Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL2344

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-02-2010
Datum publicatie
05-02-2010
Zaaknummer
353076 KG ZA 09-1615
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Aanbesteding. Derdenverzet tegen vonnis 19 oktober 2009, LJN: BK0583, tevens vorderingen in kort geding. Kern van het geschil is de vraag of de inschrijving van Sligro voldoet aan de in het bestek gestelde minimumeisen. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. De Staat heeft de inschrijving van Sligro (alsnog) terecht terzijde gesteld.

Wetsverwijzingen
Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Aanbesteding 2010/384
JAAN 2010/10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 4 februari 2010,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 353076 / KG ZA 09-1615 van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Sligro Food Group Nederland B.V.,

gevestigd te Veghel,

eiseres in het derdenverzet,

eiseres in kort geding,

advocaat mr. M.J.J.M. Essers te Amsterdam,

tegen:

1. de Staat der Nederlanden

(ministerie van Defensie, Commando DienstenCentra Paresto),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde in het derdenverzet,

gedaagde in kort geding,

advocaat mr. A.L.M. de Graaf te 's-Gravenhage,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Kruidenier Foodservices B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in het derdenverzet,

advocaat mr. B.S. Friedberg te Amsterdam.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als 'Sligro', 'de Staat' en 'Kruidenier'.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 21 januari 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. De Staat, meer in het bijzonder Commando DienstenCentra Paresto, heeft op 18 april 2009 de Europese aanbesteding "Uitvoering van de groothandels- en distributiefunctie ten aanzien van voedingsmiddelen en voedinggerelateerde producten" (hierna: de aanbesteding) aangekondigd.

1.2. Op de aanbesteding is het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (Bao) van toepassing. Het gunningscriterium is de economisch meest voordelige inschrijving.

1.3. De aanbesteding bestaat uit twee percelen. Perceel 1 vertegenwoordigt ongeveer een waarde van € 24.000.000,-- en perceel 2 vertegenwoordigt ongeveer een waarde van € 8.000.000,--.

1.4. Op de aanbesteding hebben in totaal drie inschrijvers ingeschreven. Sligro heeft, evenals Kruidenier, ingeschreven op beide percelen. Deli XL N.V. heeft ingeschreven op perceel 1.

1.5. In het aanbestedingsdocument staat, voor zover relevant, het volgende vermeld:

"2 Beoordelingsprocedure

De aanbiedingen worden beoordeeld aan de hand van de selectie- en gunningprocedure die in dit hoofdstuk staat beschreven.

2.1 Selectiecriteria

Allereerst wordt getoetst of de Inschrijver voldoet aan de minimumeisen die in hoofdstuk 3 zijn gesteld. Als de inschrijver heeft verzuimd om aan één of meerdere minimumeisen te voldoen zal dit tot een directe afwijzing leiden.

In de selectiefase wordt door de Opdrachtgever bekeken of er gronden voor uitsluiting van de leverancier aanwezig zijn en wordt de geschiktheid van de leveranciers nagegaan overeenkomstig de gestelde selectiecriteria (uitsluitingsgronden zoals verwoord in de minimumeisen aan de Inschrijver, criteria betreffende economische en financiële draagkracht en technische bekwaamheid).

Voor elk perceel waarop wordt ingeschreven dient u aan de daaraan gestelde eisen te voldoen. Per perceel dienen 3 relevante referenties overlegd te worden. De omzeteis is gerelateerd aan de waarde van het perceel waarop wordt ingeschreven, zie pagina 20.

[...]

3 Minimumeisen

De Inschrijvers zullen op basis van de ingediende Offerte worden beoordeeld. In dit hoofdstuk staan de formele eisen waaraan de Offerte moet voldoen. Een aantal "basis"-verklaringen komt aan de orde die ondertekend moeten worden. Als Inschrijver verzuimt aan het gestelde in dit hoofdstuk te voldoen, zal dit tot een directe afwijzing leiden.

3.1. Algemene minimumeisen aan offerte

[...]

Volledigheid

De Offerte moet volledig zijn, dat wil zeggen: alle gevraagde bewijsstukken of andere informatie moeten zijn bijgesloten en Inschrijver wordt verzocht alle in het Beschrijvend Document vermelde vragen, zowel algemeen als specifiek, via de standaardformulieren te beantwoorden.

