Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL3737

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-02-2010
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
AWB 08/18454 BEPTDN
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BN1248, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Noord-Somalië (provincie Sool) / Midgan/Madhiban / 3 EVRM / artikel 15c Definitierichtlijn / d-grond

Eiser bezit de Somalische nationaliteit en hij behoort tot de minderheidsgroep der Midgan/Madhiban. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers relaas positieve overtuigingskracht mist. Verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen verdragsvluchteling is. Tussen partijen is niet in geschil en de rechtbank stelt vast dat eiser vanaf zijn achtste levensjaar woonachtig is geweest in Noord-Somalië, zodat de rechtbank zich bij de beoordeling van de vraag of eiser in aanmerking komt voor bescherming op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw uitgaat van terugkeer naar Noord-Somalië.

Gelet op hetgeen ten aanzien van het asielrelaas is overwogen, heeft verweerder terecht niet aannemelijk geacht dat eiser bij gedwongen verwijdering naar Somalië op grond van de door hem naar voren gebracht specifieke onderscheidende kenmerken een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan foltering, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. De rechtbank is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat eiser behoort tot de Midgan/Madhiban onvoldoende grond is voor het oordeel dat bij uitzetting van eiser naar Noord-Somalië sprake is van een risico op schending van artikel 3 van het EVRM.

De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de ABRvS niet kan worden gevolgd in het oordeel dat artikel 3 van het EVRM ook bescherming biedt tegen schade als gedefinieerd in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Weliswaar verschillen de bewoordingen van artikel 3 van het EVRM en artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, maar de jurisprudentie van het EHRM, in het bijzonder rechtsoverweging 115 van het hiervoor genoemd arrest NA. tegen het Verenigd Koninkrijk, biedt naar het oordeel van de rechtbank thans geen aanknopingspunten voor het oordeel dat artikel 3 van het EVRM zo beperkt moet worden opgevat dat het niet ziet op een situatie als omschreven door het Hof in rechtsoverweging 43, tweede gedachtestreepje, van het arrest van 17 februari 2009. De rechtbank is van oordeel dat uit de door eiser overgelegde stukken, waaronder het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van maart 2009, weliswaar blijkt dat de veiligheidssituatie in de provincie Sool zorgelijk is, maar dat hieruit niet kan worden afgeleid dat de mate van het willekeurig geweld in het kader van het door eiser gesteld gewapend conflict in de provincie Sool dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat een persoon die hiernaar terugkeert enkel door zijn of haar aanwezigheid een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van dat geweld. Derhalve biedt hetgeen eiser heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat eiser in aanmerking dient te komen voor bescherming op grond van artikel 15, onder c, van de Definitierichtlijn. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in Noord-Somalië geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 29, aanhef en onder d, van de Vw, op grond waarvan verweerder aan eiser een verblijfsvergunning niet heeft kunnen onthouden. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Utrecht

Sector bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

zaaknummer: AWB 08/18454 BEPTDN

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], geboren op [geboortedatum] 1983, van Somalische nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. L.J.P. Mentink, advocaat te Alkmaar,

en

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.A. Pruss.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 15 mei 2008 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 8 maart 2008 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Eiser heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van deze rechtbank van 4 september 2008, waar eiser is verschenen. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

1.3 Bij brief van 13 oktober 2008 heeft de rechtbank bericht dat onder toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is besloten het onderzoek te heropenen en verweerder verzocht nadere informatie te verstrekken.

1.4 Bij brief van 4 november 2008 heeft verweerder een reactie gegeven.

1.5 Bij brief van 17 november 2008 heeft eisers gemachtigde gereageerd op de brief van verweerder.

1.6 Vervolgens heeft de rechtbank meegedeeld dat de zaak met inachtneming van artikel 8:10, tweede lid, van de Awb voor verdere behandeling wordt verwezen naar de meervoudige kamer, aangezien zij van oordeel is dat de zaak ongeschikt is voor de behandeling door één rechter.

1.7 Het geding is vervolgens verder behandeld ter zitting van 1 oktober 2009, waar eiser is verschenen. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser bezit de Somalische nationaliteit en hij behoort tot de minderheidsgroep der Midgan/Madhiban.

2.2 Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers asielrelaas ongeloofwaardig dient te worden geacht.

2.3 Bij de beoordeling van de vraag of verweerder het relaas van eiser in redelijkheid als ongeloofwaardig heeft kunnen bestempelen, gaat de rechtbank uit van het volgende toetsingskader. In hoofdstuk C14/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is neergelegd dat de toetsing van de geloofwaardigheid plaatsvindt op grond van de verklaringen van de vreemdeling, zoals deze onder meer naar voren komen in de gehoren, en van vergelijking van het relaas met al datgene, wat bekend is over de situatie in het land van herkomst uit objectieve bronnen en wat eerder is onderzocht en overwogen naar aanleiding van de gehoren van andere vreemdelingen in een vergelijkbare situatie.

