Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL2312

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
19-02-2010
Zaaknummer
AWB 08/3707 en 08/4590
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Premiedifferentiatie 2007 en 2008. De wetgever heeft bedoeld de WAO-uitkeringslasten te betrekken bij de berekening van de premiedifferentiatie op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen en de rechtbank heeft deze evidente keuze van de wetgever te eerbiedigen. Tevens geen sprake van verboden discriminatie van vangnetgevallen in de zin van artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR. Beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 1, meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 08/3707 Wsfv en AWB 08/4590 Wfsv

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In de gedingen tussen

[A] B.V., zetelend te [plaats], eiseres,

en

de Inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

IPROCESVERLOOP

Bij besluiten van 20 december 2006 en 13 december 2007 heeft verweerder het voor eiseres met betrekking tot de jaren 2007 en 2008 geldende premiedifferentiatiepercentage vastgesteld op respectievelijk 2,10 en op 1,74.

Bij besluiten van 7 april 2008 en 2 juni 2008 heeft verweerder de hiertegen door eiseres gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen deze besluiten heeft eiseres tijdig beroep ingesteld. De gronden zijn nadien aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft bij brief van 9 januari 2009 een reactie op het verweerschrift ingezonden en bij brief van 5 oktober 2009 een nader standpunt ingenomen.

Daarop heeft verweerder bij brief van 9 november 2009 in aanvulling op zijn verweerschrift gereageerd.

De beroepen zijn op 26 november 2009 ter zitting behandeld.

Namens eiseres zijn verschenen mr. R.S. Ferouge, belastingadviseur te Amsterdam en [B]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. de Vreede, [C] en mr.drs. J.P.E. de Kock.

II OVERWEGINGEN

Eiseres exploiteert een belastingadviesbureau. Werkneemster van eiseres was mevrouw [D], die op 13 oktober 2000 wegens ziekte is uitgevallen voor haar werk bij eiseres. [D] is met ingang van 12 oktober 2001 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de hoogte van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (Whk), als bedoeld in artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv), gebaseerd op de in 2005 en 2006 aan [D] verstrekte WAO-uitkering en voor de jaren 2007 en 2008 vastgesteld op respectievelijk 2,10% en 1,74%.

In beroep hiertegen heeft eiseres aangevoerd dat de gedifferentieerde premie Whk niet kan en mag worden gebaseerd op voorafgaande aan de inwerkingtreding van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) uitbetaalde WAO-uitkeringen. In dat verband heeft eiseres gesteld dat artikel 38, vierde lid, van de Wfsv niet toelaat dat bij de gedifferentieerde premie Whk WAO-uitkeringen in aanmerking worden genomen. Tevens meent eiseres dat aan [D] ten onrechte, doch in ieder geval naar een te hoge mate van arbeidsongeschiktheid een WAO-uitkering is toegekend, een beslissing waarvan zij niet op de hoogte is gesteld zodat zij daartegen nimmer bezwaar heeft kunnen instellen. Ten slotte heeft eiseres opgemerkt dat de WAO-uitkering van [D], als vangnetter, net als de WGA-vangnetuitkeringen op grond van de Wfsv niet zou mogen meetellen bij het vaststellen van de gedifferentieerde premie Whk.

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 38, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wfsv, zoals deze wet luidde ten tijde hier in geding, stelt het Uwv voor de berekening van de gedifferentieerde premie ten behoeve van de Whk een voor alle takken van bedrijf en beroep gelijk rekenpercentage vast.

Elk jaar, zo bepaalt het tweede lid van artikel 38 Wfsv, wordt met ingang van 1 januari een opslag of korting vastgesteld waarmee het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde percentage wordt verhoogd respectievelijk verlaagd.

Hoe de gedifferentieerde premie wordt berekend, is geregeld in het op artikel 38, vierde lid, van de Wfsv gebaseerde Besluit Wfsv (Stb. 2005,585; hierna te noemen: het Besluit).

In het jaar 2007 was de gedifferentieerde premie Whk neergelegd in paragraaf 3a van het Besluit.

Artikel 2.16c van paragraaf 3a van het Besluit bepaalde dat de opslag of korting, bedoeld in artikel 38, tweede lid, van de Wfsv voor alle werkgevers gelijk is aan het individuele werkgeversrisicopercentage verminderd met het gemiddelde werkgeversrisicopercentage.

Ingevolge het tweede lid van artikel 2.16c van het Besluit wordt het individuele werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het eerste lid, verkregen door het totaalbedrag van de op grond van artikel 117 van de Wfsv ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas komende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, die in het tweede kalenderjaar vóór het kalenderjaar 2007 zijn betaald aan werknemers die -kort gezegd- bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid in dienstbetrekking stonden tot een werkgever.

In het jaar 2008 is de gedifferentieerde premie Whk gebaseerd op paragraaf 3 van het Besluit.