Als Inschrijver besluit een vraag niet te (kunnen) beantwoorden, moet hij dit expliciet en met redengeving aangeven. Daar waar om bewijsstukken of andere informatie wordt gevraagd, voegt Inschrijver het betreffende stuk als bijlage in de Offerte.

Er wordt met nadruk op gewezen dat Opdrachtgever onvolledige Offertes niet verder in behandeling zal nemen.

[...]

3.2.8 Referentiegegevens

Het is van belang dat inschrijver door referenties van vergelijkbare projecten aantoont over voldoende deskundigheid en ervaring te beschikken met betrekking tot de gevraagde leveringen en dienstverlening.

De inschrijver overlegt een lijst met 3 referenties waaraan in de afgelopen drie jaren qua soort en omvang gelijkwaardige leveringen zijn verricht en diensten zijn verleend. Deze referenties dienen allen relevant te zijn voor de leveringen/diensten die in de onderhavige aanbesteding worden aangeboden, dus zowel voor het groothandelsgedeelte als het distributiegedeelte, c.q. de combinatie daarvan.

[...]

3.2.9 Bedrijfsprofiel / (kern)activiteiten

(...)

Als er sprake is van een moedermaatschappij dient Inschrijver bij de offerte een verklaring van de moedermaatschappij, in de zin van artikel 2:403 van het Burgerlijk Wetboek, te voegen. Uit die verklaring moet blijken dat de moedermaatschappij onvoorwaardelijk garant staat voor de door de dochtermaatschappij op zich te nemen verplichtingen. De moedermaatschappij moet aantoonbaar over afdoende middelen beschikken om de continuïteit van de dienstverlening te waarborgen."

1.6. Bij brief van 3 augustus 2009 heeft de Staat aan Sligro, evenals aan Kruidenier, meegedeeld dat ten aanzien van perceel 1 en perceel 2 de inschrijving van Sligro aangemerkt wordt als de economisch meest voordelige inschrijving en dat hij voornemens is de opdracht voor perceel 1 en voor perceel 2 aan Sligro te gunnen.

1.7. Kruidenier kan zich niet verenigen met dit gunningsvoornemen en maakt op 18 augustus 2009 een kort geding jegens de Staat aanhangig. Deze zaak is vervolgens op de terechtzitting van 6 oktober 2009 inhoudelijk behandeld. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 19 oktober 2009 heeft de voorzieningenrechter de Staat onder meer verboden gevolg te geven aan de uitkomst van de aanbestedingsprocedure ten aanzien van perceel 1 en de Staat bevolen, voor zover hij de opdracht voor perceel 1 nog steeds wenst op te dragen, de opdracht opnieuw aan te besteden (hierna: het vonnis). Rechtsoverwegingen 3.7 en 3.8 van het vonnis luiden als volgt:

"3.7. Uit het voorgaande volgt genoegzaam dat gedaagde bij de beoordeling van de gestelde minimumeisen schromelijk tekort is geschoten. Dit heeft hij overigens ter zitting nog beaamd. Dat gedaagde de minimumeisen wel heeft gezien blijkt uit de e-mail van 12 juni 2009 waarin hij nadere informatie vraagt aan eiseres omtrent de solvabiliteit van de onderneming. Ondanks die constatering heeft gedaagde de inschrijving van eiseres niet terzijde gelegde. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat gedaagde zonder twijfel lichtvaardig met zijn eigen regels van de aanbesteding is omgesprongen. Dit een en ander leidt tot het oordeel dat hier sprake is van een flagrante schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.

3.8. Het standpunt van gedaagde dat ondanks de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel het gelijkheidsbeginsel ertoe zou moeten leiden dat de inschrijvingen van eiseres en Deli XL alsnog terzijde gelegd moeten worden, volgt de voorzieningenrechter in dit geval niet. Hiervoor onder 3.3. is immers het toetsingskader gegeven indien de algemene beginselen van behoorlijk bestuur met elkaar botsen. In de afweging van de specifieke omstandigheden van dit geval is de voorzieningenrechter van oordeel dat, gezien de omvang van de gestelde gebreken, waarvan gedaagde ook heeft erkend dat zij essentieel zijn voor de procedure, de onregelmatigheden dermate ernstig zijn dat op grond daarvan het zorgvuldigheidsbeginsel thans zwaarder dient te wegen dan het gelijkheidsbeginsel. Dit leidt tot de slotsom dat het gevorderde verbod - althans zo leest de voorzieningenrechter de subsidiaire vordering - om verder vervolg te geven aan de uitkomst van de aanbesteding met betrekking tot perceel 1 toewijsbaar is. Indien gedaagde de opdracht voor perceel 1 alsnog wenst te gunnen dient deze opnieuw aanbesteed te worden."

