Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL2269

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-02-2010
Datum publicatie
05-02-2010
Zaaknummer
340215 - HA RK 09-0277
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Conflict over (kort gezegd) herenigd schilderij van Jan Steen, testament van Abraham Bredius en restitutie aan erfgename Goudstikker. Rechtbank wijst verzoek van gemeente Den Haag tot gedeeltelijke opheffing van de testamentaire last af (art. 4:134 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010, 126
NJ 2010/364 met annotatie van S. Perrick
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 340215 / HA RK 09-0277

Beschikking van 5 februari 2010

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE DEN HAAG,

zetelend te 's-Gravenhage,

verzoekster,

advocaat: mr. W.I. Wisman,

tegen

1. [B1],

wonende te [woonplaats],

2. [B2],

wonende te [woonplaats],

3. [B3],

wonende te [woonplaats],

4. [B4],

wonende te [woonplaats],

belanghebbenden,

advocaat: mr. P.L. Loeb,

5. STICHTING TOT BESCHERMING EN BEHOUD VAN HET NEDERLANDS OPENBAAR KUNSTBEZIT,

gevestigd te Amsterdam,

belanghebbende,

advocaat: mr. G.J.T.M. van den Bergh,

6. [erfgename Goudstikker],

wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

advocaat: mr. R.W. Polak.

De rechtbank zal de procespartijen hierna aanduiden als “De Gemeente”, “de familieleden Bredius”, “de Stichting” en “[erfgename Goudstikker]”.

1. Het procesverloop

1.1. De Gemeente heeft op 8 juni 2009 een verzoekschrift ingediend waarin zij de rechtbank verzoekt op grond van artikel 4:134 lid 1 BW de hierna te noemen testamentaire last gedeeltelijk op te heffen.

1.2. De familieleden Bredius en de Stichting hebben op 22 oktober 2009 ieder een verweerschrift ingediend. Bij brief van 3 november 2009 heeft de advocaat van [erfgename Goudstikker] de rechtbank bericht dat ook [erfgename Goudstikker] als belanghebbende bij deze procedure moet worden aangemerkt en dat hij tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek namens [erfgename Goudstikker] het woord wil voeren.

1.3. De mondelinge behandeling van het verzoekschrift en de verweerschriften heeft plaatsgevonden op 5 november 2009 ter openbare zitting van de rechtbank in de aan het slot van deze beschikking vermelde samenstelling. Naast het (relatief omvangrijke) publiek waren daar voor de procespartijen aanwezig:

- de heer [A], directeur cultuurbeheer bij de Gemeente;

- mr. W.I. Wisman, advocaat van de Gemeente;

- prof. mr. W.G. Huijgen, kantoorgenoot van mr. Wisman;

- mr. [B3], belanghebbende;

- mr. P.L. Loeb, advocaat van de familieleden Bredius;

- de heer [C], voorzitter van de Stichting;

- de heer [D], secretaris van de Stichting;

- de heer [E], bestuurslid van de Stichting;

- mr. G.J.T.M. van den Bergh, advocaat van de Stichting;

- mr. R.W. Polak, advocaat van [erfgename Goudstikker].

Ter zitting van 5 november 2009 hebben de vier advocaten ieder een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

1.4. Op 6 november 2009 is – zoals aan het slot van de zitting afgesproken - door de rechtbank nog een brief met bijlage van mr. P.L. Loeb ontvangen, met gelijktijdige kopie aan de advocaat van de Gemeente, aan de advocaat van [erfgename Goudstikker] en aan de advocaat van de Stichting.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 13 april 1946 is te Monaco overleden de oud-museumdirecteur en kunstverzamelaar Dr. Abraham Bredius (hierna te noemen: “Abraham Bredius”), geboren te Amsterdam op 18 april 1855. Abraham Bredius heeft geen kinderen of echtgenote achtergelaten. Hij had bij overlijden de Monegaskische nationaliteit.

2.2. Bij testament van 26 april 1944, verleden voor een notaris te Monaco, heeft Abraham Bredius over zijn nalatenschap beschikt en daarbij onder meer bepaald:

“Je lègue à la ville de La Haye (Pays Bas) tous les tableaux et tous les objects d’arts qui sont exposés au Musée Bredius(h)uis, au Prinsegracht, à La Haye ; ils devront rester exposés exclusivement dans ledit Musée.”

De Gemeente heeft dit legaat en de daaraan verbonden testamentaire last aanvaard.