Ingevolge artikel 2.9, eerste lid, van paragraaf 3 van het Besluit is de in artikel 38, tweede lid, van de Wfsv bedoelde opslag of korting gelijk aan het individuele werkgeversrisico-percentage, verminderd met het gemiddelde werkgeversrisicopercentage.

Ingevolge het tweede lid van artikel 2.9 van het Besluit wordt het individuele werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het eerste lid, verkregen door de som van:

a. het totaalbedrag van de op grond van artikel 117 van de Wfsv ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas komende aan de werkgever toe te rekenen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, die in het tweede kalenderjaar vóór het premiebetalingstijdvak zijn betaald aan werknemers die -kort gezegd- bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid in dienstbetrekking stonden tot een werkgever, en

b. het totaalbedrag van de op grond van artikel 117b van de Wfsv ten laste van de Whk komende aan de werkgever toe te rekenen WGA-uitkeringen die in het tweede kalenderjaar vóór het premiebetalingstijdvak zijn betaald aan werknemers die -kort gezegd- bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid in dienstbetrekking stonden tot een werkgever.

De beoordeling van het geschil

Voor de rechtbank staat vast en door eiseres wordt ook niet betwist, dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van 13 oktober 2000 van [D] is gelegen binnen het dienstverband dat eiseres met haar had, zodat de aan [D] toegekende WAO-uitkering bij de bepaling van de gedifferentieerde premie Whk terecht aan eiseres is toegerekend. De van toepassing zijnde wettelijke bepalingen zijn strikt geformuleerd en bieden geen mogelijkheid om daarvan af te wijken. Eiseres is, naar zij ter zitting heeft opgemerkt, weliswaar niet bij de uitkeringstoekenning zelf maar wel nadien, op 9 juni 2005, in kennis gesteld van de toekenning per 12 oktober 2001 van de WAO-uitkering aan [D] en was derhalve toen in de gelegenheid om daartegen bezwaar te maken. Dat eiseres dat niet of niet tijdig heeft gedaan, blijft voor haar rekening en betekent dat van de juistheid van de uitkeringstoekenning moet worden uitgegaan. Verweerder heeft daarom op goede gronden het bepaalde in artikel 115 van de WIA aan eiseres tegengeworpen.

De beroepsgrond van eiseres dat de gedifferentieerde premie Whk niet kan en mag worden gebaseerd op voorafgaande aan de inwerkingtreding van de WIA uitbetaalde WAO-uitkeringen slaagt niet. De rechtbank stelt te dien aanzien voorop dat uit de Memorie van toelichting bij de Invoeringswet Wet WIA (TK, 2004-2005, 30118, nr. 3, blz 17-19) onmiskenbaar blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om bij de invoering in 2007 van de premiedifferentiatie in de WGA ook de WAO-uitkeringslasten te betrekken bij de berekening van de gedifferentieerde premie Whk. De wetgever heeft daarbij eventueel optredende negatieve effecten onder ogen gezien, maar wilde om uitvoeringstechnische redenen de financiële gevolgen van de overgang van het WAO- naar het WIA-premieregime zoveel mogelijk beperken en voorkomen dat bij die overgang een schoksgewijze premieontwikkeling zou plaatsvinden. De rechtbank heeft deze evidente keuze van de wetgever, gelet op artikel 11 van de Wet van 1829, Stb. 28, houdende Algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk, te eerbiedigen.

Ten aanzien van de stelling van eiseres dat WGA-vangnetters niet meetellen bij de vaststelling van de gedifferentieerde premie Whk en dat het wel meetellen van WAO-vangnetters daarom een ongelijke behandeling van vangnetgevallen oplevert die in strijd komt met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), overweegt de rechtbank als volgt.

Hier heeft te gelden dat de wetgever in het kader van de met de invoering van de WIA gewijzigde financieringsstructuur ervoor heeft gekozen nieuwe vangnetgevallen niet ten laste te laten komen van de Whk en door middel van de bepaling van artikel 117b, derde lid, onder c, van de Wfsv uit te zonderen van de berekening van de premiedifferentiatie Whk. Uitgangspunt daarbij was om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de financiering van het vangnet-Ziektewet en dusdoende de vangnetlasten niet langer op ondernemingsniveau af te rekenen maar op sectorniveau te differentiëren via een opslag op de sectorpremie (TK 2004-2005, 30118, nr.3, blz. 28-29). De rechtbank acht, voor zover hier al kan worden gesproken van ongelijke behandeling van gelijke gevallen, in de hiervoor weergegeven achtergrond voldoende redelijke en objectieve rechtvaardiging gelegen voor deze door de wetgever gemaakte keuze. Van een verboden discriminatie in de zin van artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR is derhalve geen sprake.

Verweerder heeft het voor eiseres met betrekking tot de jaren 2007 en 2008 geldende premiedifferentiatiepercentage Whk terecht en op goede gronden vastgesteld op respectievelijk 2,10 en 1,74.

De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

RECHT DOENDE:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mrs. A.C.M. van Wesenbeeck, D. Aarts en E. Dijt, in tegenwoordigheid van F.P. Krijnen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.