1.8. Bij brief van 11 november 2009 deelt de advocaat van de Staat aan de advocaat van Sligro onder meer mede dat de Staat naar aanleiding van het vonnis de inschrijvingen op de aanbesteding heeft herbeoordeeld. Volgens de Staat is de uitkomst van deze herbeoordeling dat de aanbesteding niet tot een rechtmatige gunning kan leiden en dat de Staat geen andere optie ziet dan het eerder geuite gunningsvoornemen aan Sligro in te trekken en over te gaan tot heraanbesteding. De Staat geeft in deze brief tevens aan dat - samengevat - (i) de door Sligro opgegeven referentieprojecten zowel voor wat betreft perceel 1 als voor perceel 2 niet voldoen aan de in artikel 3.2.8 van het aanbestedingsdocument genoemde referentie-eis, (ii) de inschrijving van Sligro onvolledig is omdat Sligro een aantal van de te leveren artikelen niet heeft geprijsd, en (iii) de inschrijving van Sligro niet voldoet aan artikel 3.2.9 van het aanbestedingsdocument, omdat Sligro niet de vereiste verklaring van de moedermaatschappij heeft overgelegd.

1.9. Sligro heeft bij dagvaarding van 25 november 2009 de onderhavige procedure aanhangig gemaakt.

2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. Sligro vordert na eiswijziging - zakelijk weergegeven - :

In het derdenverzet:

(i) te verklaren dat het derdenverzet tegen het vonnis gegrond is en het vonnis te vernietigen, althans te schorsen;

In het kort geding:

(ii) primair: de Staat te gebieden om perceel 1 aan Sligro te gunnen,

subsidiair: de Staat te verbieden om perceel 1 aan een ander dan Sligro te gunnen,

meer subsidiair: de Staat te gebieden om de inschrijvingen op perceel 1 te herbeoordelen,

meest subsidiair: de Staat te gebieden om tot heraanbesteding van perceel 1 over te gaan;

(iii) primair: de Staat te gebieden om perceel 2 aan Sligro te gunnen,

subsidiair: de Staat te verbieden om perceel 2 aan een ander dan Sligro te gunnen,

meer subsidiair: de Staat te gebieden om de inschrijvingen op perceel 2 te herbeoordelen,

meest subsidiair: de Staat te gebieden om tot heraanbesteding van perceel 2 over te gaan;

(iv) een maatregel te treffen die de voorzieningenrechter in goede justitie passend acht en die recht doet aan de belangen van Sligro;

het onder (ii), (iii) en (iv) ieder op straffe van een dwangsom;

(v) de Staat in de proceskosten te veroordelen.

2.2. Daartoe voert Sligro - samengevat - het volgende aan. De Staat heeft ten onrechte geoordeeld dat de inschrijving van Sligro niet voldoet aan de minimumeisen. De door Sligro opgegeven referenties zijn qua aard en omvang gelijkwaardig aan de opdracht voor perceel 1 en voor perceel 2. Om te bepalen of een referentie "gelijkwaardig" is aan het aanbestedende project moet, anders dan de Staat doet, niet alleen naar de totale omzet worden gekeken, maar naar de vraag of een referentie naar aard en omvang gelijkwaardige leveringen en diensten bevat. Daarnaast stelt de Staat zich ten onrechte op het standpunt dat de inschrijving van Sligro niet volledig is, omdat een aantal artikelen van perceel 1 en van perceel 2 niet is geprijsd. Voorts stelt Sligro dat zij per abuis bij haar inschrijving een zogenoemde 403-verklaring heeft aangehecht die door Sligro Food Group N.V. (de moedermaatschappij) was afgegeven ten behoeve van Sligro B.V., in plaats van een 403-verklaring die was afgegeven ten behoeve van Sligro (de inschrijvende vennootschap). De juiste verklaring is als productie 8 bij de dagvaarding overgelegd. Deze geringe omissie zou niet tot de ongeldigheid van de inschrijving mogen leiden. Nu de inschrijving van Sligro geldig is zou de Staat tot gunning van de opdracht voor zowel perceel 1 als voor perceel 2 aan Sligro kunnen en moeten overgaan. Het vonnis kan dan ook niet in stand blijven.