2.3. Bij beschikking van 16 maart 1990 (NJ 1991, 575) heeft de Hoge Raad op verzoek van de Gemeente de aan dit legaat verbonden last gewijzigd, kort gezegd in die zin dat alle onder het legaat begrepen schilderijen en kunstvoorwerpen voortaan blijvend geëxposeerd zullen worden in het voor het publiek toegankelijke, nieuw in te richten Museum Bredius in het pand Lange Vijverberg 14 te Den Haag.

2.4. Tot de collectie van het Museum Bredius behoort sinds 1996 het door restauratie herenigde schilderij “Het huwelijk van Tobias en Sarah”, ook wel genoemd “De huwelijksnacht van Tobias en Sarah” van de 17de-eeuwse Hollandse meesterschilder Jan Steen. Dit schilderij bestond vóór de samenvoeging door restauratie in 1996 uit twee zelfstandige delen (schilderijen), enerzijds het gedeelte (schilderij) “De Aartsengel Rafaël” en anderzijds het gedeelte (schilderij) “Het gebed van Tobias en Sarah”. Het gedeelte “De Aartsengel Rafaël” was en is onderdeel van het hiervoor vermelde legaat met testamentaire last van Abraham Bredius en is dus eigendom van de Gemeente. Het gedeelte “Het gebed van Tobias en Sarah” was kort gezegd afkomstig uit de collectie van de kunsthandelaar Goudstikker en werd na de Tweede Wereldoorlog eigendom van de Staat der Nederlanden. Zoals al vermeld zijn in 1996 die twee schilderijen (gedeelten) samengevoegd door middel van restauratie tot één herenigd schilderij, dit op initiatief van de heer [C], toenmalig voorzitter van de Stichting Bredius Genootschap (exploitante van het Museum Bredius) en kennelijk als gezamenlijk besluit van de gezamenlijke eigenaren de Staat en de Gemeente. Meer informatie is te vinden op www.museumbredius.nl.

2.5. Het gedeelte (voorheen zelfstandig schilderij) “Het gebed van Tobias en Sarah” is onderdeel van het zogenaamde “Advies Goudstikker” van de door de Nederlandse Regering in 2001 ingestelde Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog (hierna te noemen: “de Restitutiecommissie”). Op 19 december 2005 heeft de Restitutiecommissie de toenmalige Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna te noemen: “de Staatssecretaris”) in het Advies Goudstikker onder meer geadviseerd om ook het werk met nummer NK 2726 (“Het gebed van Tobias en Sarah”) terug te geven aan de Amsterdamse Negotiatie Compagnie NV in liquidatie (hierna te noemen “ANC”), voorheen genaamd Kunsthandel J. Goudstikker NV. Meer informatie is te vinden op www.restitutiecommissie.nl.

2.6. Bij besluit van 6 februari 2006 (hierna te noemen: “het Besluit Goudstikker”) heeft de Staatssecretaris kort gezegd het Advies Goudstikker van de Restitutiecommissie overgenomen en namens de Staat besloten tot teruggave van onder meer het werk NK 2726 (“Het gebed van Tobias en Sarah”) aan ANC. Bij akte van 7 november 2006 heeft de Staat via ANC aan [erfgename Goudstikker], erfgename van kunsthandelaar Goudstikker, onder meer overgedragen de eigendom van het werk NK 2726 (“Het gebed van Tobias en Sarah”).

2.7. Als gevolg van de hiervoor vastgestelde feiten zijn de Gemeente en [erfgename Goudstikker] sinds november 2006 gezamenlijk mede-eigenaar van het herenigde schilderij “De huwelijksnacht van Tobias en Sarah”. Voordien, vanaf de samenvoeging in 1996 tot november 2006, waren dat de Gemeente en de Staat (art. 5:14 lid 2 BW). De vier procespartijen in deze rekestprocedure (de Gemeente, [erfgename Goudstikker], de familieleden Bredius en de Stichting) zijn het er over eens dat op het gemeentelijk gedeelte “De Aartsengel Rafaël” nog altijd de testamentaire last van Abraham Bredius rust, welke last kort gezegd inhoudt dat het gedeelte (voorheen zelfstandig schilderij) “De Aartsengel Rafaël” blijvend tentoongesteld moet worden in het Museum Bredius te Den Haag.

