Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL3679

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-02-2010
Datum publicatie
04-03-2010
Zaaknummer
UTL-I-2009.059.396
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot uitlevering ter fine van strafvervolging van de opgeëiste persoon door de autoriteiten van de Oekraine ter zake van twee feiten.

Feit 1 betreft het veroorzaken van een auto-ongeluk waarbij drie slachtoffers verschillende verwondingen hebben opgeleverd, feit twee betreft een diefstal met geweld.

De uitlevering ten aanzien van feit 1 is ontoelaatbaar verklaard omdat het feit verjaard is.

De uitlevering ten aanzien van feit 2 is toelaatbaar verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

UITLEVERINGSKAMER

(UITSPRAAK)

Kenmerk : UTL-I-2009.059.396

Raadkamernummer : 10/482

's-Gravenhage, 8 februari 2010

De rechtbank 's-Gravenhage, uitleveringskamer, doet de volgende uitspraak op een verzoek van de Oekraïne tot uitlevering van:

[opgeëiste persoon] (ook wel geschreven als [alias A] of [alias B]),

geboren [geboortedatum] in 1978 te [geboorteplaats] (Oekraïne),

thans gedetineerd te [penitentiaire inrichting],

verder te noemen de opgeëiste persoon.

1. Het verzoek tot uitlevering.

Bij brief van 9 december 2009 heeft het bureau van de procureur-generaal van de Oekraïne de minister van justitie van Nederland verzocht om uitlevering van de opgeëiste persoon voornoemd ter fine van strafvervolging.

2. De overgelegde stukken.

Met betrekking tot dit verzoek zijn de volgende stukken overgelegd:

I. een brief van de minister van justitie aan de hoofdofficier van justitie te 's-Gravenhage, gedateerd 10 december 2009, waarbij is gevoegd een faxbericht houdende het verzoek van de Oekraïense autoriteiten tot uitlevering van [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedatum] in 1978 te [geboorteplaats] (Azarbeidzjaan), van Armeense nationaliteit;

II. een brief van de minister van justitie aan het IRC Den Haag, gedateerd 15 december 2009, waarbij is gevoegd:

1. een in de Oekraïense taal met vertaling in het Engels gesteld verzoek van het bureau van de procureur-generaal van Oekraïne van 9 december 2009 houdende het verzoek tot uitlevering van [opgeëiste persoon] (welke naam ook gespeld kan worden als [alias A]), geboren op [geboortedatum] in 1978 met het oog op strafvervolging wegens het plegen van misdrijven als bedoeld in de artikelen 215, tweede lid, en 187, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht van de Oekraïne; hierbij zijn gevoegd de navolgende in de Oekraïense taal met Engelse vertaling gestelde documenten:

A. een verzoek tot uitlevering van de rechercheafdeling van het departement van het ministerie van binnenlandse zaken van de regio Kirovograd van 7 december 2009 betreffende de opgeëiste persoon [opgeëiste persoon] (ook gespeld als [alias A]), geboren op [geboortedatum] in 1978 te [geboorteplaats] (ook gespeld als [geboorteplaats]) in de Republiek Azerbeidzjan, van Armeense afkomst, staatsburger van de Oekraïne, met het oog op strafvervolging; dit verzoek houdt tevens in de uiteenzetting van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd; hierbij zijn gevoegd:

a. een gecertificeerde copie van het besluit van de stedelijke districtsrechtbank te Znamyanka in de regio Kirovograd van 4 december 2009 tot wijziging van een uitreisverbod in een aanhoudingsbevel betreffende de opgeëiste persoon;

b. een copie van het besluit van een opsporingsambtenaar van de rechercheafdeling van de stedelijke districtsafdeling te Znamyanka van het departement van het ministerie van binnenlandse zaken van de Oekraïne in de regio Kirovograd van 6 mei 2000 houdende het openen van een strafzaak tegen de opgeëiste persoon in verband met het misdrijf als bedoeld in artikel 215, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht van de Oekraïne;

c. een copie van het besluit van een opsporingsambtenaar van de rechercheafdeling van de stedelijke districtsafdeling te Znamyanka van het departement van het ministerie van binnenlandse zaken van de Oekraïne in de regio Kirovograd van 29 juli 2001 houdende het openen van een strafzaak tegen de opgeëiste persoon in verband met het misdrijf als bedoeld in artikel 142, eerste lid, (thans artikel 187, eerste lid) van het Wetboek van Strafrecht van de Oekraïne;

d. een copie van het besluit van het hoofd van de rechercheafdeling van de stedelijke districtsafdeling te Znamyanka van het departement van het ministerie van binnenlandse zaken van de Oekraïne in de regio Kirovograd van 27 november 2009 houdende het aanklagen van de opgeëiste persoon in verband met de misdrijven als bedoeld in de artikelen 215, tweede lid, en 187, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht van de Oekraïne;

