Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL2856

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-02-2010
Datum publicatie
08-02-2010
Zaaknummer
FA RK 09-1476 / 331499
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Echtscheiding, nakoming echtscheidingsconvenant door gewijzigde financiële omstandigheden, pensioenverevening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

7x

Rekestnummer: FA RK 09-1476

Zaaknummer: 331499

Datum beschikking: 1 februari 2010

Scheiding

Beschikking op het op 19 februari 2009 ingekomen verzoek van:

[de man]

wonende te [woonplaats]

advocaat: mr. B.J. de Deugd te Nieuwerkerk aan den IJssel.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw]

wonende te [woonplaats]

advocaat: mr. M.G. Weitkamp te Gouda.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift tevens verzoekschrift;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek.

De hierna te noemen minderjarige [dochter A.] heeft schriftelijk haar mening kenbaar gemaakt.

Op 9 november 2009 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat en de vrouw met haar advocaat.

Na de terechtzitting is de brief van 9 november 2009 met bijlagen van de zijde van de man ontvangen.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 1986 te [plaats].

- Uit dit huwelijk zijn geboren:

- de thans jongmeerderjarige [dochter B.], op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats], en

- de thans nog minderjarige [dochter A.], op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats].

- De minderjarige verblijft thans bij de vrouw.

- Partijen hebben op 4 december 2008 een echtscheidingsconvenant ondertekend.

- Zij hebben een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding (bij de rechtbank geregistreerd onder nummer 326027/FA RK 08-9770) ingediend. Dit verzoek is vervolgens ingetrokken, waarna de rechtbank doorhaling van de procedure bij brief d.d. 16 februari 2009 heeft bevestigd.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot echtscheiding, met een nevenvoorziening om de onderling getroffen regelingen in het echtscheidingsconvenant van 4 december 2008 op te nemen in de uit te spreken beschikking, kosten rechtens.

De vrouw voert - onder referte tot het uitspreken van de echtscheiding tussen partijen - verweer tegen de door de man verzochte nevenvoorziening, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden besproken. Tevens heeft de vrouw zelfstandig verzocht om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken, met nevenvoorzieningen zoals gewijzigd ter terechtzitting, tot:

- primair: bepaling dat artikel 5 van het op 4 december 2008 door partijen ondertekende convenant wordt vernietigd op grond van dwaling krachtens artikel 6:228 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW);

- subsidiair: bepaling dat artikel 5 van het op 4 december 2008 door partijen ondertekende convenant wordt gewijzigd of ontbonden op grond van onvoorziene omstandigheden krachtens artikel 6:258 BW;

- bepaling dat zij aanspraak kan maken op pensioenverevening conform de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (hierna: WVP);

kosten rechtens.

De man voert - onder referte tot het uitspreken van de echtscheiding tussen partijen -verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de vrouw. Tevens heeft de man zijn verzoek aangevuld en verzocht:

- primair: de vrouw in haar zelfstandige verzoeken, welke vorderingen (tot vernietiging, respectievelijk verklaring voor recht zijn) niet-ontvankelijk te verklaren;

- subsidiair: de zelfstandige verzoeken van de vrouw af te wijzen;

- meer subsidiair: een eventueel nadeel van de vrouw te compenseren op de voet van artikel 6:230 lid 2 BW, doch niet voor een groter bedrag dan de omvang van het (aangetoonde) nadeel van de vrouw;

kosten rechtens.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Echtscheiding

De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat het daarop steunende niet weersproken verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is.

De door de man verzochte nevenvoorziening

De man heeft verzocht om de onderling getroffen regelingen in het echtscheidingsconvenant van 4 december 2008 op te nemen in de uit te spreken beschikking. Blijkens de stukken van het geding en het verhandelde ter terechtzitting heeft de vrouw zich niet verweerd tegen de opneming van de onderling getroffen regelingen in het echtscheidingsconvenant door een kopie van het echtscheidingsconvenant aan de beschikking te hechten. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de gevolgen van het echtscheidingsconvenant. De man beoogt onverkorte nakoming van het echtscheidingsconvenant. De vrouw beoogt vernietiging, althans wijziging of ontbinding van dit convenant en dan uitsluitend wat betreft de daarin gemaakte afspraken betreffende de pensioenen en de verevening daarvan (artikel 5). Daarnaast heeft zij verzocht voor recht te verklaren dat zij aanspraak heeft op pensioenverevening.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de door de man verzochte nevenvoorziening als op de wet gegrond toewijzen. Thans zal de rechtbank evenwel beoordelen of de zelfstandige verzoeken van de vrouw dienen te worden toegewezen.