2.3. De Staat en Kruidenier voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van de geschillen

3.1. In het kort geding dat heeft geleid tot het vonnis was Sligro geen partij. Ondanks het feit dat Sligro op de hoogte was van dit kort geding en zij ook bij de behandeling van deze zaak als toehoorder aanwezig is geweest, heeft zij ervoor gekozen zich niet te voegen of tussen te komen. Na het voor Sligro ongunstige vonnis en het onder 1.8 genoemde besluit van de Staat van 11 november 2009, is Sligro wel in actie gekomen. Naast het derdenverzet, dat tegen het vonnis is gericht, heeft Sligro, binnen de termijn van artikel 55 lid 2 Bao (de alcateltermijn), een kort geding aanhangig gemaakt tegen het besluit tot intrekking van het gunningsvoornemen aan Sligro en het besluit om over te gaan tot heraanbesteding.

3.2. Kruidenier heeft (voor wat betreft het derdenverzet) onder meer aangevoerd dat deze handelwijze van Sligro tot onaanvaardbare vertraging leidt en dat Sligro zich in het eerdere kort geding had moeten voegen of hierin had moeten tussenkomen. Nu zij dit niet heeft gedaan heeft zij haar rechten verwerkt, aldus Kruidenier.

3.3. Dit betoog wordt verworpen. De voorzieningenrechter overweegt dat het van groot belang is dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat als gevolg van aanbestedingsprocedures (verdere) vertragingen ontstaan in de uitvoering van overheidsopdrachten. In dit licht kan de door Sligro gekozen strategie als minder wenselijk worden beschouwd. Indien Sligro zich had gevoegd of was tussengekomen in het eerdere kort geding had de onderhavige procedure niet gevoerd hoeven te worden en was er dus minder vertraging opgetreden. Dit betekent naar voorlopig oordeel echter niet dat Sligro het recht op het voeren van deze procedure moet worden ontzegd. In het geval van het derdenverzet gaat het om een wettelijk rechtsmiddel, terwijl het voor Sligro niet duidelijk was dat haar keuze om niet te interveniëren tot gevolg zou hebben dat zij van dit rechtsmiddel geen gebruik meer zou kunnen maken. Dat Sligro van het eerdere kort geding op de hoogte was maakt dit niet anders. Daar komt bij dat het instellen van de vorderingen van Sligro pas relevant werd toen de Staat haar te kennen had gegeven dat hij het gunningsvoornemen aan Sligro introk en over zou gaan tot heraanbesteding. Voor wat het recht van Sligro om tegen het meergenoemde intrekkingsbesluit van 11 november 2009 een kort geding aanhangig te maken, geldt dat niet uit de aanbestedingsdocumenten blijkt dat dit niet is toegestaan.

3.4. Sligro heeft aan haar vorderingen (in beide zaken) ten grondslag gelegd dat de Staat ten onrechte heeft geoordeeld dat de inschrijving van Sligro met betrekking tot zowel perceel 1 als perceel 2 niet voldoet. Ten aanzien hiervan wordt het volgende overwogen.

3.5. Vaststaat dat Sligro bij haar inschrijving niet heeft voldaan aan de in artikel 3.2.9 van het aanbestedingsdocument genoemde voorwaarde, namelijk het overleggen van een verklaring van de moedermaatschappij, in de zin van artikel 2:403 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: moederverklaring). Volgens Sligro heeft zij echter per abuis een moederverklaring bij haar inschrijving gevoegd die door Sligro Food Group N.V. was afgegeven ten behoeve van Sligro B.V. De juiste moederverklaring is als productie 8 bij de dagvaarding overgelegd. Deze geringe omissie kan niet leiden tot ongeldigheid van haar inschrijving, aldus nog steeds Sligro. De Staat betwist dat de als productie 8 overgelegde moederverklaring voldoet aan artikel 3.2.9 van het aanbestedingsdocument, omdat de overgelegde verklaring wordt afgegeven door Sligro Beheer N.V. ten behoeve van Sligro B.V.