2.4 Voor de toetsing van de geloofwaardigheid van het relaas is van belang of afbreuk wordt gedaan aan die geloofwaardigheid doordat sprake is van een omstandigheid als genoemd in artikel 31, tweede lid, onder a tot en met f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Indien zulks niet aan de orde is, wordt het relaas in beginsel geloofwaardig bevonden indien de vreemdeling op alle vragen zo volledig mogelijk heeft geantwoord én het relaas innerlijk consistent én niet onaannemelijk is én strookt met wat er over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is.

2.5 Indien wel sprake is van een omstandigheid als genoemd in artikel 31, tweede lid, onder a tot en met f, van de Vw, mogen in het relaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Kortom, van het relaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

2.6 De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder aan eiser het ontbreken van documenten ter staving van zijn asielrelaas heeft tegengeworpen. Noch in de zienswijze, noch in de gronden van beroep heeft eiser betwist dat hij toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd ter ondersteuning van zijn asielrelaas. Desgevraagd heeft eiser ter zitting van 4 september 2008 verklaard dat hij inderdaad niet heeft betwist dat hij zijn huwelijksbewijs niet heeft overgelegd, maar dat hij geen standpunt inneemt of dit toerekenbaar is. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het eiser is toe te rekenen dat dit huwelijksbewijs niet heeft overgelegd. Zo heeft hij verklaard dat hij in het bezit is geweest van een huwelijksbewijs in de vorm van een brief van de Sheikh die zijn huwelijk zou hebben voltrokken, maar dat hij dit is kwijtgeraakt. Nu eiser heeft verklaard dat hij mede vanwege zijn huwelijk problemen heeft ondervonden en daarom zijn land van herkomst heeft moeten verlaten, mag worden verwacht dat hij zijn documenten zorgvuldig bewaart. In de paragrafen C4/3.6.2 en C4/3.6.3 van de Vc staat voorts vermeld dat, indien wordt vastgesteld dat ten aanzien van één van de elementen identiteit, nationaliteit, reisroute of asielrelaas documenten ontbreken en dit is toe te rekenen aan de asielzoeker, dit voldoende is voor de algemene conclusie dat sprake is van “het toerekenbaar ontbreken van documenten”.

2.7 Verweerder heeft derhalve zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het ontbreken van documenten afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het relaas van eiser.

2.8 Van het relaas van eiser dient dan ook een positieve overtuigingskracht uit te gaan.

2.9 Eiser heeft aangevoerd dat hij een relatie met een meisje van een andere clan heeft gehad, met wie hij is gehuwd nadat zij zwanger was geraakt. Vanwege de hierop volgende bedreigingen van haar clangenoten heeft eiser Somalië verlaten. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de relatie tussen eiser en het meisje niet aannemelijk wordt geacht, nu eiser hierover onaannemelijke verklaringen heeft afgelegd. Eiser betwist dat het niet aannemelijk is dat hij niet meteen wist dat zijn vriendin tot een andere stam, de Dhulbahante, behoorde. Het is uiterlijk niet zichtbaar tot welke stam iemand behoort. Hoewel de clanlijn bepalend is voor de toekomst en het dagelijks leven, houdt de liefde geen rekening met clanafkomst. Voor eiser zelf is de clanafkomst niet bepalend. Hij meent dat iedereen gelijk is aan elkaar.

2.10 De rechtbank is met verweerder van oordeel uit het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 23 november 2007 blijkt dat juist in een land als Somalië de clanlijn erg bepalend is voor de toekomst en het dagelijks leven, zodat onwaarschijnlijk is dat eiser niet vanaf het begin van de relatie in mei 2004 op de hoogte was van de clanlijn van het meisje. Hierbij heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat eiser weinig weet te vertellen over zijn vriendin en haar familie. Eisers verklaring hieromtrent in beroep dat hij steeds slechts korte tijd bij haar kon zijn, zodat hun communicatie in tijd beperkt was en hij het niet belangrijk vond hoeveel broers en zussen zij had, heeft verweerder in redelijkheid eveneens onvoldoende kunnen achten, gelet op de gestelde frequentie van de ontmoetingen tussen eiser en zijn vriendin in de periode vanaf mei 2004 tot februari 2005. Eiser heeft verder niet kunnen verklaren hoe het mogelijk is geweest dat zijn vriendin, die streng onder controle heeft gestaan van haar familie, van diezelfde familie de vrijheid zou hebben gehad om twee tot drie keer per week, gedurende de periode vanaf mei 2004 tot februari 2005, alleen uit te gaan.