De zelfstandige verzoeken van de vrouw

Ontvankelijkheid

De rechtbank passeert het, door de vrouw gemotiveerd betwiste, standpunt van de man dat de vrouw niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de door haar verzochte vernietiging, respectievelijk wijziging of ontbinding van het echtscheidingsconvenant omdat sprake is van rechtsvorderingen die met een dagvaarding moeten worden ingesteld.

De rechtbank stelt voorop dat aan een beroep in rechte op een vernietigingsgrond geen nadere eisen worden gesteld. Het beroep kan - met inachtneming van de regels van de goede procesorde - worden gedaan in elk stadium van de procedure. Zoals blijkt uit de term "rechterlijke uitspraak" in artikel 3:51 BW, kan een en ander ook in een verzoekschriftprocedure waarin een vernietigbare rechtshandeling wordt ingeroepen, toepassing vinden (zie HR 25 oktober 1996, NJ 1997, 68). Nu de man heeft verzocht om het echtscheidingsconvenant op te nemen in de uit te spreken beschikking en zijn verzoek derhalve op een vernietigbare rechtshandeling is gegrond, kan de vrouw zich verweren met een beroep op dwaling. Het vorenstaande geldt naar het oordeel van de rechtbank eveneens voor het beroep van de vrouw op onvoorziene omstandigheden. Daarbij wijst de rechtbank erop dat in artikel 6:258 BW enkel is bepaald dat de rechter "op verlangen van een der partijen" de gevolgen van een overeenkomst kan wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk kan ontbinden. Dat de vrouw haar beroep op dwaling, respectievelijk onvoorziene omstandigheden heeft gedaan bij zelfstandig tegenverzoek doet naar het oordeel van de rechtbank niet ter zake. Ook een beroep bij wijze van verweer in het kader van de onderhavige verzoekschriftprocedure zou immers, bij gegrondbevinding, leiden tot het door de vrouw beoogde rechtsgevolg.

De rechtbank overweegt daarnaast dat de rechter op verzoek als nevenvoorziening een verklaring voor recht kan geven (art. 3:302 BW), inhoudende dat overeenkomstig art. 1:155 BW recht op pensioenverevening bestaat (vgl. HR 24 oktober 1997, NJ 1999, 395 m.nt. JdB). De vrouw heeft de rechtbank verzocht om een dergelijke verklaring voor recht en is derhalve ontvankelijk in dit verzoek op de voet van het bepaalde in artikel 827 lid 1 sub f van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Het ontvankelijkheidsverweer van de man stuit op het vorenstaande af.

Inhoudelijke beoordeling

De vrouw heeft ter terechtzitting betoogd dat partijen bij het opmaken van het convenant zijn overeengekomen dat de man alle schulden voor zijn rekening zou nemen en dat zij gelet hierop geen aanspraak zou maken op kinder- en partneralimentatie en pensioenverevening. De man is echter thans in de schuldsanering beland en is ontslagen. Daardoor zal zij alsnog worden geconfronteerd met de schuldeisers van ten tijde van het huwelijk aangegane schulden. De vrouw heeft voorts gesteld dat de man, anders dan zij, ten tijde van het ondertekenen van het convenant op de hoogte is geweest van het dreigende ontslag. Daarom is zij van mening dat zij bij de totstandkoming van het convenant heeft gedwaald. Indien de vrouw ten tijde van het ondertekenen van het convenant op de hoogte zou zijn geweest van het dreigende ontslag van de man, had zij nimmer afstand gedaan van pensioenverevening, aldus de vrouw. De man kan zijn schulden immers niet afbetalen. Ten slotte heeft de vrouw zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de schuldsanering en het ontslag van de man na ondertekening van het convenant dient te worden beschouwd als een onvoorziene wijziging van omstandigheden.

De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist. Hij heeft gesteld dat de vrouw niet heeft aangetoond dat zij wordt of zal worden geconfronteerd met schulden die hij ingevolge het convenant voor zijn rekening dient te nemen. Vernietiging dan wel wijziging of ontbinding van het convenant kan volgens de man uitblijven omdat het eventuele nadeel van de vrouw vervolgens - na het voldoen van alle schulden - door de man kan worden gecompenseerd. De man heeft voorts gesteld dat de vrouw niet tegelijkertijd een beroep op dwaling en onvoorziene omstandigheden kan doen op basis van dezelfde feiten. De man heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in oktober 2008 een gesprek met zijn werkgever heeft gehad. Volgens de man is toen niet gesproken over ontslag. In een gesprek op 22 december 2008 is hij, aldus de man, plotseling op staande voet ontslagen en bij brief van 23 december 2008 heeft zijn werkgever hem bericht dat zijn dienstverband is beëindigd. Dit heeft geleid tot een rechtszaak. Tijdens een mondelinge behandeling in maart 2009 bij de kantonrechter heeft de man volgens hem met zijn werkgever afgesproken dat zijn arbeidsovereenkomst toen beëindigd was. De man heeft ten slotte verklaard geen verevening van de pensioenrechten die de vrouw heeft opgebouwd te wensen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Voor zover de man heeft gesteld dat het bepaalde in artikel 6 van het echtscheidingsconvenant in de weg staat aan honorering van het standpunt van de vrouw, gaat de rechtbank daaraan voorbij.