2.8. De Gemeente en [erfgename Goudstikker] willen hun gezamenlijke eigendom van het herenigde schilderij “De huwelijksnacht van Tobias en Sarah” niet blijvend delen. Zij hebben via de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap besloten om hun verdelingsgeschil over dat herenigde schilderij te laten beslechten door bindend advies van de Restitutiecommissie. Die commissie heeft het verdelingsgeschil tussen de Gemeente en [erfgename Goudstikker] behandeld op een hoorzitting van 2 juni 2008. Tijdens deze hoorzitting heeft de Restitutiecommissie onder meer een voorkeur uitgesproken voor de oplossing dat de Gemeente zou proberen het eigendomsdeel van [erfgename Goudstikker] te kopen, opdat de Gemeente het herenigde schilderij in haar collectie van het Museum Bredius zou kunnen behouden. Daartoe zou de Gemeente proberen fondsen te vergaren. Bij brief van 29 juli 2008 heeft de Gemeente aan de Restitutiecommissie bericht dat het haar niet is gelukt voldoende financiële middelen te verwerven om het aandeel van [erfgename Goudstikker] te kunnen kopen, maar dat zij wel bereid is om onder de door [erfgename Goudstikker] gestelde voorwaarden haar aandeel in het herenigde schilderij aan [erfgename Goudstikker] te verkopen.

2.9. In haar bindend advies van 6 oktober 2008 stelt de Restitutiecommissie vast dat partijen tijdens de procedure tot een oplossing zijn gekomen, namelijk dat de Gemeente haar eigendomsdeel in het herenigde schilderij verkoopt aan [erfgename Goudstikker]. Ter “formalisering van de overeenstemming van partijen” luidt het bindend advies van de Restitutiecommissie (te vinden op www.restitutiecommissie.nl) als volgt:

“a. Tussen [erfgename Goudstikker] en de Gemeente is ten aanzien van het schilderij Het huwelijk van Tobias en Sarah van Jan Steen sprake van mede-eigendom in de verhouding 76 procent (De Staat) : 24 procent (de Gemeente).

b. Uitgegaan wordt van de volgende waarden: USD 3.805.263,- voor het gehele schilderij, USD 2.892.000,- voor het eigendomsdeel van [erfgename Goudstikker], en USD 913.263,- voor het eigendomsdeel van de Gemeente. De wisselkoers is EUR 1 = USD 1,55.

c. De Gemeente dient onverwijld een verzoek tot opheffing van de onder 6.2 onder (ii) bedoelde last in bij de Rechtbank te Den Haag.

d. Bij opheffing van de last is de Gemeente gehouden tot overdracht van haar deel van de eigendom van het schilderij aan [erfgename Goudstikker], tegen betaling door [erfgename Goudstikker] van het bedrag van omgerekend EUR 622.478,54 aan de Gemeente, bestaande in een bedrag van EUR 589.201,94 voor het eigendomsdeel van 24 procent en een proportionele (76 procents-)bijdrage van EUR 33.276,60 in de restauratiekosten.”

2.10. De Stichting heeft volgens haar akte van oprichting van 29 januari 2009 als statutair doel het Nederlands openbaar kunstbezit te beschermen en te behouden voor het Nederlandse publiek, in welk kader zij er onder meer naar streeft om de verdwijning van Jan Steen’s complete schilderij “Het huwelijk van Tobias en Sarah” uit het Nederlands openbaar kunstbezit te voorkomen door onder meer het voeren van procedures.

2.11. De familieleden Bredius zijn familie van Abraham Bredius en rechtsopvolgers van legatarissen (andere dan de Gemeente) in het testament van Abraham Bredius.

3. Het verzoek en de verweren daartegen

3.1. De Gemeente verzoekt de rechtbank bij beschikking te bepalen dat de testamentaire last tot tentoonstelling voorzover die drukt op het uit het legaat van Abraham Bredius aan de Gemeente afkomstige gedeelte “De Aartsengel Rafaël” van het herenigde schilderij “Het huwelijk van Tobias en Sarah” wordt opgeheven op grond van artikel 4:134 lid 1 BW. De Gemeente vermeldt in haar verzoekschrift dat zij voornemens is het daarna van [erfgename Goudstikker] te ontvangen uitkoopbedrag van in totaal € 622.478,54 te bestemmen voor de aankoop van een vergelijkbaar schilderij voor het Museum Bredius, waarmee zij meent zo veel mogelijk recht te doen aan de bedoelingen van de erflater Abraham Bredius (art. 4:134 lid 2 BW).

3.2. De familieleden Bredius en de Stichting voeren ieder gemotiveerd verweer tegen dat door hen bestreden verzoek. Namens [erfgename Goudstikker] is ter zitting naar voren gebracht dat zij het verzoek van de Gemeente ondersteunt.

3.3. Voor de weergave van de gedetailleerde standpunten van de vier procespartijen volstaat de rechtbank nu kortheidshalve met een verwijzing naar de aan partijen en hun advocaten bekende gedingstukken met producties, hiervoor opgesomd in de rechtsoverwegingen 1.1 t/m 1.4. Op de relevante standpunten van partijen zal de rechtbank hierna bij de beoordeling ingaan.

