Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL2293

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-02-2010
Datum publicatie
19-02-2010
Zaaknummer
AWB 09/9004
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft verzoekster per 1 januari 2010 ontheven uit haar functie met toepassing van artikel 15:1:10 van de CAR/UWO.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bestreden besluit in bezwaar geen stand zal kunnen houden. De voorzieningenrechter acht het thans niet in het belang van verzoekster om terug te keren in haar functie. Verweerder heeft verzoekster, door de wijze waarop de besluitvorming omtrent de ontheffing uit de functie is geschied en met name door het feit dat verweerder zowel intern als extern bekendheid heeft gegeven aan zijn besluit, ernstig beschadigd. Terugkeer in de eigen functie zal hierdoor naar verwachting leiden tot spanningen en mogelijk een onhoudbare situatie.

De voorzieningenrechter geeft partijen in overweging met elkaar in overleg te treden.Verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3

Reg.nr.: AWB 09/9004 AW

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[A], wonende te [plaats], verzoekster,

gemachtigde mr. F. Verschuren,

tegen het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder.

ter zake van het door verzoekster aangenomen besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder, dat zij per 1 januari 2010 in het belang van de dienst wordt ontheven uit haar functie van [functie] Veiligheid en Handhaving (V&H). Dit besluit volgt volgens verzoekster uit het rapport van bevindingen van [B], diensthoofd Recht en Veiligheid, van 15 december 2010 (lees: 2009) dat op 16 december 2009 aan verzoekster kenbaar is gemaakt.

Verzoekster heeft hiertegen bij brief van 22 december 2009 bij verweerder bezwaar gemaakt. Bij brief van 23 december 2009 heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is op 11 januari 2010 ter zitting behandeld.

Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Zwennis, drs. [B] en [C].

IOVERWEGINGEN

1Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.

2.1Verzoekster is per 1 september 2006 aangesteld in vaste dienst in de functie van [functie] V&H bij de dienst Recht, Veiligheid en Handhaving van de gemeente Gouda. Verzoekster is in deze functie benoemd voor een periode van maximaal 5 jaar.

2.2In september en oktober 2009 is op verzoek van de gemeente Gouda door TNS NIPO een medewerkerstevredenheidsonderzoek gehouden onder de medewerkers van Recht en Veiligheid. In november 2009 is hieromtrent een rapport uitgebracht.

2.3In het Rapport van bevindingen gespreksronde afdeling Veiligheid en Handhaving van 15 december 2010 (lees: 2009) heeft [B], diensthoofd Recht en Veiligheid vermeld dat naar aanleiding van het rapport medewerkerstevredenheidsonderzoek gesprekken zijn gevoerd met nagenoeg alle medewerkers van de afdeling V&H. Het diensthoofd concludeert dat het het beste is als de wegen van V&H en verzoekster zich scheiden. Met ingang van 1 januari 2010 stelt het diensthoofd een andere manager aan die de veranderopgave voor de afdeling vorm gaat geven. Indien verzoekster dat zelf ook wenst, kan zij een strategische functie gaan vervullen binnen het korps politie Hollands-Midden (rapporterend aan de korpsleiding en, indien gewenst, met als standplaats Gouda). Doel van de plaatsing is de voortzetting van haar loopbaan buiten de gemeente Gouda.

2.4Op 16 december 2009 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen het diensthoofd en verzoekster, waarbij het rapport van 15 december 2009 met verzoekster is besproken.

Daarbij is medegedeeld dat verzoekster ontheven zou moeten worden van haar functie.

2.5Op 17 december 2009 is verzoekster met reeds gepland verlof gegaan.

2.6Verzoekster heeft bij brief van 22 december 2009 bij verweerder bezwaar gemaakt tegen de ontheffing uit haar functie. Bij brief van 23 december 2009 heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

2.7Bij brief van 23 december 2009 heeft verweerder verzoekster uitgenodigd voor verder overleg op 4 januari 2010. Hoewel nog niet is voorzien in een andere plaatsing, wordt gedacht aan een passende functie bij de politie Hollands Midden.

Verzoekster mag het door haar geplande verlof aanmerken als bijzonder verlof met behoud van bezoldiging tot het moment dat voornoemd gesprek heeft plaatsgevonden.

2.8Tijdens het gesprek op 4 januari 2009 heeft de algemeen directeur/gemeente-secretaris verzoekster het voornemen kenbaar gemaakt tot ontheffing uit de functie.

Voorts is verzoekster medegedeeld dat het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging wordt verlengd tot de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.