e. een copie van het besluit van een opsporingsambtenaar van de rechercheafdeling van de stedelijke districtsafdeling te Znamyanka van het departement van het ministerie van binnenlandse zaken van de Oekraïne in de regio Kirovograd van 31 maart 2002 houdende een opsporingsbevel betreffende de opgeëiste persoon voor de beide in de hiervoor onder II.1.A.b. en II.1.A.c. bedoelde strafzaken;

f. een verklaring van het hoofd van de rechercheafdeling van de stedelijke districtsafdeling te Znamyanka van het departement van het ministerie van binnenlandse zaken van de Oekraïne in de regio Kirovograd houdende een opsomming van de voorhanden bewijsmiddelen voor de feiten waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd;

g. een verklaring van het hoofd van de sector burgerzaken, immigratie en registratie van natuurlijke personen van de stedelijke districtsafdeling te Znamyanka van het departement van het ministerie van binnenlandse zaken van de Oekraïne in de regio Kirovograd houdende dat de opgeëiste persoon staatsburger van de Oekraïne is;

h. een verklaring van het hoofd van de rechercheafdeling van de stedelijke districtsafdeling te Znamyanka van het departement van het ministerie van binnenlandse zaken van de Oekraïne in de regio Kirovograd betreffende de persoonsgegevens van de opgeëiste persoon;

i. de tekst van artikel 215 van het Wetboek van Strafrecht van de Oekraïne in de redactie van 1960;

j de tekst van de artikelen 5, 12, 49, 187 en 286 van het Wetboek van Strafrecht van de Oekraïne in de redactie van 2001;

k. de tekst van artikel 206 van het Wetboek van Strafvordering van de Oekraïne;

l. een fotocopie van de paspoortaanvraag door de opgeëiste persoon; in het onder II.1.A. genoemde document is vermeld dat er twee fotocopieën zijn bijgevoegd, doch de rechtbank heeft slechts één fotocopie aangetroffen;

III. een vertaling van de onder II.1., II.1.A., en II.1.A.a. tot en met II.1.A.j. vermelde documenten uit het Engels in het Nederlands;

IV. een vertaling van de onder II.1., II.1.A. en II.A.a. tot en met II.1.A.l. vermelde documenten uit de Oekraïense taal in het Nederlands;

V. een copie van een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 november 2009, sector bestuursrecht, houdende gegrondverklaring van een beroep gericht tegen de vreemdelingenbewaring van de opgeëiste persoon;

VI. een emailbericht van het korps landelijke politiediensten aan [naam], werkzaam bij het arrondissementsparket te 's-Gravenhage, van 25 november 2009, waarbij is gevoegd een in de Engelse taal gesteld bericht van interpol Kiev van 23 november 2009; hierin is vermeld dat de foto van de door de Nederlandse autoriteiten aangehouden persoon herkend is als de door de Oekraïne opgeëiste persoon;

VII. een emailbericht van het korps landelijke politiediensten aan [naam], werkzaam bij het arrondissementsparket te 's-Gravenhage, van 27 november 2009, waarin is vermeld dat als reactie op het bericht van de afdeling dactyloscopie van de KLPD van 31 augustus 2009, waarbij de vingers en de naam van [opgeëiste persoon] internationaal gecommuniceerd zijn, de Oekraïense autoriteiten reageerden met de melding dat zij deze persoon zochten; hierbij is onder meer gevoegd het betreffende in de Engelse taal gestelde bericht van interpol Kiev van 28 oktober 2009;

VIII. een uittreksel uit het algemeen documentatieregister van 27 november 2009 betreffende de opgeëiste persoon;

IX. een schriftelijke vordering van de officier van justitie te 's-Gravenhage, gedateerd 16 december 2009 en ter griffie ingekomen op 11 januari 2010, strekkende tot inbehandelingneming van het verzoek tot uitlevering en tot gevangenhouding van de opgeëiste persoon.

3. Overige stukken.

Ter zitting van de uitleveringskamer van 25 januari 2010 heeft de officier van justitie een schriftelijke samenvatting overgelegd, houdende haar opvatting omtrent de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek.

4. Omschrijving van het verzoek.

4.1. Volgens de hiervoor onder II.1.A.b en II.1.A.c vermelde besluiten met betrekking tot het openen van een tweetal strafzaken tegen de opgeëiste persoon wordt hij verdacht van de volgende feitencomplexen.

4.2. Feitencomplex 1: Op 3 mei 2000 omstreeks 17.00 uur heeft hij als bestuurder van een auto van het merk VAZ-2103 gereden over de autoweg Kiev-Lugansk in de buurt van het dorp Plodopitomnik in het Znamyanskiy district in de regio Kirovograd. Hij is daar toen begonnen aan een inhaalmanoeuvre, waarbij hij zich niet heeft vergewist dat de weghelft bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer vrij was van voertuigen. Hij is laatstbedoelde weghelft opgereden waarbij hij op deze weghelft een aanrijding veroorzaakte met een hem tegemoetkomende auto van het merk Ford Sierra, bestuurd door [slachtoffer A].