4. De beoordeling

Belanghebbenden

4.1. Het standpunt van de Gemeente dat de familieleden Bredius en de Stichting in deze verzoekschriftprocedure niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden en daarom niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, faalt. Het verzoek is gebaseerd op artikel 4:134 BW. Wie als belanghebbende moet worden aangemerkt wordt in dat wetsartikel in het midden gelaten. Volgens vaste jurisprudentie moet in een dergelijk geval uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen worden afgeleid wie tot de belanghebbenden zijn te rekenen. Bij de beantwoording van die vraag speelt een rol in hoeverre deze belanghebbende door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.

4.2. Inzet en uitkomst van de onderhavige rekestprocedure treffen naar het oordeel van de rechtbank zowel de familieleden Bredius als de Stichting onmiskenbaar zodanig in hun belangen dat zij ter bescherming daarvan behoren te mogen opkomen. De Gemeente beroept zich in dit verband ten onrechte op het bepaalde in artikel 4:131 lid 2 BW. De onderhavige procedure betreft immers geen verzoek als bedoeld in artikel 4:131 BW, maar een verzoek als bedoeld in artikel 4:134 BW. Voorts geldt ten aanzien van de familieleden Bredius (zie rechtsoverweging 2.11) dat zij onweersproken familieleden van Abraham Bredius en rechtsopvolgers van legatarissen in zijn testament zijn, die afbreuk van de gelegateerde collectie en van de nagedachtenis aan Abraham Bredius willen voorkomen en erop willen toezien dat zijn laatste wens ten aanzien van de collectie door de Gemeente wordt nageleefd. De familieleden Bredius hebben aldus naar het oordeel van de rechtbank belang bij de uitkomst van de onderhavige procedure. Reeds gelet op haar statutaire doelstelling (zie rechtsoverweging 2.10) geldt ook voor de Stichting dat zij belang heeft bij de uitkomst van deze procedure. Daarom merkt de rechtbank zowel de familieleden Bredius als de Stichting aan als belanghebbenden in deze procedure en als ontvankelijk verweerders tegen het verzoek van de Gemeente.

Toepasselijk recht

4.3. Volgens de Stichting wordt de opheffing van de last door het Monegaskische recht beheerst, zodat artikel 4:134 lid 1 BW niet van toepassing is en de rechtbank derhalve het verzoek van de Gemeente niet kan toewijzen. Dit standpunt kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Met de Gemeente en de familieleden Bredius is de rechtbank van oordeel dat het verzoek niet moet worden beoordeeld naar Monegaskisch recht, maar naar Nederlands recht. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 16 maart 1990 (NJ 1991, 575) immers al geoordeeld dat kort gezegd op dit legaat met testamentaire last van Abraham Bredius de toenmalige “Museumwet 1925” als voorrangsregel van toepassing was, omdat het Nederlands openbaar belang bij het mogelijk maken van een wijziging van deze testamentaire last onmiddellijk en nauw betrokken is. Nu uit de parlementaire geschiedenis van artikel 4:134 BW volgt dat dit wetsartikel de opvolger is van de toenmalige Museumwet 1925 en nu het onderhavige verzoek hetzelfde legaat met last betreft, geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor het onderhavige verzoek dat artikel 4:134 BW als voorrangsregel moet worden toegepast, in die zin dat toepasselijkheid van het Monegaskische erfrecht achterwege blijft en de rechtbank dit specifieke verzoek van de Gemeente naar Nederlands recht moet beoordelen.

Wettelijk kader

4.4. Het verzoek van de Gemeente is gebaseerd op artikel 4:134 lid 1 aanhef en onder a BW. Op grond van deze wetsbepaling kan de rechter op verzoek van degene op wie de last rust of van het openbaar ministerie de last wijzigen of geheel of gedeeltelijk opheffen op grond van na het overlijden van de erflater ingetreden omstandigheden welke van dien aard zijn dat de ongewijzigde instandhouding van de last uit een oogpunt van de daarbij betrokken persoonlijke en maatschappelijke belangen ongerechtvaardigd zou zijn. Daarbij dient de rechter zoveel mogelijk de bedoeling van de erflater in acht te nemen (artikel 4:134 lid 2 BW) en zijn enkele specifieke bepalingen over onvoorziene omstandigheden van overeenkomstige toepassing (artikel 4:134 lid 3 BW).

