Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL3757

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-02-2010
Datum publicatie
12-02-2010
Zaaknummer
355679 - KG ZA 09-1793
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het instellen van een kort geding procedure op grond van dezelfde argumenten die reeds bij de rechtbank te Amsterdam naar voren zijn gebracht en zijn meegewogen bij het nemen van de beslissing, komt in feite neer op een verkapt hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam.

Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 5 februari 2010,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 355679 / KG ZA 09-1793 van:

[eiser],

wonende te [...], thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [...] te [...],

eiser,

advocaat mr. I.N. Weski te Rotterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden, (Ministerie van Justitie),

zetelende te ’s-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 29 januari 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. De onderzoeksrechter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen heeft op 19 oktober 2009 een Europees aanhoudingsbevel (verder EAB) uitgevaardigd met betrekking tot eiser, in verband met de verdenking van betrokkenheid op verschillende tijdstippen in 2009 bij de invoer in België vanuit de Dominicaanse Republiek van aanzienlijke hoeveelheden cocaïne, een poging daartoe, alsmede deelneming aan een criminele organisatie.

1.2. De officier van justitie heeft naar aanleiding van het EAB een vordering ingediend bij de Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank te Amsterdam tot het in behandeling nemen van het aanhoudingsbevel. Op 9 december 2009 is de vordering van de officier van justitie door de rechtbank behandeld.

1.3. Bij uitspraak van 23 december 2009 heeft de rechtbank het volgende beslist:

“STAAT TOE de overlevering van [eiser] aan de onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (België) ten behoeve van het in België tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht”.

1.4. Bij faxbericht van 23 december 2009 heeft eiser aan de Minister van Justitie gevraagd gebruik te maken van de hem in artikel 127 van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO) gegeven aanwijzingsbevoegdheid. Bij brief van 24 december 2009 heeft de Minister van Justitie aan eiser geschreven geen aanleiding te zien om een aanwijzing tot vervolging in Nederland te geven.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. Eiser vordert – zakelijk weergegeven – gedaagde:

primair:

- te bevelen de overlevering te doen weigeren, althans eiser te vervolgen in Nederland voor de onderliggende strafbare feiten;

subsidiair:

- te bevelen van zijn aanwijzingsbevoegdheid ingevolge artikel 127 RO gebruik te maken met dien verstande dat de behandelend officier van justitie opdracht wordt gegeven eiser in Nederland te vervolgen;

meer subsidiair:

- te veroordelen overeenkomstig de zaken Dougoz en Shahall van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de daarin beschreven zorgplicht van de overheid om onderzoek te doen ten aanzien van de voor eiser concreet bij overlevering naar België aldaar te verwachten detentie omstandigheden en in dat kader te verkrijgen garanties ter waarborging van de eerbieding van de artikelen 3, 5 en 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ten behoeve van die detentie, daaronder mede begrepen de mogelijkheid dat eiser in Nederland wordt gedetineerd overeenkomstig het tussen Nederland en België gesloten verdrag over de onderbrenging van Belgische gedetineerden in Nederland.

2.2. Daartoe voert eiser onder meer het volgende aan.

De officier van justitie handelt onrechtmatig door eiser niet in Nederland te vervolgen. De veronderstelde strafbare feiten hebben uitsluitend, dan wel voornamelijk in Nederland plaatsgevonden en zijn niet zwaarwegend in België. Voorts zal eisers detentiesituatie in België in strijd zijn met de artikelen 3, 5 en 6 van het EVRM, gelet op de aldaar geldende structureel erbarmelijke detentie omstandigheden. Ook de regering van België stelt dat deze detentie omstandigheden inhumaan moeten worden geacht. Verschillende justitiële onderzoekscommissies en onderzoeksinstellingen van de Verenigde Naties en de Raad van Europa hebben gerapporteerd dat die detentie omstandigheden structureel in strijd zijn met artikel 3 EVRM en het klachtrecht ingevolge het EVRM. Volgens eiser moet gesproken worden van een situatie als in de zaken Dougoz en Shahall van het EHRM.

Voorts handelt de Minister van Justitie onrechtmatig door niet de officier van justitie ingevolge artikel 127 RO de aanwijzing tot vervolging in Nederland te geven. Ook weigert de Minister van Justitie een onderzoek in te stellen en waarborgen te creëren ten aanzien van de reëel te verwachten schendingen in België ingevolge de artikelen 3, 5 en 6 van het EVRM, terwijl er sprake is van een individueel geval overstijgende omstandigheid. Inmiddels is er een verdrag tussen Nederland en België tot stand gekomen ter leniging van de overbevolking in Belgische gevangenissen door het huren van Nederlandse cellen door België. Indien eiser zal worden geplaatst in het Huis van Bewaring in Antwerpen hetgeen een reële verwachting is, zal er een verhoogd risico zijn van schendingen van artikel 3 van het EVRM. Derhalve kan gedaagde niet meer volstaan met een verwijzing naar het vertrouwensbeginsel en de ondertekening door België van het EVRM en de daarmee veronderstelde bewijslast van eiser ten aanzien van de aard en omvang van de ‘real risk’ of te wel het reële risico te worden blootgesteld aan omstandigheden die een schending van artikel 3 EVRM opleveren.