- [slachtoffer A] heeft tengevolge van deze aanrijding lichamelijk letsel opgelopen, te weten een gezwollen neus, linker elleboog en rechter polsgewricht, kneuzingen aan het gezicht, rechter elleboog en linker pols en bloeduitstortingen op de rug en linker schouder. Dit letsel wordt als licht letsel geclassificeerd.

- [slachtoffer B] (de passagier in de door [slachtoffer A] bestuurde auto) heeft lichamelijk letsel opgelopen, te weten een wond aan het voorhoofd-slaapgedeelte en een open breuk van beide botten van het rechteronderbeen met dislocatie van de botgedeelten. Dit letsel wordt als zwaar letsel geclassificeerd en levensbedreigend op het moment van het ontstaan.

- [slachtoffer C] (de passagier in de door [opgeëiste persoon] bestuurde auto) heeft lichamelijk letsel opgelopen, te weten kneuzingen en bloeduitstortingen aan het hoofd, beschadiging van het hoornvlies van het rechteroog, opgezette weke delen in het bekkengebied en van het linkerbeen, een gesloten breuk van het bekken en van het buitenste linkerenkelgewricht. Dit letsel wordt geclassificeerd als middelzwaar letsel met langdurige ontwrichting van de gezondheid (langer dan drie weken).

4.3. Feitencomplex 2: Op 28 juli 2001 omstreeks 16.00 uur heeft hij als bestuurder van een auto merk VAZ-21011 op de weg gereden in de buurt van het dorp Dykivka van het Znamyanskiy district in de regio Kirovograd en daarbij met deze auto de weg geblokkeerd, waardoor de auto van het merk KAMAZ, bestuurd door [slachtoffer D] gedwongen werd te stoppen. [opgeëiste persoon] is vervolgens naar de KAMAZ gegaan en heeft [slachtoffer D] een vuistslag in het gezicht gegeven, waardoor deze pijn ondervond. [opgeëiste persoon] eiste met een zeisslijper in de hand vervolgens van [slachtoffer D] dat deze de cabine zou verlaten, en beschadigde met de zeisslijper het portier van de cabine en drie autobanden. [slachtoffer D] verliet de cabine. [opgeëiste persoon] eiste geld van [slachtoffer D] en stak hem daarbij met een mes in de arm; hierdoor liep [slachtoffer D] licht lichamelijk letsel op. Vervolgens ging [opgeëiste persoon] de cabine van de KAMAZ in en nam daar ter toeëigening weg een aan [slachtoffer D] toebehorende autoradio en aan [slachtoffer E] (eigenaar van de KAMAZ) toebehorende goederen.

5. Het onderzoek ter zitting.

Ter zitting van 25 januari 2010 heeft de voorzitter mededeling gedaan van het uitleveringsverzoek alsmede van de inhoud van de hiervoor onder 2 genoemde stukken.

De opgeëiste persoon, ter zitting verschenen en bijgestaan door zijn raadsman mr. V. Senczuk, advocaat te Utrecht, heeft verklaard dat hij zich tegen de gevraagde uitlevering verzet. Door en namens de opgeëiste persoon is ter zitting verweer gevoerd, waarop hieronder wordt ingegaan.

De officier van justitie heeft in de samenvatting, onder 3 genoemd, te kennen gegeven dat de gevraagde uitlevering gedeeltelijk toelaatbaar is.

6. Beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering.

6.1. Op het verzoek is toepasselijk:

o het Europees verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 (trb.1965, 9) (hierna: het Europees verdrag) met de op 1 februari 2000 door de Oekraïense regering afgelegde verklaring betreffende artikel 12;

o het Eerste Aanvullende Protocol bij het Europees verdrag betreffende uitlevering van 15 oktober 1975 (trb.1979, 119);

o het Tweede Aanvullende Protocol bij het Europees verdrag betreffende uitlevering van 17 maart 1978 (trb.1979, 120) met de op 1 februari 2000 door de Oekraïense regering afgelegde verklaring betreffende artikel 12 van het Europees verdrag.

6.2. De rechtbank stelt vast dat de door de opeisende partij overgelegde stukken voldoen aan de eisen vervat in artikel 12 van het Europees verdrag.

6.3. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat zijn identiteit volgens de in deze zaak overgelegde documenten [naam], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Oekraïne) is, maar dat dat in werkelijkheid niet zo is. Ter zitting heeft hij echter niet nader willen verklaren omtrent zijn identiteit en nationaliteit dan dat hij niet de Nederlandse nationaliteit bezit.