Artikel 6 luidt als volgt:

"Ontbinding en vernietiging

6.1 Partijen verbinden zich deze overeenkomst noch geheel, noch gedeeltelijk te zullen (laten) ontbinden op grond van enigerlei tekortkoming in de nakoming daarvan. Nakoming zal steeds gevorderd kunnen worden, al dan niet met schadevergoeding."

Niet blijkt derhalve dat vernietiging van het echtscheidingsconvenant op grond van dwaling door partijen is uitgesloten. De enkele omstandigheid dat in de titel van artikel 6 de term "vernietiging" is gebruikt, is daarvoor onvoldoende. De aard van het echtscheidingsconvenant, dat als een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW dient te worden gekwalificeerd, staat in het onderhavige geval naar het oordeel van de rechtbank evenmin in de weg aan het beroep van de vrouw op dwaling, nu dit beroep blijkens haar verklaringen ter terechtzitting niet ziet op hetgeen waarover door partijen juist werd getwist of onzekerheid bestond. Voorts is een verzoek van de vrouw tot ontbinding op grond van een tekortkoming in de nakoming geen sprake, terwijl het bepaalde in artikel 6:258 BW overigens van dwingend recht is en derhalve een beroep op deze bepaling niet als zodanig kan worden uitgesloten.

Artikel 5 van het echtscheidingsconvenant luidt als volgt:

"De pensioenen en de verevening daarvan

5.1 Tussen partijen zal geen pensioenverevening conform de Wet VP plaatsvinden, ook worden de pensioenrechten niet verrekend volgens het Boon/Van Loon-arrest. Partijen zien af van hun recht op verrekening.

5.2 Indien en voor zover partijen daadwerkelijk pensioenrechten hebben opgebouwd, dienen partijen binnen 2 jaar na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking aan de betreffende pensioenuitvoerders mededeling te doen van de echtscheiding en van het tijdstip daarvan en van hetgeen zij onder 5.1 van dit convenant zijn overeengekomen, zulks teneinde te bewerkstelligen dat de pensioenuitvoerders niet zullen overgaan tot uitbetaling volgens de Wet VP. Partijen dienen deze mededeling aan de pensioenuitvoerders schriftelijk te doen onder overlegging van een kopie van dit convenant."

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:94 lid 4 BW vallen pensioenrechten niet in de huwelijksgoederengemeenschap. Naar het oordeel van de rechtbank is in dezen de dwalingsregeling ex artikel 6:228 BW van toepassing nu de vrouw uitsluitend om vernietiging van het beding in het echtscheidingsconvenant betreffende de pensioenen en de verevening ervan (artikel 5) heeft verzocht. Anders dan de man kennelijk meent, is de vraag of de verdeling (vervat in artikel 4 van het echtscheidingsconvenant) in aanmerking komt voor vernietiging ex artikel 3:196 BW dan ook niet aan de orde. De vrouw heeft ook niet gesteld te hebben gedwaald omtrent de waarde van de schulden. Hieruit vloeit tevens voort dat het meer subsidiaire verzoek van de man zich niet voor toewijzing leent.

Het beroep op dwaling van de vrouw slaagt naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet. Voor zover de vrouw heeft gesteld dat de man ten tijde van het sluiten van het echtscheidingsconvenant op de hoogte was van een dreigend ontslag en hij heeft verzuimd haar hierover in te lichten, heeft zij naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de betwisting door de man, de juistheid van haar stelling niet aangetoond. Blijkens de verklaringen van de man ter terechtzitting, die de vrouw niet, althans onvoldoende heeft weersproken, is een eventueel ontslag in het gesprek in oktober 2008 niet ter sprake gekomen en was de man vóór 22 december 2008, derhalve na het sluiten van het echtscheidingsconvenant, niet op de hoogte van een (mogelijk) ontslag. Het beroep op dwaling van de vrouw stuit hierop af.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat voor zover de vrouw haar beroep op dwaling stoelt op de daadwerkelijke beëindiging van het dienstverband van de man en de omstandigheid dat hij in de schuldsanering is beland, dit ten tijde van het sluiten van het echtscheidingsconvenant toekomstige omstandigheden betreffen. Een vernietiging ex artikel 6:228 BW kan niet op een dwaling ten aanzien van uitsluitend toekomstige gebeurtenissen worden gegrond.

