Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL2481

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-01-2010
Datum publicatie
12-02-2010
Zaaknummer
AWB 09/5754
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting 2007. De rechtbank Den Haag oordeelt dat de verplichting tot het betalen van kinderalimentatie geen schuld is voor box 3. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 2529
FutD 2010-0440 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 4, meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 09/5754 IB/PVV

Uitspraakdatum: 22 januari 2010

Proces-verbaal van de mondelinge UITSPRAAK ingevolge artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 21 juli 2009 op het bezwaar van eiseres tegen de aan eiseres voor het jaar 2007 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar onder meer een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.147, aanslagnummer [nummer] (hierna: de aanslag).

I ZITTING

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2010.

Namens eiseres zijn verschenen [A] en [B]. Namens verweerder is verschenen mr. [C].

IIBESLISSING

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

IIIOVERWEGINGEN

3.1 Eiseres heeft aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2007 gedaan. De aanslag is conform de aangifte opgelegd.

3.2 De echtgenoot van eiseres is door de rechter veroordeeld tot het betalen van kinderalimentatie voor zijn twee minderjarige kinderen uit een eerder huwelijk van € 600 per maand per kind.

3.3 Op 20 maart 2009 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Zij heeft daarbij verzocht om alsnog de waarde van de toekomstige verplichting tot het betalen van de kinderalimentatie als schuld in aanmerking te nemen bij het bepalen van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (box 3). In de bestreden uitspraak is het bezwaar van eiseres afgewezen.

3.4 In geschil is enkel of de waarde van de toekomstige verplichting tot het betalen van de kinderalimentatie als schuld in aanmerking moet worden genomen bij het vaststellen van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, concluderen partijen éénparig dat het belastbare inkomen box 3 moet worden verminderd met 4% van € 88.200 = € 3.528.

3.5 Eiseres leidt uit het arrest van de Hoge Raad van 27 februari 2009, nr. 07/12914, LJN: BD9217, af dat de verplichting tot het betalen van kinderalimentatie is aan te merken als een schuld in box 3. Daarbij wijst zij erop dat artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de vermogensbelasting 1964 (hierna: Wet VB 1964) waarin was bepaald dat bij het in aanmerking nemen van bezittingen en schulden geen rekening wordt gehouden met rechten op en verplichtingen tot periodieke uitkeringen en verstrekkingen die rechtstreeks uit het familierecht voortvloeien, dan wel door ouders aan hun minderjarige kinderen zijn toegekend, niet is overgenomen in de Wet IB 2001. Eiseres neemt verder het standpunt in dat het arrest van de Hoge Raad van 14 april 1926, B 3799, niet meer van toepassing is. In dit arrest bepaalde de Hoge Raad dat een recht op een uitkering tot levensonderhoud dat uit het familierecht voortspruit niet valt onder de zaken die volgens artikel 3 van de Wet op de vermogensbelasting 1892 als vermogen in aanmerking komen. Tot slot wijst eiseres er op dat de Staatssecretaris van Financiën naar aanleiding van het vermelde arrest van de Hoge Raad van 27 februari 2009 een wetswijziging heeft aangekondigd. Daaruit leidt zij af dat onder de Wet IB 2001, zoals die gold vóór het in werking treden van die wijziging, verplichtingen tot het betalen van kinderalimentatie in aanmerking kunnen worden genomen als een schuld in box 3.

3.6 Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat een verplichting tot het betalen van alimentatie aan of levensonderhoud van kinderen geen waarde in het economische verkeer heeft en aldus geen schuld is in de zin van artikel 5.3, derde lid, aanhef van de Wet IB 2001. De verplichting tot het onderhouden van kinderen tot 21 jaar vloeit rechtstreeks voort uit het familierecht. Van deelname aan het economische verkeer of verhandelbaarheid van de verplichting is volgens verweerder geen sprake. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat de verplichting tot betaling van kinderalimentatie geen verplichting is in de zin van artikel 5.3, derde lid, aanhef, van de Wet IB 2001. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet dat de wetgever een wijziging heeft beoogd door artikel 7, eerste lid, letter a van de Wet VB 1964 niet over te nemen in de Wet IB 2001.

3.7 De rechtbank stelt voorop dat ouders op grond van de artikelen 1:392, eerste lid, onderdeel a, en 1:404, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek jegens hun minderjarige kinderen verplicht zijn hen te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding. Hieronder wordt verstaan de kosten van levensonderhoud en de overige kosten van lichamelijke en geestelijke opvoeding van die kinderen. Deze uit het familierecht voortvloeiende verplichting heeft een strikt persoonlijk karakter; zij eindigt zowel door de dood van de onderhoudsplichtige als bij overlijden van de onderhoudsgerechtigde. Verder zijn de onderhoudsrechten niet vatbaar voor vervreemding, afkoop of beslag. Van het recht op en de verplichting tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding kan, kort gezegd, bij overeenkomst geen afstand worden gedaan. De verplichting verandert niet als de ouders duurzaam gescheiden gaan leven of bij echtscheiding.

3.8 De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet is of de rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen is aan te merken als een verplichting met waarde in het economische verkeer.

3.9 De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Hierbij acht de rechtbank van belang dat sprake is van een verplichting die onverbrekelijk verbonden is met de privé-sfeer van de ouder en het kind, waarbij het geen verschil uitmaakt of het kind tot het huishouden van de ouder behoort en laatstgenoemde op die wijze in de kosten van verzorging en opvoeding voldoet of dat hij daarin voorziet door middel van voldoening van kinderalimentatie aan de verzorgende ouder. Of anders gezegd: in een situatie als onderhavige waarbij de echtgenoot van eiseres aan zijn onderhoudsverplichting jegens zijn minderjarige kinderen uit een eerder huwelijk voldoet, blijft er sprake van een verplichting in de privé-sfeer, zodat daaraan geen waarde in het economische verkeer is toe te kennen. De onderhoudsverplichting jegens kinderen kan de privé-sfeer nooit verlaten.

Aan dit oordeel doet niet af dat artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet VB 1964 niet is overgenomen in de Wet IB 2001. Evenmin leidt de omstandigheid dat artikel 5.3, derde lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 met ingang van 30 december 2009 bepaalt - kort gezegd - dat alimentatieverplichtingen niet ook als schuld in box 3 in aanmerking komen (zie de artikelen I, onderdeel O, en XXXIX, derde lid, van het Belastingplan 2010, Stb. 2009, 609) tot de conclusie dat de wetgever tot die datum het standpunt huldigde dat kinderalimentatieverplichtingen wel als box 3-schuld in aanmerking genomen zouden kunnen worden.

3.10Op grond van het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat een verplichting tot het betalen van kinderalimentatie geen schuld is in de zin van artikel 5.3, derde lid, aanhef van de Wet IB 2001 en derhalve geen bestanddeel vormt van de rendementsgrondslag sparen en beleggen in box 3.

3.11De omstandigheid dat partijen voor het geval de rechter anders zou oordelen overeenstemming hebben over het bedrag dat terzake van de verplichting van de partner van eiseres tot het betalen van de kinderalimentatie € 88.200 als schuld in box 3 in aanmerking zal worden genomen, maakt dit niet anders.

3.12 Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond verklaard.

3.13De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Aldus vastgesteld door mr. J.P.F. Slijpen, mr. I. Obbink-Reijngoud en mr. M.P.M. Loos, in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.H.H.L. Kolthof. Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.