6.3.1. De raadsman heeft aangevoerd dat de identiteit en de nationaliteit van de opgeëiste persoon niet voldoende vaststaan om tot uitlevering ter fine van strafvervolging over te gaan. Ter onderbouwing heeft de raadsman aangevoerd dat zijn cliënt stelt niet de persoon te zijn die in het onder II.1.A.a. vermelde document wordt bedoeld en thans door de autoriteiten van de Oekraïne wordt opgeëist. Ter verdere onderbouwing heeft hij aangevoerd dat de autoriteiten van de Oekraïne hebben geweigerd de opgeëiste persoon een laisser-passer te verschaffen omdat zijn papieren vals zouden zijn.

6.3.2. De officier van justitie heeft hieromtrent gesteld dat de autoriteiten van de Oekraïne hebben meegewerkt aan de identificatie van de opgeëiste persoon waardoor zijn identiteit nu vaststaat. Volgens de officier van justitie is bovendien de mededeling van de opgeëiste persoon dat hij niet de desbetreffende [opgeëiste persoon] is, onvoldoende onderbouwd.

6.3.3. Met betrekking tot het verweer omtrent de nationaliteit en de identiteit van de opgeëiste persoon overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt vast dat uit de door de raadsman aangehaalde uitspraak van de bestuursrechter van 25 november 2009 kan worden opgemaakt dat de opgeëiste - althans ter zitting verschenen - persoon heeft opgegeven te zijn: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedatum] in 1978, met als nationaliteit 'burger van de Oekraïne'. Blijkens deze uitspraak heeft de opgeëiste persoon deze gegevens op geen enkel moment betwist. Hij heeft zich onder deze naam en nationaliteit aangemeld bij de Nederlandse autoriteiten bij zijn asielaanvraag. Uit dezelfde uitspraak van de bestuursrechter volgt ook dat presentatie van de opgeëiste persoon bij de autoriteiten van de Oekraïne een weigering heeft opgeleverd in het afgeven van een laisser-passer. Anders dan de raadman ter zitting heeft aangevoerd, kan uit de hiervoor bedoelde uitspraak van de bestuursrechter echter niet worden opgemaakt dat de reden van deze weigering gelegen was in het feit dat de autoriteiten van de Oekraïne van oordeel waren dat de papieren van de opgeëiste persoon vervalst waren.

De rechtbank wijst er voorts op dat de autoriteiten van de Oekraïne in het emailbericht van 23 november 2009 hebben medegedeeld dat de opgeëiste persoon middels een foto-identificatie was herkend als de [opgeëiste persoon] die gezocht werd door de autoriteiten in verband met een gewelddadige overval in 2001. Dat een laissez-passez door de Oekraïne is geweigerd wil niet zeggen dat de Oekraïne daarmee te kennen heeft gegeven dat betrokkene niet de opgeëiste persoon is.

6.3.4. De rechtbank stelt op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden vast dat de opgeëiste persoon dezelfde persoon is van wie de autoriteiten van de Oekraïne thans uitlevering vragen.

6.4. Strafbaarheid van de feitencomplexen naar het recht van de Oekraïne.

6.4.1. Het in 4.2. beschreven feitencomplex 1 levert naar het recht van de Oekraïne op een misdrijf strafbaar gesteld in artikel 215 van het Wetboek van Strafrecht van de Oekraïne in de redactie van 1960 en kan onder meer bestraft worden, indien het betreft licht of middelzwaar lichamelijk letsel, met een gevangenisstraf voor de duur van maximaal drie jaren of dwangarbeid van maximaal twee jaren en, indien het betreft zwaar lichamelijk letsel met een gevangenisstraf van maximaal tien jaren. Dit feitencomplex levert naar het recht van de Oekraïne op een misdrijf strafbaar gesteld in artikel 286 van het Wetboek van Strafrecht van de Oekraïne in de redactie van 2001 en kan onder meer bestraft worden, indien het betreft licht of middelzwaar lichamelijk letsel, met dwangarbeid voor de duur van maximaal twee en, indien het betreft zwaar lichamelijk letsel met een gevangenisstraf voor de duur van drie tot maximaal acht jaren.

6.4.2. Het onder 4.3. beschreven feitencomplex 2 levert naar het recht van de Oekraïne op een misdrijf strafbaar gesteld in artikel 187, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht van de Oekraïne in de redactie van 2001 en kan worden bestraft met een gevangenisstraf voor de duur van drie tot maximaal zeven jaren.

6.4.3. Gelet op het voorgaande is voldaan aan het in artikel 2, eerste lid, Europees verdrag vermelde vereiste dat de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd door de verzoekende staat strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of maatregel, welke vrijheidsbeneming medebrengt, met een maximum van ten minste 1 jaar.