2.11 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich reeds op basis het voorgaande in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers relaas positieve overtuigingskracht mist.

2.12 Voor zover eiser stelt dat hij vanwege zijn eigen afkomst gediscrimineerd is, is de rechtbank van oordeel dat dit niet de reden was voor zijn vertrek uit Somalië. Eiser heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat discriminatie voor hem persoonlijk heeft geleid tot ernstige beperkingen in zijn bestaan. Een asielzoeker kan eerst dan als vluchteling worden aangemerkt indien hij aannemelijk heeft gemaakt dat discriminatie voor hem persoonlijk heeft geleid tot ernstige beperkingen in zijn bestaan en aannemelijk is dat de autoriteiten hem niet hebben kunnen of willen beschermen tegen deze vorm van discriminatie. Nu hiervan geen sprake is, behoeft de vraag of de autoriteiten hem geen bescherming hebben willen of kunnen bieden derhalve geen beantwoording meer.

2.13 Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen verdragsvluchteling is. Eiser komt dan ook niet aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.

2.14 Ten aanzien van zijn stelling dat hij in aanmerking dient te komen voor bescherming op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw en/of artikel 15, onder c, van de richtlijn 2004/83/EG (de Definitierichtlijn), heeft eiser het volgende aangevoerd.

2.15 Eiser komt uit Las Anod, gelegen in de provincie Sool. Dit gebied wordt geclaimd door zowel Somaliland als Puntland. In oktober 2007 werd Las Anod door Somaliland veroverd. Tijdens deze gevechten is bijna de helft van de bevolking ontheemd geraakt. Veel ontheemden durfden niet terug te keren. Daarbij is van belang dat eiser behoort tot een minderheidsgroepering van de Midgan/Madhiban. Deze zogenaamde beroepskasten worden in heel Somalië en in Somaliland gediscrimineerd. De huidige gezagshebbers in Puntland zijn niet blij met de inname van Las Anod door Somaliland en de president van Puntland heeft inmiddels aangekondigd dat hij de regio Sool zal heroveren. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hem een geslaagd beroep toekomt op artikel 15c van de Definitierichtlijn omdat hij uit Las Anod komt en behoort tot een minderheid. Het algemeen ambtsbericht over Somalië uit november 2007, ten dele geactualiseerd in juli 2008, spreekt er nog over dat in de periode 2007/2008 het conflict met Puntland over Sool en Sanaag opnieuw is opgelaaid. Op pagina 50 van het ambtsbericht staat dat als gevolg van de gevechten in Las Anod 30.000 tot 50.000 mensen ontheemd zijn geraakt. In maart 2008 omschreef de secretaris-generaal van de Verenigde Naties de veiligheidsituatie in heel Somalië, inclusief het noorden, als instabiel (pagina 44 van het ambtsbericht, geactualiseerd in juli 2008). Inmiddels is er geen ander standpunt van de Verenigde Naties; de veiligheidssituatie in heel Somalië geldt dus nog steeds als instabiel, aldus eiser.

2.16 In het ambtsbericht van maart 2009 wordt ingegaan op de zeer slechte positie van de beroepskasten Gaboye, waartoe eiser behoort. Op pagina 50 van het ambtsbericht staat dat de etnische minderheden zwaar te lijden hebben onder de gewapende conflicten. Op pagina 65 staat dat ontheemden in Somaliland, Puntland, Sool en Sanaag een marginale, geïsoleerde positie in de samenleving innemen. Zij bevinden zich daardoor in een kwetsbare positie en zijn vaak het slachtoffer van criminaliteit. De ontheemden in Somaliland en Puntland die niet oorspronkelijk uit deze regio’s komen lopen het risico door de autoriteiten gevangen genomen en gedeporteerd te worden. Kortom, eiser meent dat hij, vanwege zijn clan-afkomst en vanwege het feit dat hij het grootste gedeelte van zijn leven in Las Anod heeft doorgebracht, reeds op die grond het gevaar loopt het slachtoffer te worden van schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dan wel dat hij subsidiaire bescherming moet verkrijgen op basis van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

2.17 Wat betreft het beroep van eiser op artikel 3 van het EVRM overweegt de rechtbank het volgende. Tussen partijen is niet in geschil en de rechtbank stelt vast dat eiser vanaf zijn achtste levensjaar woonachtig is geweest in Noord-Somalië, zodat de rechtbank zich bij de beoordeling van de vraag of eiser in aanmerking komt voor bescherming op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw uitgaat van terugkeer naar Noord-Somalië.

