Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL3637

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-02-2010
Datum publicatie
11-02-2010
Zaaknummer
Awb 09/14736
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag voortgezet verblijf / wijziging verblijfsdoel / nieuwe aanvraag

Verweerder heeft terecht besloten om de gevraagde verblijfsvergunning op grond artikel 3.52, eerste lid, van het Vb 2000 te weigeren, nu eiser niet in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000. Het overige dat eiser in dit kader heeft aangevoerd behoeft derhalve geen bespreking meer. Ten aanzien van het beroep op artikel 6 van het Besluit 1/80 heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser daartoe een nieuwe aanvraag moet indienen. Hierbij is van belang dat eiser op het aanvraagformulier onder het kopje “verblijfsvergunning voortgezet verblijf” heeft aangekruist: “na 3 jaar verblijf bij echtgeno(o)t(e) of (geregistreerd) partner”.Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is ingevolge artikel 3.100 van het Vb 2000 voor een wijziging van het verblijfsdoel, hangende de besluitvorming op een eerdere aanvraag, het doen van een nieuwe aanvraag vereist. Nu niet gebleken is dat eiser een daartoe strekkende aanvraag heeft ingediend, heeft verweerder eisers beroep op het Besluit 1/80 terecht niet betrokken bij de beoordeling van onderhavige aanvraag. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft vastgesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde vergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Middelburg

AWB nummer: 09/14736

V-[nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht

inzake

[naam],

eiser,

gemachtigde mr. S.R. Kwee,

advocaat te Rotterdam,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde mr. drs. M.F. van der Lubbe,

medewerker bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

I. Procesverloop

Op 22 april 2009 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van 3 april 2009 (het bestreden besluit) waarbij zijn bezwaarschrift ongegrond is verklaard.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 18 januari 2010. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig A.M. de Jonge, tolk in de Turkse taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

II. Overwegingen

1. Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder beperkingen verleend, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan.

Artikel 3.51, eerste lid, onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) vermeldt dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet onder een beperking, verband houdend met voortgezet verblijf kan worden verleend aan de vreemdeling die drie jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming met een persoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht.

Het beleid met betrekking tot voortgezet verblijf is neergelegd in deel B16/3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

Artikel 1, eerste lid, aanhef, onder e, sub 1° van de Vw 2000 bepaalt dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder gemeenschapsonderdanen: onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie die op grond van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gerechtigd zijn een andere lidstaat binnen te komen en er te verblijven.

Sub 2° bepaalt dat onder gemeenschapsonderdanen ook wordt verstaan: familieleden van de onder 1° genoemden die de nationaliteit van een derde staat bezitten en die uit hoofde van een ter toepassing van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap genomen besluit gerechtigd zijn een lidstaat binnen te komen en er te verblijven.

Artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, bepaalt dat onze Minister aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder e, en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1, onder e, sub 2°, een document of schriftelijke verklaring verschaft, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.

Het beleid met betrekking tot het beleid ten aanzien van familieleden van EU-onderdanen die zelf niet de nationaliteit van een EU-lidstaat bezitten, is neergelegd in deel B10/5.4.3. van de Vc 2000.

2. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten. Eiser beschikt over een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 waaruit zijn rechtmatig verblijf als familielid van een gemeenschapsonderdaan blijkt. Dit document is geldig tot 20 januari 2010. Eiser heeft op 15 september 2008 een aanvraag ingediend tot het wijzigen van dit document in een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14 van de Vw2000 onder de beperking “voortgezet verblijf”. Bij besluit van 2 oktober 2008 is deze aanvraag afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard.

3. Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van belang. Subsidiair heeft verweerder gesteld dat eiser niet voor de gevraagde vergunning in aanmerking komt omdat hij niet in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14 van de Vw 2000. Indien eiser voor verblijf op grond van Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije (Besluit 1/80) in aanmerking wil komen, dient hij daartoe een aanvraag in te dienen, aldus verweerder.

4. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn beroepschrift ontvankelijk is omdat hij zijn belang om over een zelfstandige verblijfsvergunning te kunnen beschikken voldoende heeft aangetoond. De beoogde vergunning wordt namelijk zonder beperking verleend. Eisers verblijf is in dat geval niet afhankelijk van het verblijfsrecht van zijn echtgenote. Het verblijfsdocument waarover eiser thans beschikt wordt niet herkend door instanties.

Voorts heeft eiser aangevoerd dat hij op grond van de tekst in het beleid zoals neergelegd in deel B16/3.1.en deel B10/5.4.3. van de Vc 2000, welke volgens eiser gelijkluidend is, in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van voortgezet verblijf.

Tot slot stelt eiser dat hij eveneens in aanmerking komt voor voortgezet verblijf op grond van artikel 6 van het Besluit 1/80, omdat hij al meer dan drie jaar legale arbeid heeft verricht. Verweerder had dit gegeven in bezwaar moeten toetsen.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. Eiser heeft in voldoende mate aangetoond welk belang hij heeft het indienen van zijn beroep. Het beroep is derhalve ontvankelijk.

6. Verweerder heeft terecht besloten om de gevraagde verblijfsvergunning op grond artikel 3.52, eerste lid, van het Vb2000 te weigeren, nu eiser niet in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vw2000. Het overige dat eiser in dit kader heeft aangevoerd behoeft derhalve geen bespreking meer.

Ten aanzien van het beroep op artikel 6 van het Besluit 1/80 heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser daartoe een nieuwe aanvraag moet indienen. Hierbij is van belang dat eiser op het aanvraagformulier onder het kopje “verblijfsvergunning voortgezet verblijf” heeft aangekruist: “na 3 jaar verblijf bij echtgeno(o)t(e) of (geregistreerd) partner”.Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is ingevolge artikel 3.100 van het Vb 2000 voor een wijziging van het verblijfsdoel, hangende de besluitvorming op een eerdere aanvraag, het doen van een nieuwe aanvraag vereist. Nu niet gebleken is dat eiser een daartoe strekkende aanvraag heeft ingediend, heeft verweerder eisers beroep op het Besluit 1/80 terecht niet betrokken bij de beoordeling van onderhavige aanvraag.

7. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft vastgesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde vergunning.

8. Het beroep is derhalve ongegrond.

9. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken.

III. Uitspraak

De rechtbank 's-Gravenhage,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. B.J. Duinhof en uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2010, in tegenwoordigheid van mr. J. Loonstra, griffier.

De griffier De rechter

Afschrift verzonden op: 11 februari 2010