6.5. Strafbaarheid van de feitencomplexen naar Nederlands recht

6.5.1. Feitencomplex 1 ten aanzien van [slachtoffer B] en [slachtoffer C]

6.5.1.1. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van schuld in de zin van roekeloosheid, daar uit de stukken (het onder II.1.A.a. genoemde document) kan worden opgemaakt dat de opgeëiste persoon begonnen is aan een inhaalmanoeuvre, waarbij hij zich er niet van heeft vergewist dat de weghelft bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer vrij was van voertuigen. Dit zou ingevolge het bepaalde in artikel 6 juncto artikel 175, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) leiden tot een maximaal op te leggen gevangenisstraf van 3 jaren. Voorts is zij van mening dat verdachte gevaarlijk heeft ingehaald en dat daarom ingevolge het bepaalde in artikel 175, derde lid, WVW 1994 de daar bepaalde strafverhoging van toepassing is.

6.5.1.2. De raadsman heeft hierover geen standpunt ingenomen.

6.5.1.3. De rechtbank overweegt het volgende.

Artikel 175, eerste lid, WVW 1994 bepaalt thans dat overtreding van artikel 6 WVW 1994 gestraft wordt met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden, indien het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht. Indien de schuld bestaat uit roekeloosheid, voorziet artikel 175, tweede lid, WVW 1994 in dat geval in een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Roekeloosheid in de zin van artikel 175, tweede lid, WVW 1994 betreft alle gevallen waarin sprake is van zeer onvoorzichtig gedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico's worden genomen (Kamerstukken II, 2001-2002, 28484, nr. 3, p. 10 en 12). Het gaat aldus om de zwaarste vorm van culpa. Ingevolge het bepaalde in artikel 175, derde lid, WVW 1994 kunnen voorts de in het eerste en tweede lid van die bepaling bepaalde gevangenisstraffen met de helft worden verhoogd, indien gevaarlijk is ingehaald.

6.5.1.4.Uit het door de officier van justitie hierboven onder 6.5.1.1 aangehaalde document kan slechts worden opgemaakt dat er sprake was van een inhaalmanoeuvre waarbij de opgeëiste persoon zich er niet van heeft vergewist dat de weghelft bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer vrij was van verkeer. Andere feiten of omstandigheden volgen niet uit de door de autoriteiten van de Oekraïne overgelegde stukken. De rechtbank is derhalve van oordeel dat op grond van de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden onvoldoende vaststaat dat er sprake is geweest van schuld in de zin van roekeloosheid, als bedoeld in artikel 175, tweede lid, WVW 1994. Gelet op het voornoemde document kan evenmin worden vastgesteld dat sprake is geweest van gevaarlijk inhalen.

6.5.1.5. De rechtbank stelt vast dat het letsel bij [slachtoffer B] en [slachtoffer C] zoals vermeld in de feitsomschrijving onder 4.2. kan worden aangemerkt als lichamelijk letsel zoals bedoeld in artikel 6 WVW 1994.

6.5.1.6. De rechtbank kwalificeert de feiten ten aanzien van [slachtoffer B] en [slachtoffer C] dan ook als het misdrijf "overtreding van artikel 6, juncto artikel 175 eerste lid aanhef en onder b WVW 1994", welk misdrijf thans wordt bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden.

6.5.1.7. Gelet op het voorgaande is voor dit onderdeel voldaan aan het in artikel 2, eerste lid, Europees verdrag vermelde vereiste dat de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd, thans door Nederland als aangezochte staat strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste 1 jaar.

6.5.2. Feitencomplex 1 ten aanzien van [slachtoffer A]

6.5.2.1. De onder 4.2. omschreven gedragingen leveren ten aanzien van [slachtoffer A] naar Nederlands recht op de overtreding 'overtreding van artikel 5 WVW 1994', aangezien niet aannemelijk is geworden dat dit slachtoffer zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Dit is een overtreding. Ingevolge artikel 177 WVW 1994 levert overtreding van artikel 5 WVW 1994 een hechtenis op van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie.

6.5.2.2. Aan het vereiste van artikel 2, eerste lid, Europees verdrag dat op het strafbare feit waarvoor uitlevering wordt gevraagd in de aangezochte staat een vrijheidsstraf of maatregel, welke vrijheidsbeneming medebrengt, is gesteld met een maximum van ten minste 1 jaar, wordt aldus niet voldaan. Dat zou in beginsel betekenen dat voor dit onderdeel de uitlevering niet toelaatbaar zou zijn.

6.5.2.3. Uit artikel 2, tweede lid, Europees verdrag volgt echter dat indien het verzoek om uitlevering betrekking heeft op verscheidene, afzonderlijke feiten die alle krachtens de wet van de aangezochte staat strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of met een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt, maar waarvan sommige niet voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot de hoogte van de straf, de aangezochte staat bevoegd is de uitlevering eveneens voor deze laatste feiten toe te staan.