2.18 Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van het asielrelaas is overwogen, heeft verweerder terecht niet aannemelijk geacht dat eiser bij gedwongen verwijdering naar Somalië op grond van de door hem naar voren gebracht specifieke onderscheidende kenmerken een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan foltering, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

2.19 Volgens Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2008/12 behoort de Midgan niet tot een kwetsbare minderheidsgroep. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet heeft aangetoond dat hij behoort tot een kwetsbare groep die systematisch wordt getroffen door geweld. De rechtbank is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat eiser behoort tot de Midgan/Madhiban onvoldoende grond is voor het oordeel dat bij uitzetting van eiser naar Noord-Somalië sprake is van een risico op schending van artikel 3 van het EVRM. In het algemeen ambtsbericht van Somalië van november 2007 staat in paragraaf 4.1.1 (ten aanzien van de Gaboye, waartoe Midgan behoort, geactualiseerd in juli 2008) het volgende vermeld over de Gaboye: “Ondanks deze discriminatie hebben ze over het algemeen niet te kampen met ernstige, aan hun etniciteit gerelateerde, problemen op het gebied van mensenrechten.” De rechtbank ziet in de door eiser overgelegde documenten geen aanknopingspunten voor een ander oordeel.

2.20 Eiser heeft verder aangevoerd dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn een zelfstandige beoordeling vergt die los moet worden gezien van artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw tevens voorziet in de door de Definitierichtlijn vereiste bescherming, aangezien deze bepaling de grondslag biedt voor vergunningverlening in situaties die door artikel 3 van het EVRM worden bestreken en laatstgenoemde bepaling – gelet op de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 17 juli 2008 in de zaak NA. tegen het Verenigd Koninkrijk (LJN: BF0248) – ook ziet op de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

2.21 Volgens artikel 2, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn – voor zover hier van belang – komt een onderdaan van een derde land die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, in aanmerking voor een subsidiaire beschermingsstatus, indien ten aanzien van hem zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15 van de Definitierichtlijn en hij zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen.

Onder ernstige schade wordt volgens artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn verstaan een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

2.22 In het arrest van het Hof van Justitie van de EG (hierna: het Hof) van 17 februari 2009 (LJN: BH3646) over de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van Definitierichtlijn, heeft het Hof in rechtsoverweging 43 antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) had gesteld:

“43. Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 15, sub c, van de richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 2, sub e, van deze richtlijn, moet worden uitgelegd als volgt:

- opdat sprake is van een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van degene die om subsidiaire bescherming verzoekt, is het niet noodzakelijk dat deze persoon aantoont dat hij specifiek wordt geviseerd om redenen die te maken hebben met zijn persoonlijke omstandigheden;

- bij wijze van uitzondering kan een dergelijke bedreiging worden geacht aanwezig te zijn wanneer de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapende conflict, die wordt beoordeeld door de bevoegde nationale autoriteiten waarbij een verzoek om subsidiaire bescherming is ingediend of door de rechters van een lidstaat bij wie beroep is ingesteld tegen de afwijzing van een dergelijk verzoek, dermate hoog is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico op die bedreiging zou lopen.”

2.23 In de uitspraak van 25 mei 2009 (LJN: BI4791) heeft de ABRvS overwogen dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn, uitsluitend bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige bedreiging.

Voorts heeft de ABRvS overwogen dat artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw voorziet in de aldus vereiste bescherming, aangezien deze bepaling de grondslag biedt voor vergunningverlening in situaties die door artikel 3 van het EVRM worden bestreken en laatstgenoemde bepaling – gezien de daaraan door het EHRM gegeven uitleg in het hiervoor genoemd arrest NA. tegen het Verenigd Koninkrijk – ook ziet op de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

2.24 Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de ABRvS in strijd met het arrest van het Hof van 17 februari 2009 heeft overwogen dat artikel 3 van het EVRM ook ziet op de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

2.25 De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de ABRvS niet kan worden gevolgd in het oordeel dat artikel 3 van het EVRM ook bescherming biedt tegen schade als gedefinieerd in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Weliswaar verschillen de bewoordingen van artikel 3 van het EVRM en artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, maar de jurisprudentie van het EHRM, in het bijzonder rechtsoverweging 115 van het hiervoor genoemd arrest NA. tegen het Verenigd Koninkrijk, biedt naar het oordeel van de rechtbank thans geen aanknopingspunten voor het oordeel dat artikel 3 van het EVRM zo beperkt moet worden opgevat dat het niet ziet op een situatie als omschreven door het Hof in rechtsoverweging 43, tweede gedachtestreepje, van het arrest van 17 februari 2009.