Het beroep van de vrouw op onvoorziene omstandigheden acht de rechtbank gegrond.

Gelet op het verhandelde ter terechtzitting staat vast dat de man na het sluiten van het

echtscheidingsconvenant in de schuldsanering is beland. Vast staat tevens dat het

dienstverband van de man na het sluiten van het echtscheidingsconvenant is geëindigd.

De man is blijkens de door hem overgelegde stukken bij brief van 23 december 2008 door

zijn werkgever bericht dat zijn dienstverband met inachtneming van de wettelijke

opzegtermijn per 1 maart 2009 wordt beëindigd. Blijkens het proces-verbaal van de

terechtzitting van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam op 12 maart 2009 is de man

met zijn werkgever overeengekomen dat zijn werkgever, onder intrekking van het op

22 december 2008 verleende ontslag op staande voet, het overeengekomen salaris,

te vermeerderen met vakantiegeld, tot en met 12 maart 2009 aan de man dient te voldoen.

Tevens zijn zij overeengekomen dat partijen de arbeidsovereenkomst met ingang van

13 maart 2009 als geëindigd beschouwen. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is het

(mogelijke) optreden van de genoemde omstandigheden niet door partijen in het

echtscheidingsconvenant verdisconteerd. Integendeel, zoals de vrouw heeft gesteld en de

man niet, althans onvoldoende heeft weersproken, partijen zijn ervan uitgegaan dat de man

gelet op zijn inkomsten uit arbeid de schulden genoemd in het echtscheidingsconvenant (ten

bedrage van € 87.000,--) kon aflossen en dat hij in dit licht de vrouw kon vrijwaren indien

zij zou worden aangesproken tot voldoening van een schuld. Hiertegenover heeft de vrouw

afgezien van onder meer pensioenverevening.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de genoemde omstandigheden gelet op de

veronderstellingen waarvan partijen bij het sluiten van het echtscheidingsconvenant zijn

uitgegaan van dien aard dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen

ongewijzigde instandhouding van het echtscheidingsconvenant mag verwachten. Gegeven

de schuldsanering en de beëindiging van het dienstverband van de man dient er naar het

oordeel van de rechtbank vanuit te worden gegaan dat de man zijn verplichtingen uit hoofde

van het echtscheidingsconvenant om de schulden voor zijn rekening te nemen en de vrouw

ter zake te vrijwaren niet kan nakomen. In dit licht en nu blijkens het hiervoor overwogene

de afspraken van partijen in het echtscheidingsconvenant betreffende de schulden enerzijds

en de pensioenverevening anderzijds onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, mag de

man naar het oordeel van de rechtbank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een

ongewijzigde instandhouding van de uitsluiting van pensioenverevening niet verwachten.

Of de vrouw thans reeds is aangesproken door schuldeisers acht de rechtbank in

dit verband niet van belang. Het gaat er om dat het wezen van het convenant is aangetast als

gevolg van de genoemde onvoorziene omstandigheden. Nu ten slotte niet gesteld of gebleken is dat de genoemde omstandigheden ingevolge het bepaalde in artikel 6:258 lid 2 BW voor rekening komen van de vrouw, zal de rechtbank de gevolgen van het echtscheidingsconvenant wijzigen in die zin dat zij zal bepalen dat de vrouw, in afwijking van het bepaalde in artikel 5 van het echtscheidingsconvenant, recht heeft op

pensioenverevening ingevolge de WVP.

Gelet op het vorenstaande heeft de vrouw geen belang bij de door haar verzochte verklaring voor recht.

Proceskosten

In de omstandigheid dat sprake is van een procedure van familierechtelijke aard ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding tussen: [de man], en [de vrouw] gehuwd op 12 september 1986 te [gemeente];

neemt op de door verzoekers getroffen onderlinge regeling van hun betrekkingen na de echtscheiding, zoals neergelegd in het (in fotokopie) aan deze beschikking gehechte convenant en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijzigt de gevolgen van het echtscheidingsconvenant in die zin dat zij bepaalt dat de vrouw, in afwijking van het bepaalde in artikel 5 van het echtscheidingsconvenant, recht heeft op pensioenverevening ingevolge de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding;

wijst af het meer of anders verzochte;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, bijgestaan door mr. E.N.A Wooning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 februari 2010.