6.5.2.4. Gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen ten aan zien van [slachtoffer B] en [slachtoffer C] en hetgeen hierna over het in 4.3. beschreven feitencomplex 2 zal worden overwogen met betrekking tot de strafbedreiging, kan de rechtbank derhalve in beginsel de uitlevering ook ten aanzien van dit onderdeel van het verzoek toelaatbaar verklaren.

6.5.3. Feitencomplex 2

6.5.3.1. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het onder 4.3. omschreven feitencomplex 2 naar Nederlands recht moet worden gekwalificeerd als diefstal voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en afpersing, strafbaar gesteld in artikel 312, eerste lid, en artikel 317, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

6.5.3.2. De raadsman van de opgeëiste persoon onderschrijft dit standpunt van de officier van justitie.

6.5.3.3. De rechtbank deelt het standpunt van de officier van justitie niet voorzover het de afpersing betreft. In het onder 4.3. omschreven feitencomplex 2 wordt een wegnemingshandeling beschreven. Dit levert naar Nederlands recht op diefstal voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd op de openbare weg, strafbaar gesteld in artikel 312, eerste lid en tweede lid onder 1º Sr, hetwelk is bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

6.5.3.4. Gelet op het voorgaande is voldaan aan het in artikel 2, eerste lid, Europees verdrag vermelde vereiste dat dit feitencomplex, waarvoor uitlevering wordt gevraagd, door Nederland als aangezochte staat strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste 1 jaar.

6.6. Verjaring naar Nederlands recht

6.6.1. De officier van justitie heeft ter zitting gesteld dat feitencomplex 1 ten aanzien van slachtoffer [slachtoffer A] is verjaard en dat derhalve de uitlevering van de opgeëiste persoon daarvoor niet toelaatbaar moet worden geacht. Ten aanzien van de overige feiten stelt de officier van justitie dat de verjaring nog niet is ingetreden.

6.6.2. De raadsman heeft zich bij de conclusie van de officier van justitie aangesloten.

6.6.3. De rechtbank overweegt omtrent de verjaring het volgende. In het geval van een uitleveringsverzoek dient te worden onderzocht of in Nederland bij soortgelijke feiten als waarvoor de uitlevering is verzocht het recht tot strafvordering zou zijn vervallen doordat de verjaring zou zijn ingetreden. De uitleveringsrechter dient daarbij het recht toe te passen zoals het geldt op het moment van het verzoek tot en zijn beslissing omtrent de uitlevering. Zie HR 1 juli 1977, NJ 1977, 601 m.nt. ThWvV (Pauksch II). Van dit onderzoek geeft de rechtbank hieronder rekenschap.

6.6.3.1. Feitencomplex 1 ten aanzien van [slachtoffer A].

6.6.3.1.1. Voor overtredingen gold ingevolge het bepaalde in artikel 70 Sr tot 1 februari 2008 een verjaringstermijn van twee jaren, welke verjaring kon worden gestuit door een daad van vervolging. Na 1 februari 2008 is deze verjaringstermijn verlengd naar drie jaren.

6.6.3.1.2. Artikel 72, tweede lid, Sr dat voor 1 januari 2006 gold, luidde: 'Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan.' Deze bepaling is gewijzigd in een voor de verdachte gunstiger regeling. Artikel 72, tweede lid, Sr dat van 1 januari 2006 tot 7 juli 2006 gold (Stb 2005, 1995), luidde: 'Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. Het recht tot strafvervolging vervalt evenwel indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het feit geldende verjaringstermijn.'1

6.6.3.1.3. Artikel III van de Wet van 16 november 2005 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het vervallen van de verjaringstermijn voor de vervolging van moord en enkele andere misdrijven alsmede enige aanpassingen van de regeling van de verjaring en de stuiting van de verjaring en de regeling van de strafverjaringstermijn (Stb. 2005, 595) bepaalt dat de strafbare feiten die reeds voor de inwerkingtreding van deze wet zijn verjaard, die status blijven behouden. Dit is niet anders geworden na de wetswijziging die inwerking is getreden op 7 juli 2006 (Stb. 2006, 330) volgens artikel II van deze wet.

6.6.3.1.4. De berekening voor de verjaring van het feit met betrekking tot feitencomplex 1 ten aanzien van [slachtoffer A] ziet er dan als volgt uit. De aan de opgeëiste persoon verweten gedraging kan worden gekwalificeerd als overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994. Dit is - zoals hiervoor reeds opgemerkt - een overtreding. Het strafbare feit zou zijn begaan op 3 mei 2000. Volgens de toen geldende regeling van artikel 72 Sr zou de verjaring plaatsvinden na 2 jaar, tenzij er een stuiting plaatsvond. Deze stuiting blijkt uit het opsporingsbevel van 31 maart 2002 (zie hiervoor onder nummer 2 het document II.1.A.e). Gelet op de wetswijziging van 1 januari 2006 (artikel 72, tweede lid, Sr), is het recht tot strafvordering in ieder geval na 4 jaren vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen, 3 mei 2000, komen te vervallen, te weten op 4 mei 2004.