2.26 Partijen verschillen van mening over de vraag of zich in Las Anod, provincie Sool, een uitzonderlijke situatie als bedoeld in het hiervoor genoemde arrest van het Hof, voordoet. Verweerder heeft zich hierover in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in zijn geval sprake is van een zodanige mate van geweld dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een persoon die terugkeert naar Somalië aldaar enkel door zijn of haar aanwezigheid een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van dat geweld.

2.27 Eiser heeft bij brief van 21 september 2009 zich beroepen op de slechte veiligheidssituatie in de regio Sool. Daartoe heeft eiser zich beroepen op het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van maart 2009 en een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 18 september 2009, met de volgende stukken:

- Writenet Report (april 2009) “Somalia: A national and regional disaster”,

- een bericht van Wikipedia “Somaliland presidential election, 2009,

- rapport van Amnesty International (maart 2009),

- International Crisis Group Somalia: The Trouble with Puntland, van 12 augustus 2009,

- Een bericht van BBC van 2 augustus 2009,

- Rapport van Schweizerische Flüchtlingshilfe van 17 december 2008: Update on the current situation (2006-2008)

2.28 De rechtbank is van oordeel dat uit de door eiser overgelegde stukken, waaronder het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van maart 2009, weliswaar blijkt dat de veiligheidssituatie in de provincie Sool zorgelijk is, maar dat hieruit niet kan worden afgeleid dat de mate van het willekeurig geweld in het kader van het door eiser gesteld gewapend conflict in de provincie Sool dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat een persoon die hiernaar terugkeert enkel door zijn of haar aanwezigheid een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van dat geweld. Derhalve biedt hetgeen eiser heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat eiser in aanmerking dient te komen voor bescherming op grond van artikel 15, onder c, van de Definitierichtlijn.

2.29 Met betrekking tot het beroep op het categoriaal beschermingsbeleid overweegt de rechtbank als volgt.

2.30 Het geschil beperkt zich tot de vraag of verweerder in Noord-Somalië een categoriaal beschermingsbeleid had moeten voeren.

2.31 De rechtbank stelt voorop dat gelet op vaste jurisprudentie van de ABRvS (ingezet bij uitspraak van 8 november 2001, JV 2002/12) de vraag of een asielzoeker op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw voor toelating in aanmerking komt, moet worden beantwoord aan de hand van een beoordeling van de algehele situatie in het land van herkomst. Ter zake daarvan komt verweerder een ruime beoordelingsmarge toe, waarvan de aanwending toetsing in rechte slechts dan niet kan doorstaan, indien geoordeeld moet worden dat verweerder bij afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen en gegeven de feitelijke grondslag ervan, niet in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. De rechter dient bij die toetsing het oordeel over de algehele situatie in het land van herkomst, dat tot stand pleegt te komen in samenspraak met en met instemming van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, in beginsel te respecteren.

2.32 Het categoriale beschermingsbeleid zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit is neergelegd in Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire van 13 maart 2008 (WBV 2008/12). Dit WBV is mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van 27 november 2007. Er gold een categoriaal beschermingsbeleid voor Somalische vreemdelingen, die niet afkomstig zijn uit Somaliland, Puntland, met uitzondering van de provincies Sool en Sanaag. In het WBV is opgemerkt dat in de gebieden Somaliland, Puntland, Sool en Sanaag geen sprake is van een zodanig wijdverspreid, grootschalig en willekeurig geweld dat deze gebieden eveneens als categoriaal beschermingswaardig hadden moeten worden aangemerkt. De rechtbank ziet in de door eiser overgelegde stukken geen grond voor het oordeel dat verweerder zich - gelet op zijn ruime beoordelingsvrijheid - niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ten aanzien van Noord-Somalië (meer in het bijzonder Sool) niet hoeft te worden overgegaan tot het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 23 januari 2008 (AWB 07/45400), treft geen doel. Anders dan het geval in de casus van de rechtbank Amsterdam waarnaar eiser heeft verwezen gold in onderhavige zaak ten tijde van het bestreden besluit het WBV 2008/12.

2.33 Uit het voorgaande volgt tot slot dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 29, aanhef en onder d, van de Vw, op grond waarvan verweerder aan eiser een verblijfsvergunning niet heeft kunnen onthouden.

2.34 Ook wat verder is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Het beroep is ongegrond.

2.35 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.P. Glerum, als voorzitter, en mr. K.J. Veenstra en mr. L. de Vaan, als leden, en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2010.

De griffier:

mr. M.M. van Luijk-Salomons

De voorzitter:

mr. M.P. Glerum

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.