3Verzoekster heeft onder meer aangevoerd dat zij altijd naar behoren heeft gefunctioneerd, goede beoordelingen heeft gehad en nooit is aangesproken op haar leidinggevende kwaliteiten. Verzoekster stelt dat het rapport van 15 december 2009 onzorgvuldig tot stand is gekomen, nu niet duidelijk is met wie het diensthoofd heeft gesproken. De vermelding in voornoemd rapport dat geen vertrouwen meer in haar bestaat, staat haaks op de conclusie van het met haar gevoerde gesprek op 29 juli 2009. Verzoekster wijst er op dat in voornoemd rapport is vermeld dat niet alleen zij verantwoordelijk is voor de ontstane situatie, maar ook het diensthoofd en de afdeling. Verzoekster meent dat het bestreden besluit zodanig is dat de kans aanzienlijk is dat zij zal gaan 'zweven' omdat het slechts strekt tot ontheffing uit de functie. Bovendien biedt de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten/Uitwerkingsovereenkomst (hierna: CAR/UWO) geen juridische basis voor een ontheffing uit de functie sec. Tenslotte acht verzoekster het onacceptabel dat reeds intern en extern wordt gecommuniceerd naar aanleiding van het rapport van bevindingen en het besluit tot ontheffing.

4Verweerder heeft de griffier op 4 januari 2010 telefonisch medegedeeld te wachten met benoeming van een derde in de functie van verzoekster tot de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening.

5.1Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat nog geen besluit is genomen tot ontheffing uit de functie, nu slechts sprake is van een voorgenomen besluit.

De rapportage van 15 december 2009 en het gesprek op 16 december 2009 zijn bovendien niet te beschouwen als een handeling, nu hiermee geen wijziging van de rechtspositie van verzoekster is veroorzaakt, aldus verweerder.

5.2 De voorzieningenrechter overweegt dat uit de rapportage van 15 december 2009 en uit hetgeen op 16 december 2009 met verzoekster is besproken volgt dat verweerder de intentie had om verzoekster per 1 januari 2010 te ontheffen uit haar functie en dat verzoekster mogelijk een functie kan gaan vervullen binnen het korps politie Hollands-Midden. Op het eerste oog kan dit als een, weliswaar onbevoegd genomen, voornemen worden beschouwd. Nadere beschouwing leert echter dat verweerder hiernaar reeds heeft gehandeld voordat verder met verzoekster over de situatie is gesproken. De conclusie van het rapport van 15 december 2009 is, naar niet door verweerder is betwist, reeds verspreid binnen de afdeling. Voorts heeft het diensthoofd [B] reeds extern contact gehad met een persoon binnen politie Hollands-Midden om een eventuele overgang van verzoekster naar dat korps te bespreken. Het door verzoekster geplande verlof in de kerstperiode is daarnaast omgezet in buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging tot 4 januari 2010 en tijdens het gesprek op die datum is het buitengewoon verlof verlengd. Tijdens dit gesprek is een andere ingangsdatum voor verweerder niet bespreekbaar gebleken. Ter zitting heeft verweerder ten slotte medegedeeld dat verzoekster niet op haar functie mag terugkomen. Zou verzoekster wel op de werkvloer verschijnen om haar functie uit te oefenen, dan wordt zij per direct geschorst. Uit het voorgaande volgt dat het voornemen door de handelingen van verweerder reeds is verworden tot een besluit, waarbij de rechtspositie van verzoekster is gewijzigd per 1 januari 2010.

6.1 De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder verzoekster per 1 januari 2010 heeft ontheven uit haar functie met toepassing van artikel 15:1:10 van de CAR/UWO. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het de bedoeling van verweerder is dat verzoekster definitief niet in haar functie terugkeert. Volgens verweerder bestaat de mogelijkheid dat verzoekster een functie kan gaan vervullen bij het politie korps Hollands-Midden, derhalve buiten de gemeentelijke organisatie. Niet duidelijk is echter binnen welke termijn die plaatsing had moeten worden gerealiseerd.

Gelet hierop komt verzoekster in een positie die naar het oordeel van de voorzieningenrechter is aan te merken als onaanvaardbaar 'zweven'. Het besluit is niet anders te kwalificeren dan als een zogenaamde ontheffing sec. De CAR/UWO kent de figuur van de ontheffing sec niet. Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is ontheffing uit een functie, zonder uitzicht op een nieuwe functie, gelet op de toepasselijke rechtspositieregeling, niet mogelijk. Dit brengt mee dat de noodzakelijke rechtspositionele basis voor verweerders besluit om verzoekster uit haar functie te ontheffen ontbreekt.

