.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 5 januari 2010 en 29 januari 2010.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. C. Krijger, advocaat te 's Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. H. de Koning heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 686,16. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 686,16, subsidiair 13 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A].

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting:

1.

hij in of omstreeks de periode van 18 september 2009 tot en met 19 september

2009 te [P] door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)

en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)den [A]

heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit

of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[A], hebbende verdachte:

- zijn vinger in de vagina van die [A] gebracht en/of

- zijn penis in de mond van die [A] gebracht,

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte:

- de bagagedrager van de fiets van die [A] heeft vastgepakt en/of

- die [A] tot stoppen heeft gedwongen en/of

- die [A] heeft vastgepakt en/of

- die [A] naar de grond heeft gebracht en/of

- (aldus) voor die [A] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

Dat hij in of omstreeks de periode van 18 september 2009 tot en met 19 september te [P] met [A] (geboren op [geboortedatum] 1993) die leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [A], hebbende verdachte:

- zijn vinger in de vagina van die [A] gebracht en/of

- zijn penis in de mond van die [A] gebracht;

2.

hij op of omstreeks 19 september 2009 te [P] ter uitvoering

van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) [B] te dwingen tot het ondergaan van (een)

handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [B]:

- achter die [B] is gaan fietsen en/of

- de bagagedrager van de fiets van die [B] heeft vastgepakt en/of

- die [B] tot stoppen heeft gedwongen en/of

- (aldus) voor die [B] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Vrijspraak.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit, te weten de poging verkrachting dan wel poging tot feitelijke aanranding van de eerbaarheid, heeft aangeefster [B] verklaard dat ze in de nacht van 19 september 2009 naar huis fietste en merkte dat ze werd achtervolgd door een jongen op een fiets. Hij is op een gegeven moment naast haar komen fietsen en heeft haar bagagedrager vastgepakt. Hij zei tegen haar “hier komen jij” en kon haar tot stoppen dwingen. Aangeefster was vervolgens in staat haar fiets tegen die jongen aan te duwen en kon wegrennen. Verdachte heeft bekend dat hij de bagagedrager van de fiets van aangeefster heeft beetgepakt.

Bij de politie heeft verdachte verklaard dat, als zij niet zou zijn gevlucht, het net zo zou zijn gegaan als bij het meisje van eerder die avond. Verdachte heeft bekend dat hij met dat betreffende meisje seks heeft gehad.

De rechtbank is van oordeel dat de handelingen van verdachte, te weten het achter aangeefster aanfietsen en vastpakken van haar bagagedrager, hoe beangstigend deze ook voor aangeefster zijn geweest, naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet de voorbode hoeven te zijn van het strafbare feit van verkrachting dan wel feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Dat verdachte op een later moment heeft verklaard over de intentie die hij bij die handelingen had, maakt dit niet anders. Deze intentie kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden opgemaakt uit voormelde ten laste gelegde gedragingen.

Derhalve acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 2 is ten laste gelegd. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

Bewijsoverwegingen.

Aangeefster heeft verklaard dat in de nacht van 19 september 2009 een jongen haar bagagedrager heeft vastgepakt en naast haar is komen fietsen. Vervolgens heeft hij haar tot stilstand gebracht, haar bij haar schouders gepakt en tegen haar gezegd “ik wil seks met je”. Aangeefster is toen gaan gillen en schreeuwen dat ze dit niet wilde en heeft zich geprobeerd los te rukken. Vervolgens is aangeefster op de grond beland, maar ze weet niet meer precies hoe dat is gebeurd. Ze weet nog wel dat ze met haar rug op de grond lag en dat die jongen boven op haar zat, ter hoogte van haar heupen. Ze heeft hierover verklaard dat ze zich heeft geprobeerd ‘los te wrikken’ door met haar schouders te bewegen, maar dit lukte niet. De jongen heeft zijn broek opengemaakt en aangeefster gezegd aan zijn geslachtsdeel te likken. Aangeefster heeft hieraan gevolg gegeven omdat ze bang was en dacht dat het de snelste manier was om van hem af te komen. Vanaf dat moment heeft aangeefster verder geen verzet geboden. Ze heeft naar eigen zeggen ‘een knop omgedraaid’ en haar gevoel uitgeschakeld. Op zitting heeft ze uitgelegd dat dit een soort van overlevingsmechanisme voor haar was.

