Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL3603

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-01-2010
Datum publicatie
11-02-2010
Zaaknummer
AWB 08/18048
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Somalië / Mogadishu / herhaalde aanvraag / artikel 15c Defenitierichtlijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Middelburg

AWB nummer: 08/18048

V-nummer: 070.204.3705

uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht

inzake

[Naam],

eiser,

gemachtigde mr. J. van Veelen-de Hoop,

advocaat te Rotterdam,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde mr. Y.E.A.M. van Hal,

medewerkster bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

I. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 23 april 2008 (het bestreden besluit) waarbij zijn herhaalde aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen.

De eerste openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 3 februari 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting heeft de rechtbank de zaak aangehouden teneinde het antwoord af te wachten op de door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) bij uitspraak van 12 oktober 2007 (LJN: BB5841) aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof van Justitie) gestelde prejudiciële vragen over de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83 EG inzake de minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven (hierna: de Definitierichtlijn).

Bij arrest van 17 februari 2009 (nr. C465/07) heeft het Hof van Justitie de prejudiciële vragen beantwoord. Bij uitspraak van 25 mei 2009 (LJN: BI4791) heeft de Afdeling haar interpretatie van het arrest verwoord.

De voortgezette openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 14 januari 2010. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig O. Ilmi, tolk in de Somalische taal. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

II. Overwegingen

1. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is de aanvrager gehouden, indien na een afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, die bij de vorige beschikking niet bekend waren en die van zodanige aard zijn dat zij tot een andere beschikking aanleiding kunnen geven. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het bestuursorgaan de aanvraag, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) – voor zover van belang – kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Op grond van artikel 2, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn kan in aanmerking komen voor een subsidiaire beschermingsstatus, voor zover hier van belang, een onderdaan van een derde land ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

Ingevolge artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bestaat ernstige schade uit ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op 1 oktober 1970 en de Somalische nationaliteit te bezitten. Hij heeft op 2 augustus 2000 voor de eerste maal een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Bij besluit van 29 januari 2001 is de aanvraag niet ingewilligd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 15 november 2002 (AWB 01/41701) van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Eiser heeft na deze aanvraag nog drie maal een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, laatstelijk op 2 augustus 2006. Deze aanvraag is op 8 augustus 2006 afgewezen. Het hiertegen ingediende beroepschrift is bij uitspraak van 5 september 2006 (AWB 06/38330) van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is bij uitspraak van 29 september 2006 (200606747/1) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigd.

Eiser heeft op 2 oktober 2007 voor de vijfde maal een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft eiser op 2 oktober 2007 schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Eiser heeft zijn zienswijze ingediend. Het voornemen van 2 oktober 2007 is ingetrokken. Verweerder heeft op 19 februari 2008 een nieuw voornemen tot afwijzing van de aanvraag aan eiser kenbaar gemaakt. Eiser heeft zijn zienswijze ingediend. Bij het bestreden besluit is deze aanvraag afgewezen.

3. Eiser heeft zijn vijfde asielaanvraag ingediend omdat hij van mening is dat hij niet kan terugkeren naar Somalië. Eiser beroept zich op het beleid neergelegd in Wijzingingsbesluit Vreemdelingencirculaire (hierna: WBV) 2007/19 naar aanleiding van de uitspraak van het EHRM in de zaak Salah Sheek, van 11 januari 2007, nr. 1984/04, JV07/30. Het betreft nieuwe criteria voor interpretatie van artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Eiser stelt dat hij wees is en dat hij verkeert in de positie van minderheidsgroepering afkomstig uit het relatieve onveilige deel van Somalië. Eiser stelt dat hij niet tot een clan behoort. Er was geen enkele groep die hem bescherming bood. Eiser meent dat met WBV 2007/19 sprake is van nieuw recht. Eiser doet voorts een beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn 2004/83. Eiser stelt dat de Definitierichtlijn een relevante wijziging van het recht betreft. Eiser beroept zich op een uitspraak van deze rechtbank van 16 april 2007, nevenzitting plaats Zwolle, AWB 07/13354. In Somalië is volgens eiser sprake van een binnenlands gewapend conflict. Gezien zijn eerdere ervaringen in Mogadishu meent eiser dat er ten aanzien van hem sprake is van een individuele bedreiging.