6.2Voorts is uit de gedingstukken gebleken dat verweerder zich bij het thans bestreden besluit uitsluitend heeft gebaseerd op de uitkomsten van het rapport medewerkers-tevredenheidsonderzoek van november 2009 en het rapport van bevindingen van 15 december 2009. In het rapport van bevindingen van 15 december 2009 heeft diensthoofd [B] geconcludeerd dat het medewerkerstevredenheidsonderzoek voor de afdeling V&H geen goede resultaten heeft opgeleverd. Uit eigen onderzoek is het diensthoofd gebleken dat kritiek bestaat op het functioneren van verzoekster. Daaraan liggen, volgens het diensthoofd, verklaringen van collega's van verzoekster ten grondslag. Met dergelijke belastende verklaringen dient, volgens vaste jurisprudentie, voorzichtig te worden omgegaan; zij kunnen immers slechts goed op hun waarde geschat worden tegen de achtergrond van de bestaande verhoudingen in de betreffende groep medewerkers. In beginsel zal het dus nodig zijn om na te gaan of op grond van meer objectieve gegevens kan worden vastgesteld dat verzoekster niet naar behoren heeft gefunctioneerd. Daarbij is van belang dat het diensthoofd, gelet op zijn rapport van 15 december 2009, niet alleen verzoekster, maar ook zichzelf en de afdeling verantwoordelijk acht voor de ontstane situatie.

De voorzieningenrechter is vooralsnog niet gebleken dat er functioneringsgesprekken en/of beoordelingen hebben plaatsgevonden op grond waarvan verzoekster op de hoogte kon zijn van de haar thans tegengeworpen tekortkomingen en dat haar mogelijkheden zijn geboden om haar functioneren aan te passen in de door verweerder gewenste zin. De eerst ter zitting door verweerder gedane mededeling dat de kritiek op verzoekster niet op zichzelf staat, maar dat hier een geschiedenis aan vooraf is gegaan, is onvoldoende en bovendien ongefundeerd. Daarentegen blijkt uit het verslag van het op 29 juli 2009 met verzoekster gehouden evaluatiegesprek dat verzoekster in de periode 2008 tot medio 2009 naar behoren heeft gefunctioneerd. Het had dan ook in de rede gelegen dat verweerder, voor zover de geconstateerde problemen aan verzoekster zijn toe te rekenen, met verzoekster in gesprek zou gaan alvorens rechtspositionele maatregelen te treffen. Verweerder heeft hier echter niet voor gekozen.

Voor zover thans op basis van het ter beschikking staande dossier kan worden overzien, bestaat er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende feitelijke grondslag voor de noodzaak om verzoekster uit de organisatie te verwijderen en haar binnen een zeer korte termijn op non actief te stellen.

6.3De voorzieningenrechter ziet in het bovenstaande voldoende gronden voor het oordeel dat het bestreden besluit in bezwaar geen stand zal kunnen houden. De vraag is echter of voldoende reden bestaat om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen, te weten de schorsing van het besluit tot ontheffing uit de functie en verweerder te bevelen dat verzoekster in de gelegenheid wordt gesteld om haar functie weer volledig en onbelast uit te oefenen. De voorzieningenrechter acht het thans niet in het belang van verzoekster om terug te keren in haar functie. Verweerder heeft verzoekster, door de wijze waarop de besluitvorming omtrent de ontheffing uit de functie is geschied en met name door het feit dat verweerder zowel intern als extern bekendheid heeft gegeven aan zijn besluit, ernstig beschadigd. Terugkeer in de eigen functie zal hierdoor naar verwachting leiden tot spanningen en mogelijk een onhoudbare situatie.

De voorzieningenrechter geeft partijen in overweging met elkaar in overleg te treden. Verweerder zal in dat kader grote inspanningen moeten betrachten. Voor zover daarbij een plaatsing op een behoorlijke functie elders in de organisatie aan de orde komt, zal verweerder de organisatie op zorgvuldige wijze dienen te informeren.

7.Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

8.Verweerder wordt veroordeeld in de door verzoekster gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 874,--.

IIBESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

2. veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 874,--, welk bedrag aan verzoekster moet worden vergoed.

Aldus vastgesteld door mr. C.C. de Rijke-Maas, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van de griffier A.J. Faasse - van Rossum.

Uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.