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij aangeefster op het fietspad is tegengekomen, haar heeft aangesproken en haar heeft gezegd dat ze best wel mooi was. Vervolgens zouden ze van hun fiets zijn afgestapt, hebben geknuffeld en getongzoend. Daaropvolgend zou verdachte aangeefster hebben gevingerd, zouden ze op de grond zijn gaan liggen en zou aangeefster hem hebben gepijpt. Na een korte tijd zou het meisje hebben gezegd dat ze naar huis moest en zou zijn weggefietst.

De verklaring van verdachte, die er op neerkomt dat hij met een wildvreemd meisje die hij ’s-nachts op een fietspad ontmoet, zonder voorafgaande kennismaking of gesprek, en buiten op straat, vrijwillige seksuele handelingen heeft verricht, acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk.

Daar staat tegenover de door de rechtbank betrouwbaar en aannemelijk geachte verklaring van aangeefster dat verdachte haar tot stoppen heeft gedwongen, bovenop haar is gaan zitten waardoor ze geen bewegingsruimte meer had, en haar heeft gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen. Dat aangeefster op enig moment haar verzet heeft gestaakt, heeft te maken met de omstandigheid dat zij op dat moment “een knop heeft omgezet” in haar hoofd. De rechtbank is van oordeel dat verdachte gelet op het aanvankelijke verzet van aangeefster hieruit niet heeft mogen opmaken dat ze zou instemmen met de seksuele handelingen, aangezien zij voorafgaand aan dat moment al het nodige verzet heeft geboden.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte aangeefster heeft verkracht. Weliswaar zijn de in de tenlastelegging opgesomde feitelijke handelingen die er toe hebben geleid dat aangeefster door geweld is gedwongen tot seks met verdachte beperkt, maar ze zijn voldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Daarbij is van belang dat de rechtbank in dat oordeel tevens meeweegt de handelingen die wel uit het dossier blijken, maar dus niet zijn opgenomen in de tenlastelegging en er op neerkomende dat verdachte tegen aangeefster heeft gezegd “ik wil seks met je” en de omstandigheid dat hij bovenop haar is gaan zitten.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het op de dagvaarding onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad – dat:

hij in de periode van 18 september 2009 tot en met 19 september

2009 te [P] door geweld [A]

heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen mede bestonden uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die

[A], hebbende verdachte:

- zijn penis in de mond van die [A] gebracht,

en bestaande dat geweld hierin dat verdachte:

- de bagagedrager van de fiets van die [A] heeft vastgepakt en

- die [A] tot stoppen heeft gedwongen en

- die [A] heeft vastgepakt en

- die [A] naar de grond heeft gebracht en

- (aldus) voor die [A] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verkrachting van een vijftienjarig meisje. Hij heeft ’s nachts op straat een wildvreemd meisje met haar fiets tot stilstand gebracht door haar bagagedrager vast te pakken en gedwongen tot seksuele handelingen. Verdachte heeft zijn eigen lustgevoelens laten prevaleren boven de gevoelens en belangen van het slachtoffer.

Het bewezenverklaarde levert een ernstig feit op. Het slachtoffer heeft het handelen van verdachte ervaren als zeer beangstigend en bedreigend. Door het plegen van dit feit heeft verdachte op brute wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijk en psychische integriteit van het slachtoffer dat hij verkracht heeft. Het hoeft weinig betoog dat een feit als het onderhavige ook in de samenleving gevoelens van afschuw en verontwaardiging oproept.

