Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL2329

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-01-2010
Datum publicatie
05-02-2010
Zaaknummer
AWB 09/4880
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft voor 2003 een voorlopige teruggaaf ontvangen in verband met de uitbetaling van de algemene heffingskorting. Omdat haar fiscale partner over 2006 een ondernemingsverlies heeft geleden en dit verlies deels wordt verrekend met 2003, wordt zijn aanslag IB/PVV 2003 verminderd tot nihil. Hierbij vergoedt de inspecteur geen heffingsrente. Als gevolg van de aan de partner verleende vermindering heeft de inspecteur door middel van een navorderingsaanslag IB/PVV 2003 de uitbetaalde heffingskorting van eiseres teruggevorderd. De inspecteur brengt hierbij heffingsrente in rekening.

Rechtbank 's-Gravenhage oordeelt dat de teruggaaf aan de partner van IB/PVV 2003 en de navorderingsaanslag, gelet op de wetssystematiek van het uitbetalen van heffingskortingen aan de minst verdienende partner, dermate met elkaar verknocht zijn dat het in strijd is met een redelijke wetstoepassing om geen rente te berekenen over de teruggaaf aan de partner en wel rente te berekening over de bij eiseres nagevorderde belasting. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0331
V-N 2010/16.2.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 4, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 09/4880 IB/PVV

Uitspraakdatum: 22 januari 2010

Proces-verbaal van de mondelinge UITSPRAAK ingevolge artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 24 juli 2009 op het bezwaar van eiseres tegen de tegelijkertijd met de aan eiseres voor het jaar 2003 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2003 (aanslagnummer [nummer]) vastgestelde beschikking heffingsrente ten bedrage van € 425.

I ZITTING

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2010.

Namens eiseres is verschenen [A]. Namens verweerder is verschenen [B].

IIBESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- vernietigt de beschikking heffingsrente;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 805; en

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 41 aan haar vergoedt.

IIIOVERWEGINGEN

2.1. Met dagtekening 15 juli 2003 is aan eiseres een (nadere) voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen vastgesteld over het jaar 2003 ten bedrage van € 1.766. Dit betrof de uitbetaling van de algemene heffingskorting.

2.2. Met dagtekening 2 maart 2005 is ten name van de fiscale partner van eiseres (hierna: de partner) een definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2003 vastgesteld. De op die aanslag verschuldigde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen bedroeg € 3.558. Met deze aanslag is een voorlopige aanslag ten bedrage van € 3.558 verrekend.

2.3. Op 15 januari 2008 heeft de partner aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2006 gedaan. Daarbij heeft de partner een verlies uit werk en woning van € 40.574 aangegeven.

2.4.Met dagtekening 29 november 2008 heeft verweerder de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2006 van de partner vastgesteld conform de door de partner ingediende aangifte vastgesteld.

2.5.Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om ingevolge artikel 3.152, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) in combinatie met artikel 23 van de Uitvoeringsregeling Wet IB 2001 bij beschikking een voorlopige verliesverrekening in aanmerking te nemen van 80% van het vermoedelijke verlies.

2.6.Verweerder heeft het verlies over het jaar 2006 van de partner bij beschikking met dagtekening 25 februari 2009 (gedeeltelijk) verrekend met diens belastbare inkomen uit werk en woning over het jaar 2003. Naar aanleiding hiervan was de partner geen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen meer verschuldigd over het jaar 2003 en is de aan hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over dat jaar verminderd tot nihil. Dit resulteerde in een teruggaaf van inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen aan de partner ten bedrage van € 3.558. Over deze teruggaaf heeft verweerder geen heffingsrente vergoed.

2.7. Verweerder heeft met dagtekening 17 april 2009 aan eiseres de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd. Daarbij heeft hij een bedrag van € 425 aan heffingsrente in rekening gebracht. De heffingsrente is berekend over het tijdvak 1 januari 2004 tot en met 17 april 2009.

2.8.In geschil is of verweerder terecht heffingsrente aan eiseres in rekening heeft gebracht en zo ja, over welk tijdvak de heffingsrente dient te worden berekend.

2.9. Ingevolge artikel 30f, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) wordt met betrekking tot de inkomstenbelasting heffingsrente berekend ingeval een navorderingsaanslag wordt vastgesteld. Ingevolge het derde lid, letter a van dat artikel wordt met betrekking tot de inkomstenbelasting de heffingsrente enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet. Ingevolge artikel 30h, eerste lid, van de AWR wordt heffingsrente in rekening gebracht over het positieve bedrag van de belastingaanslag.

2.10.Ingevolge artikel 8.10, eerste lid, van de Wet IB 2001 geldt de algemene heffingskorting voor iedere belastingplichtige. Ingevolge artikel 8.8 van de Wet IB 2001 bedraagt de gecombineerde heffingskorting (alle heffingskortingen waar een belastingplichtige volgens de Wet IB 2001 recht op heeft) maximaal het bedrag van de gecombineerde inkomensheffing (het gezamenlijke bedrag, na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, van de over het inkomen uit box 1, 2 en 3 verschuldigde belasting en premies volksverzekeringen). Ingevolge artikel 8.9, eerste en tweede lid, van de Wet IB 2001 kan, indien de belastingplichtige in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden dezelfde partner heeft, de gecombineerde heffingskorting, onder voorwaarden, worden verhoogd. De verhoging van de gecombineerde heffingskorting bedraagt maximaal het bedrag van de door de partner verschuldigde gecombineerde inkomensheffing verminderd met zijn gecombineerde heffingskorting. De wetgever heeft er aldus voor gekozen om het al dan niet recht hebben op een uitbetaling van de heffingskortingen (in dit geval de algemene heffingskorting) aan de minstverdienende partner afhankelijk te stellen van het bedrag van de door de meest verdienende partner verschuldigde belasting en premies volksverzekeringen over het desbetreffende jaar.

2.11.Als gevolg van de achterwaartse verliescompensatie van het verlies over 2006 heeft de partner van eiseres een teruggaaf van inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen 2003 ontvangen van € 3.558, zonder dat daarover heffingsrente is vergoed, waarna aan eiseres de onderhavige navorderingsaanslag 2003 van € 1.766 is opgelegd, waarover heffingsrente in rekening is gebracht. Verweerder heeft in zijn verweerschrift gesteld dat eiseres de uitbetaalde heffingskorting ten onrechte tot haar beschikking heeft gehad. Hij heeft dat standpunt ter zitting laten vallen, nu ten tijde van het uitbetalen van de voorlopige teruggave in 2003 aan eiseres geen zicht bestond op het verlies uit werk en woning dat de partner over 2006 heeft geleden.

2.12.Naar het oordeel van de rechtbank zijn de teruggaaf aan de partner en de aan eiseres opgelegde navorderingsaanslag gelet op het in 2.10 beschreven wettelijke regime dermate met elkaar verknocht dat het in strijd is met een redelijke wetstoepassing om geen rente te vergoeden over de teruggaaf en wel rente in rekening te brengen over de direct daaraan gerelateerde heffing. Om die reden vernietigt de rechtbank de beschikking heffingsrente.

2.13.Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

2.14.De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde verleende beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 805 (1 punt voor het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 161 en een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

Aldus vastgesteld door mr. J.P.F. Slijpen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.R.M. Dekker.

Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.