6.6.3.1.5. Ten aanzien van het onder 4.2. omschreven feitencomplex 1 met betrekking tot [slachtoffer A] is derhalve het recht tot strafvervolging door verjaring komen te vervallen. Op grond van artikel 10 Europees verdrag dient daarom de uitlevering in zoverre ontoelaatbaar te worden verklaard.

6.6.3.2. Feitencomplex 1 ten aanzien van [slachtoffer B] en [slachtoffer C].

6.6.3.2.1, Voor het misdrijf van artikel 6 WVW 1994 gold tot 1 februari 2006 een maximum gevangenisstraf van een jaar. Op grond van artikel 70, eerste lid onder 2, Sr gold daarvoor een verjaringstermijn van zes jaren.

6.6.3.2.2. Voor het feitencomplex 1 ten aanzien van [slachtoffer B] en [slachtoffer C] was op 1 februari 2006 de verjaring nog niet ingetreden. Het feit zou immers zijn gepleegd op 3 mei 2000. Gelet op de hierboven onder 6.6.3.1.4. vermelde stuiting van de verjaring zou de verjaring in dat geval pas op 1 april 2008 zijn ingetreden.

6.6.3.2.3. Met ingang van 1 februari 2006 is de maximum gevangenisstraf voor het misdrijf van artikel 6 WVW 1994 zodanig verhoogd dat onder omstandigheden een verjaringstermijn van twaalf jaren is gaan gelden. Dit is onder andere het geval indien de schuld bestaat in roekeloosheid en iemand lichamelijk letsel heeft opgelopen en tevens de strafverzwarende omstandigheid zich voordoet dat de schuldige gevaarlijk heeft ingehaald. Dan kan de maximaal op te leggen gevangenisstraf ruim 4 jaar en 6 maanden bedragen. De verjaringstermijn bedraagt dan 12 jaren ingevolge art. 70, eerste lid, onder 3 Sr.

6.6.3.2.4. Hiervoor onder 6.5.1.3. heeft de rechtbank vastgesteld dat uit de stukken onvoldoende volgt dat er sprake is geweest van schuld in de zin van roekeloosheid dan wel van gevaarlijk inhalen. Dit betekent dat ingevolge artikel 6 juncto artikel 175, eerste lid aanhef en onder b, WVW 1994 de maximaal op te leggen gevangenisstraf voor dit feit thans 1 jaar en 6 maanden is. De verjaringstermijn van 6 jaar is aldus van toepassing. Feitencomplex 1 ten aanzien van [slachtoffer B] en [slachtoffer C] is derhalve verjaard vanaf 1 april 2008.

6.6.3.2.5. De rechtbank concludeert dat uitlevering ter fine van strafvervolging voor feitencomplex 1 ten aanzien van [slachtoffer B] en [slachtoffer C] niet toelaatbaar is wegens verjaring van de feiten.

6.6.3.2.6. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat, indien de feiten op grond waarvan de uitlevering ter fine van strafvervolging zou zijn verzocht tevens feitelijke omstandigheden zouden hebben behelst op grond waarvan schuld in de vorm van roekeloosheid zou kunnen worden vastgesteld en tevens gevaarlijk inhalen, er geen sprake zou zijn geweest van verjaring van dit onderdeel van feitencomplex 1 met betrekking tot [slachtoffer B] en [slachtoffer C]. De maximaal op te leggen straf zou dan ingevolge artikel 175 WVW 1994 ruim 4 jaren en 6 maanden hebben bedragen. Ingevolge het bepaalde in artikel 70, eerste lid onder 3 Sr duurt de verjaringstermijn dan 12 jaren, omdat de uitleveringsrechter de verjaring dient te beoordelen ex nunc.

6.6.4. Voor het onder 4.3. omschreven feitencomplex 2 - het misdrijf van artikel 312, eerste lid en tweede lid aanhef en onder 1º Sr - geldt een maximum van twaalf jaar gevangenisstraf. Ingevolge artikel 70, eerste lid aanhef en onder 4º Sr geldt voor misdrijven waarop een gevangenisstraf van meer dan tien jaar is gesteld thans een verjaringstermijn van twintig jaar. Er hebben zich op dit punt geen voor de verjaringstermijn relevante wetswijzigingen voorgedaan, nu tot 1 januari 2006 een verjaringstermijn van vijftien jaar gold (zie de eerder genoemde wet Stb. 2005, 595). Het onder 4.3. omschreven feitencomplex 2 is dan ook niet verjaard.