Naast voornoemde feiten en omstandigheden heeft de rechtbank acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 24 september 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor feiten als het onderhavige is veroordeeld.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op een pro justitia rapport van Dr. D. Bullens d.d. 7 december 2009. De deskundige constateert dat de vele negatieve ervaringen in zijn leven, maar ook het ontbreken van positieve ervaringen op interpersoonlijk vlak tekenend zijn voor verdachte. Hij heeft van huis uit nauwelijks tot geen intimiteit meegekregen. Ook in contacten buitenshuis is dat niet gelukt. Zijn beperkte intellectuele vermogens lijken hierin een belangrijke toegevoegde kwetsbare factor te zijn geweest. Concluderend stelt de deskundige dat sprake is van een dysthyme stoornis. De symptomen hiervan zijn, naast de depressieve grondstemming, onder meer gevoelens van hulpeloosheid, moedeloosheid en laag zelfwaardegevoel. Voorts is er sprake van een gering inzicht in de wereld om hem heen, in het bijzonder met betrekking tot het inter-persoonlijke contact. Gelet op deze stoornis en het gebrekkig intellectueel functioneren kan worden gesproken van zowel een ziekelijke stoornis als een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Hoewel deze stoornis een onderdeel van het gedragspatroon vormt en dit de gedragskeuzes beïnvloedt, kan door de deskundige niet eenduidig worden geconcludeerd dat dit ook zijn gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde heeft beïnvloed. Wel kan worden gesteld dat, gelet op zijn beperkte intellectuele vermogens, sprake is van een (fors) gebrek aan inzicht op tal van domeinen, in het bijzonder op interpersoonlijk vlak. Het gebrek aan sociaal inzicht en aan voorbeelden van intimiteit hebben ertoe geleid dat hij zich het ontoelaatbare van zijn handelen onvoldoende kon/kan inzien. Sterker nog, hij was van mening dat het slachtoffer het óók wilde en dat het tenlastegelegde kennelijk de normale gang van zaken is. Verdachte kan gelet op vorenstaande in enigszins verminderde mate toerekeningsvatbaar worden geacht.

Door zijn dysthyme stoornis bevindt verdachte zich relatief blijvend in een sociaal isolement. Ook zijn gebrekkige ontwikkeling draagt hieraan bij. De kans op recidive op de korte termijn lijkt op dit moment laag te zijn omdat verdachte heeft aangegeven zich te zullen onthouden van zaken die hem in de problemen kunnen brengen. Echter, het feit dat hij onvoldoende verantwoordelijkheid neemt voor zijn rol in het tenlastegelegde vormt een indicatie voor een verhoogde kans op recidive op de langere termijn. Op het moment immers dat hij van de schrik zal zijn bekomen, bestaat de mogelijkheid dat hij zijn onderdrukte behoeften cq onthoudingen “opheft”, waardoor hij in situaties kan terechtkomen waarin de zichzelf opgelegde remmingen weer teniet worden gedaan. Om de kans op recidive ook op langere termijn laag te houden, adviseert de deskundige om in het kader van een deels voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden op te leggen dat verdachte zich onder behandeling stelt bij De Waag.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op een voorlichtingsrapport van Palier van 14 december 2009 opgesteld en ondertekend door rapporteur [rapporteur], reclasseringsmedewerker, dat tot een soortgelijk strafadvies komt.

Voormeld oordeel van de deskundigen komt de rechtbank, mede gelet op het onderzoek ter terechtzitting, juist voor, zodat zij dit oordeel over neemt en het hare maakt. Op grond hiervan acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De rapportages bieden naar het oordeel geen aanknopingspunten om te bepalen dat op verdachte het jeugdstrafrecht van toepassing zou zijn.

De vordering van de benadeelde partij.

[A], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 686,18.

De rechtbank acht de vordering van zo eenvoudige aard dat de vordering zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De vordering is namens de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 686,16.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 242 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

Verkrachting;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 ( achttien) maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 9 (negen) maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit alsmede onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarde;

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften

hem te geven door of namens de stichting Reclassering Nederland, ressort Den Haag, zolang die instelling zulks nodig acht ook indien dit inhoudt het volgen van een behandeling bij De Waag;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [A], een bedrag van € 686,16.

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 686,16 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 13 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

Dit vonnis is gewezen door

mrs De Graaff, voorzitter,

Drop en Meijers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Veenhuizen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 februari 2010.