3.6. Ter zitting heeft Sligro verklaard dat de statutaire naam van Sligro Beheer N.V. in 2002 is gewijzigd in Sligro Food Group N.V. en dat in 2004 de statutaire naam van Sligro B.V. is gewijzigd in Sligro Food Group Nederland B.V. (de inschrijvende vennootschap). Voorts heeft Sligro nog verklaard dat er nog steeds een vennootschap bestaat met de naam Sligro B.V., maar dat deze vennootschap een andere vennootschap is dan bedoeld wordt met de in de als productie 8 overgelegde moederverklaring genoemde "Sligro B.V.".

3.7. Los van de vraag of er sprake is van een relatief onbeduidend gebrek waarbij aanvulling van de bewijsstukken geen verandering brengt in de inschrijving van Sligro, is de voorzieningenrechter van oordeel dat in dit kort geding niet in de vereiste mate aannemelijk is geworden dat de als productie 8 overgelegde moederverklaring wel voldoet aan hetgeen in artikel 3.2.9 van het aanbestedingsdocument is bepaald. Daarvoor zijn onvoldoende aanknopingspunten die daarop zouden kunnen wijzen. Sligro heeft immers op geen enkele wijze aangetoond dat de door haar gestelde statutaire naamswijzigingen hebben plaatsgevonden. Daar komt bij dat er kennelijk ook nog een vennootschap met de naam Sligro B.V. bestaat. Van deze vennootschap zijn echter evenmin stukken overgelegd. Dit betekent dat de door Sligro ter zitting gegeven toelichting de gerezen onduidelijkheden met betrekking tot de als productie 8 overgelegde moederverklaring niet heeft kunnen wegnemen. Tegen deze achtergrond kan aan de enkele omstandigheid dat uit het door Sligro bij de inschrijving overgelegde jaarverslag van Sligro Food Group N.V. (de moedermaatschappij) blijkt dat deze vennootschap een moederverklaring heeft afgegeven, geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Dat consolidatie van de jaarrekening van Sligro zonder een moederverklaring niet mogelijk is, zoals Sligro stelt, kan evenmin tot een ander oordeel leiden.

3.8. Een en ander betekent dat de voorzieningenrechter het ervoor moet houden dat de door Sligro bij haar inschrijving overgelegde moederverklaring - evenals de later als productie 8 overgelegde moederverklaring - niet voldoet aan het bepaalde in artikel 3.2.9 van het aanbestedingsdocument en dat de inschrijving reeds hierom terzijde moet worden gelegd. De stelling van Sligro dat de Staat wegens strijd met het vertrouwensbeginsel geen beroep meer toekomt op de ongeldigheid van de inschrijving van Sligro, omdat Sligro uit de handelwijze van de Staat - de Staat is met de brief van 3 augustus 2009 tot (voorlopige) gunning overgegaan - begreep en mocht begrijpen dat haar inschrijving voldeed, wordt verworpen. Hiertoe is het volgende van belang.

3.9. Het staat de Staat op zich-zelf vrij om op een eerder geuit gunningsvoornemen terug te komen, of dit nu eigener beweging is of naar aanleiding van reacties van andere inschrijvers. Indien bij nader inzien blijkt dat een inschrijving ongeldig is (hetgeen de Staat stelt), dient het bij de aanvankelijk winnende inschrijver opgewekte vertrouwen te wijken voor het in het aanbestedingsrecht verankerde beginsel van gelijke behandeling van alle inschrijvers. Uit dat gelijkheidsbeginsel, en overigens ook uit het zorgvuldigheidsbeginsel, vloeit voort dat inschrijvingen die niet aan de voorwaarden voldoen, buiten beschouwing moeten worden gelaten. In hoofdstuk 3 van het aanbestedingsdocument staat overigens ook expliciet vermeld dat als een inschrijver verzuimt aan de in dit hoofdstuk gestelde voorwaarden te voldoen, dit tot een directe afwijzing zal leiden. In de meerzijdige verhouding tussen een aanbesteder en de verschillende inschrijvers is het onvermijdelijk dat aan het beginsel van gelijke behandeling door de aanbesteder, in dit geval de Staat, strak de hand wordt gehouden. Het gelijkheidsbeginsel verzet zich enerzijds tegen benadeling van inschrijvers, maar anderzijds verzet het zich er evenzeer tegen dat inschrijvers op welke wijze dan ook een voorkeursbehandeling genieten. Dat van dit laatste sprake zou zijn geweest als de Staat alsnog een andere verklaring dan de reeds door Sligro bij haar inschrijving overgelegde, dan wel de later als productie 8 overgelegde, onjuiste moederverklaring zou accepteren, ligt in de rede. Het verdient niet de schoonheidsprijs dat de Staat pas in zijn brief van 11 november 2009 tot de conclusie komt dat de door Sligro bij haar inschrijving overgelegde moederverklaring niet voldoet, maar Sligro heeft onvoldoende bijzondere omstandigheden aangevoerd die een afwijking van voornoemd gelijkheidsbeginsel kunnen rechtvaardigen.