2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Aan de orde is of de feitelijke overlevering van eiser aan België thans doorgang kan vinden. De rechtbank te Amsterdam is de door de wetgever exclusief aangewezen rechterlijke instantie voor de behandeling van overleveringsverzoeken in het kader van het EAB. Eiser heeft aangevoerd dat hij het niet eens is met de uitspraak van 23 december 2009 van de rechtbank te Amsterdam. Uitgangspunt is dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in het algemeen met zich brengt dat een partij die zich niet kan verenigen met de beslissing(en) in een vonnis/beschikking, tegen die beslissing(en) moet opkomen met het aanwenden van een rechtsmiddel, tenzij die mogelijkheid in de wet is uitgesloten. Artikel 29 lid 2 van de Overleveringswet bepaalt dat geen rechtsmiddel openstaat tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam, anders dan beroep in cassatie in het belang der wet. Het instellen van een kort geding procedure op grond van dezelfde argumenten die reeds bij de rechtbank te Amsterdam naar voren zijn gebracht en zijn meegewogen bij het nemen van de beslissing, komt in feite neer op een verkapt hoger beroep tegen de uitspraak van 23 december 2009 van de rechtbank te Amsterdam. De door eiser in zijn dagvaarding aangehaalde argumenten leveren niet relevante nieuwe feiten op die behandeling in kort geding zouden kunnen rechtvaardigen. Doorbreking van het rechtsmiddelenverbod is slechts mogelijk in geval van bijvoorbeeld schending van fundamentele beginselen van procesrecht. Nog daargelaten de vraag of de kort geding procedure dan de aangewezen weg is, zijn door eiser feiten noch omstandigheden gesteld waaruit volgt dat sprake is van een dergelijke schending.

3.2. Eiser heeft de door hem thans aangevoerde redenen op grond waarvan hij meent dat vervolging in Nederland dient plaats te vinden reeds ter beoordeling voorgelegd aan de overleveringsrechter. Uit de uitspraak van 23 december 2009 blijkt dat de overleveringsrechter die redenen heeft betrokken bij zijn beoordeling en dat deze niet hebben geleid tot het oordeel dat de overlevering geen doorgang mag vinden (zie onder 6.3 van de uitspraak van 23 december 2009). Bovendien bestaat er in beginsel geen verplichting om tot vervolging over te gaan, ook niet op verzoek van een burger of van de verdachte zelf, en evenmin indien, zoals eiser aanvoert, er meerdere aanknopingspunten zijn dat in het kader van een goede rechtsbedeling de strafvervolging in Nederland meer op zijn plaats is.

3.3. Met betrekking tot de vordering die ziet op het geven van een aanwijzing door de minister van justitie aan de officier van justitie wordt in aanmerking genomen dat toewijzing van de gevorderde aanwijzing snel op gespannen voet staat met de thans geldende leer van de scheiding der machten, waarin immers de (straf)rechterlijke macht onafhankelijk is van de wetgevende en uitvoerende machten. Beslissingen in individuele strafzaken zijn door de wetgever op grond van rechtstatelijke overwegingen rechtstreeks aan de officier van justitie toegekend. Slechts indien er sprake is van gronden ontleend aan het algemeen belang dan wel in zeer bijzondere omstandigheden, is er plaats voor een aanwijzing zoals gevorderd. Eiser heeft gesteld dat er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden, inhoudende dat er gegronde vrees bestaat dat hij in België slachtoffer zal worden van mensenrechtenschendingen, in het bijzonder van handelingen in strijd met de artikelen 3, 5 en 6 van het EVRM. De voorzieningenrechter oordeelt dat eiser deze grond eveneens ter beoordeling heeft voorgelegd aan de internationale rechtshulpkamer. Uit de uitspraak van 23 december 2009 blijkt dat de internationale rechtshulpkamer deze omstandigheden heeft betrokken bij haar beoordeling en dat dit niet heeft geleid tot het oordeel dat de overlevering geen doorgang mag vinden (zie onder 6.2 van de uitspraak van 23 december 2009).

3.4. Op grond van het voorgaande zal de primaire en subsidiaire vordering worden afgewezen. Met betrekking tot de meer subsidiaire vordering overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Het oordeel van de rechtbank te Amsterdam dat de overlevering doorgang mag vinden (zie onder 6.2 van de uitspraak van 23 december 2009), laat, zoals gedaagde terecht stelt, geen ruimte voor het doen van een onderzoek ten aanzien van de te verwachten detentie omstandigheden in België en het alsnog bij de Belgische autoriteiten bedingen van garanties ter waarborging van de eerbiediging van voormelde EVRM artikelen. Uit voorgaande en hetgeen onder 3.3 is overwogen, volgt dat de vordering voor zover deze ziet op detentie van eiser in Nederland zal worden afgewezen. Van nieuwe bijzondere en concrete omstandigheden met betrekking tot eiser, die niet aan de internationale overleveringskamer hadden kunnen worden voorgelegd, is niet gebleken. De vorderingen van eiser voor zover gebaseerd op deze stellingen komen mitsdien evenmin voor toewijzing in aanmerking.

3.5. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.078,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 262,-- aan griffierecht;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2010.

mb