6.7. Schending van het Europees verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

6.7.1. De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat zijn cliënt vreest voor schending van zijn rechten onder het EVRM. Deze vrees omvat volgens zijn cliënt de "corruptie en de bestraffing in de Oekraïne". De raadsman heeft in dit kader nog opgemerkt dat de Oekraïne wel partij is bij het EVRM.

6.7.2. De officier van justitie stelt dat het standpunt omtrent vrees voor schending van het EVRM, zoals ingenomen door en namens de opgeëiste persoon, onvoldoende onderbouwd is, zodat daaraan voorbij dient te worden gegaan.

6.7.3. Met betrekking tot de vrees van de opgeëiste persoon voor schending van het EVRM overweegt de rechtbank het volgende. Het komt de rechter die moet oordelen over de toelaatbaarheid van de uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van strafvervolging in het algemeen niet toe te beslissen, in een geval zoals dit - waarin zowel de verzoekende Staat als de aangezochte Staat is toegetreden tot het EVRM - over de vraag of in het kader van die strafvervolging enig in het EVRM gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon is of dreigt te worden geschonden. In beginsel dient immers te worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat de bepalingen van het EVRM zal eerbiedigen. Dit uitgangspunt kan evenwel uitzondering lijden, indien blijkt dat er ernstige rekening mee moet worden gehouden dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, dat de ingevolge artikel 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren in de weg staat aan nakoming van de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering.

6.7.4. De Oekraïne heeft op 11 september 1997 het EVRM geratificeerd en het verdrag is voor de Oekraïne eveneens op deze datum in werking getreden. Dit betekent dat het EVRM eveneens voor de Oekraïne zelfwerkend en direct toepasselijk in alle garanties is. Dit brengt mee dat de opgeëiste persoon in geval van schending van enig hem bij het EVRM toegekend recht na zijn uitlevering ter strafvervolging het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel ('effective remedy') als bedoeld in artikel 13 EVRM.

6.7.5. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan moet worden gevreesd dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM en hem geen rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ter beschikking zou staan. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.

6.8. Door of namens de opgeëiste persoon is ter zitting ook overigens niets van zodanige strekking naar voren gebracht, dat de rechtbank daarin een beletsel voor de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering voor feitencomplex 2 zou moeten zien, terwijl de rechtbank voorts ambtshalve niet van zodanig beletsel is gebleken.

7. De toepasselijke verdrags- en wetsartikelen.

- artikelen 2 en 12 van de Uitleveringswet;

- artikelen 2, 10 en 12 van het Europees verdrag betreffende uitlevering;

- artikelen 5, 6, 175 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994;

- artikelen 70, 72 en 312 van het Wetboek van Strafrecht;

- artikel II van de Wet van 7 juli 2006 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de buitengerechtelijke afdoening van strafbare feiten

- artikel III van de Wet van 16 november 2005 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het vervallen van de verjaringstermijn voor de vervolging van moord en enkele andere misdrijven alsmede enige aanpassingen van de regeling van de verjaring en de stuiting van de verjaring en de regeling van de strafverjaringstermijn;

- artikelen 1, 6 en 13 van het Europees verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

8. Beslissing.

De rechtbank,

verklaart ontoelaatbaar de uitlevering aan de Oekraïne van [opgeëiste persoon] voornoemd ter fine van strafvervolging ter zake van het in 4.2. omschreven feitencomplex 1;

verklaart toelaatbaar de uitlevering aan de Oekraïne van [opgeëiste persoon] voornoemd ter fine van strafvervolging ter zake van het in 4.3. omschreven feitencomplex 2.

Deze uitspraak is gewezen door

mrs Van Rossum, voorzitter,

Veldt-Foglia en Van Delden, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Otten, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank van 8 februari 2010.

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

UITLEVERINGSKAMER

(ADVIES INZAKE UITLEVERING)

Kenmerk : UTL-I-2009.059.396

Raadkamernummer : 10/482

's-Gravenhage, 8 februari 2010

De rechtbank 's-Gravenhage, uitleveringskamer, heeft gezien de uitspraak van 8 februari 2010 betreffende het verzoek tot uitlevering aan de Oekraïne van:

[opgeëiste persoon] (ook wel geschreven als [alias] of [alias B]),

geboren [geboortedatum] in 1978 te [geboorteplaats] (Oekraïne),

thans gedetineerd te [penitentiaire inrichting],

en gelet op artikel 30, tweede lid Uitleveringswet.

Zij adviseert de minister van justitie aan het in die uitspraak vermelde verzoek tot uitlevering ten aanzien van feitencomplex 2 gevolg te geven.

Dit advies is gegeven te 's-Gravenhage op 8 februari 2010 door mrs Van Rossum, voorzitter, Veldt-Foglia en Van Delden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Otten, griffier.