4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen met toepassing van artikel 4:6 van de Awb, onder verwijzing naar de eerdere rechtens onaantastbare afwijzende beschikkingen van 29 januari 2001, 16 september 2005, 27 januari 2006 en 6 augustus 2006. Verweerder stelt dat hetgeen eiser bij zijn onderhavige aanvraag naar voren heeft gebracht niet kan worden beschouwd als nieuwe feiten en omstandigheden. Verweerder stelt dat de nieuwe criteria voor interpretatie van artikel 3 van het EVRM neergelegd in WBV 2007/19 en WBV 2007/20 niet op eiser van toepassing zijn. Anders dan in de zaak Salah Sheek behoort eiser niet tot een kwetsbare minderheidsgroepering. Verweerder stelt verder dat reeds in de eerder gevoerde procedure is vast komen te staan dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 3 van het EVRM. Ook in de onderhavige procedure heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij gegronde vrees heeft voor een behandeling welke schending van artikel 3 van het EVRM zou opleveren. Verweerder stelt dat de toelatingsgrond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 alle situaties die zijn beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bevat. Volgens verweerder is er dan ook geen sprake van een voor eiser relevante wijziging van het recht. De bij de onderhavige aanvraag aangevoerde omstandigheden kunnen niet worden beschouwd als nieuwe feiten of omstandigheden.

5. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder zijn aanvraag ten onrechte heeft afgewezen met toepassing van artikel 4:6 van de Awb. Eiser stelt dat sinds zijn vierde asielaanvraag sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Volgens eiser is na de uitspraak van 29 september 2006 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Den Haag en de uitspraak van het EHRM in de zaak Salah Sheek sprake van veranderd inzicht met betrekking tot de situatie in zijn land van herkomst. Eiser stelt dat hij wel degelijk gerekend kan worden tot een kwetsbare minderheidsgroep. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd om welke reden hij niet als zodanig kan worden aangemerkt. Eiser stelt dat hij gezien zijn positie als bastaard vergeleken kan worden met de positie waarin de leden van de Reer Hamar verkeren. Eiser stelt dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn voor hem een relevante wijziging van het recht inhoudt. Zijn asielaanvraag dient dan ook inhoudelijk te worden beoordeeld. Eiser stelt dat uit het laatste ambtsbericht over Somalië blijkt dat de veiligheidssituatie in het gebied waar hij vandaan komt sterk is verslechterd. Verweerder heeft dan ook ten onrechte gesteld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn geen novum is in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

6. De rechtbank overweegt allereerst dat niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit Mogadishu.

7. Daarnaast overweegt dat de rechtbank dat eiser in beroep heeft verwezen naar het Algemeen ambtsbericht Somalië van november 2007, dat betrekking heeft op de periode 1 januari 2007 tot en met 30 juni 2007. Eiser heeft gesteld dat uit voornoemd ambtsbericht volgt dat de veiligheidssituatie in heel Somalië is verslechterd (pagina 17). Centraal- en Zuid-Somalië werden in de verslagperiode gekenmerkt door gewapende conflicten tussen overgangsregering en Ethiopische troepen enerzijds en anderzijds strijders van de UIC.

In Zuid-Somalië, vooral in Mogadishu, deden zich ernstige gewelddadigheden voor. In verschillende delen van Zuid-Somalië vinden gevechten plaats tussen rivaliserende clanfamilies, naast de gevechten tussen de overgangsregering en het Ethiopische leger tegen de opstandelingen van de UIC en andere milities. De veiligheidssituatie is sterk verslechterd in Zuid-Somalië, aldus het ambtsbericht.

8. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het Algemeen ambtsbericht Somalië van november 2007 dat de algemene veiligheidssituatie in Centraal- en Zuid-Somalie, en met name Mogadishu, ten opzichte van de situatie aldaar ten tijde van het besluit van 8 augustus 2006 zodanig is verslechterd dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat de verslechterde situatie kan afdoen aan het eerdere besluit, in ieder geval voor zover dat ziet op toelating op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 en artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Aldus is sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Verweerder heeft het besluit derhalve niet onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Awb en het eerdere besluit van 8 augustus 2006 mogen afwijzen.

9. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 4:6 en 3:46 van de Awb. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

10. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 805,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

III. Uitspraak

De rechtbank ’s-Gravenhage,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiser begroot op € 805,- (achthonderdenvijf euro), te betalen door verweerder aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzitter, mr. W.M.P. van Alphen, mr. B.J. Duinhof, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2010.

Afschrift verzonden op: 28 januari 2010