3.10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de inschrijving van Sligro niet voldoet aan artikel 3.2.9 van het aanbestedingsdocument en dat de Staat de inschrijving van Sligro terecht terzijde heeft gelegd.

3.11. Ten aanzien van de door Sligro opgegeven referenties wordt, ten overvloede, nog het volgende opgemerkt. Sligro heeft betoogd dat bij de vraag of de door haar opgegeven referenties qua "aard en omvang" vergelijkbaar zijn aan de opdracht van perceel 1 respectievelijk perceel 2, alleen gekeken moet worden of de voor de referent verrichte leveringen en diensten naar aard en omvang gelijkwaardige leveringen en diensten betreffen. De omzet van de opgegeven referent is van ondergeschikt belang. Dit betoog acht de voorzieningenrechter vooralsnog niet in hoge mate aannemelijk. Op grond van een taalkundige uitleg van het begrip "omvang" ligt het voor de hand dat hiermee gedoeld wordt op een omzetbedrag. Dit klemt te meer nu in Bijlage 2 "Formulieren referenties" bij de term "omvang" ter kennelijke verduidelijking nog is opgenomen "(financieel en aantal)". Sligro lijkt dit begrip bij haar inschrijving ook zo te hebben opgevat, omdat zij in voornoemde Bijlage 2 ook een omzetbedrag per referentie heeft ingevuld. Dat de door Sligro opgegeven referenties niet allemaal voldoen aan de eis dat deze qua omzet vergelijkbaar zijn aan de opdracht, heeft Sligro ter zitting erkend. Een en ander betekent dat de inschrijving van Sligro dan evenmin voldoet aan het vereiste van artikel 3.2.8 van het aanbestedingsdocument.

3.12. Gezien het voorgaande kan verder in het midden blijven of de inschrijving van Sligro onvolledig is omdat zij een aantal van de te leveren artikelen niet heeft geprijsd.

3.13. Nu hiervoor is overwogen dat de Staat de inschrijving van Sligro terecht terzijde heeft gelegd, wordt Sligro geacht geen partij te zijn bij deze aanbesteding, en derhalve geen belang (meer) te hebben bij een vordering die strekt tot het verbieden van een heraanbesteding. Sligro heeft evenmin belang (meer) bij een vordering die strekt tot herbeoordeling van de inschrijvingen noch bij een vordering tot heraanbesteding. Sligro heeft in dit kader ook geen ander - eventueel verder reikend - belang gesteld. De Staat heeft ter zitting overigens nog verklaard zo spoedig mogelijk over te zullen gaan tot heraanbesteding van de opdracht voor perceel 1 en perceel 2.

3.14. Het voorgaande leidt ertoe dat alle vorderingen, in beide zaken, dienen te worden afgewezen. Sligro zal, als de in beide zaken in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten. Nu het derdenverzet nauw samenhangt met het kort geding, zullen de proceskosten van de Staat in het kort geding worden begroot op nihil.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

in het derdenverzet:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt Sligro in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.078,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 262,-- aan griffierecht;

- veroordeelt Sligro in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van Kruidenier begroot op € 1.078,--, waarvan

€ 816,-- aan salaris advocaat en € 262,-- aan griffierecht;

- bepaalt dat, indien niet binnen veertien dagen na heden aan de proceskostenveroordeling ten aanzien van de Staat is voldaan, wettelijke rente is verschuldigd;

in het kort geding:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt Sligro in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2010.

adz