4.5. Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 4:134 BW volgt verder dat het bij de onderhavige wetsbepaling niet zo zeer gaat om wat redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen, maar veeleer om een voorziening met het oog op testamentaire lasten die door na het overlijden van de erflater ingetreden omstandigheden hun zin verloren hebben, niet meer met de bedoeling van de erflater overeenstemmen of aanpassing behoeven aan hun maatschappelijke strekking of aan het algemeen belang. Om die (specifieke) reden heeft de wetgever een verwijzing opgenomen naar de bij de last betrokken persoonlijke en maatschappelijke belangen waarmee de rechter rekening moet houden. Verder volgt uit de wetsgeschiedenis dat een wijziging van een testamentaire last door de rechter niet lichtvaardig mag worden aangebracht en dat gelet op de grond der wijziging zoveel mogelijk gezocht moet worden naar een oplossing die geacht kan worden in de geest van de erflater te zijn.

Ongewijzigde instandhouding last in dit geval ongerechtvaardigd?

4.6. Naar het oordeel van de rechtbank zijn - alles afwegende - de hiervoor in de rechtsoverwegingen 2.4 t/m 2.9 vastgestelde bijzondere feitelijke en juridische ontwikkelingen van 1996 tot 2009 rondom het voordien zelfstandige, tot de onder last tot tentoonstelling in het Museum Bredius gelegateerde Bredius-collectie behorende, schilderij “De Aartsengel Rafaël” niet van een zodanige aard, dat de ongewijzigde instandhouding van die last uit oogpunt van de bij die specifieke last tot tentoonstelling betrokken persoonlijke en maatschappelijke belangen ongerechtvaardigd zou zijn. Daartoe is het volgende redengevend.

4.7. De familieleden Bredius en de Stichting betogen naar het oordeel van de rechtbank terecht dat de ongewijzigde instandhouding van de last als hoofdregel het meest recht lijkt te doen aan zowel de bedoelingen van de erflater Abraham Bredius als ook aan het algemene maatschappelijk belang dat de wetgever met artikel 4:134 BW (mede) beoogt te dienen. Het resultaat van afwijzing van het verzoek van de Gemeente zal immers zijn dat de Gemeente “De Aartsengel Rafaël” – en daardoor feitelijk ook het herenigde schilderij “De huwelijksnacht van Tobias en Sarah” – van de Hollandse meesterschilder Jan Steen behoort te blijven tentoonstellen in het Haagse Museum Bredius als onderdeel van de onder die last aan haar gelegateerde Bredius-collectie, waardoor niet alleen de bedoelingen naar de letter en de geest van het testament van Abraham Bredius het meest worden gerespecteerd maar ook het maatschappelijke belang van bescherming en behoud van Nederlands openbaar kunstbezit het meest wordt gediend. Daarom moet de rechtbank dit verstrekkende verzoek tot (gedeeltelijke) opheffing van de testamentaire last in beginsel en als hoofdregel afwijzen, mede gelet op de hiervoor in rechtsoverweging 4.5 weergegeven wetsgeschiedenis die de rechter aanspoort tot het “niet lichtvaardig” en het slechts “zo veel mogelijk in de geest van de erflater” wijzigen van testamentaire lasten.

4.8. De vraag rijst nu of de door de Gemeente en [erfgename Goudstikker] in deze rekestprocedure gestelde, dan wel de overige aan de rechtbank gebleken onvoorziene en gewijzigde omstandigheden van dit geval zodanig bijzonder zijn, dat die omstandigheden ondanks het voorgaande toch een afwijking van de hoofdregel van instandhouding van deze testamentaire last rechtvaardigen. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval, waartoe de rechtbank het volgende overweegt.

4.9. De Gemeente heeft als argument voor de door haar verzochte opheffing gewezen op haar financieel belang. Dat gemeentelijk financieel belang kan naar het oordeel van de rechtbank onder omstandigheden wel degelijk een door de wetgever bedoeld “persoonlijk en maatschappelijk belang” zijn dat de rechter noodzaakt tot wijziging of zelfs opheffing van door ontoereikende gemeentelijke financiën “ongerechtvaardigd” geworden testamentaire lasten. Een dergelijk geval doet zich hier naar het oordeel van de rechtbank echter niet voor. Niet gesteld of gebleken is immers dat de Gemeente haar kosten van instandhouding van de aan haar gelegateerde Bredius-collectie en de last tot tentoonstelling daarvan in het Museum Bredius niet meer kan opbrengen. Naar zij bij pleitnota heeft gesteld bedragen die gemeentelijke kosten tot instandhouding structureel ongeveer € 70.000,- per jaar.

4.10. De Gemeente heeft in dit verband echter vooral gewezen op haar incidentele financiële belangen van € 622.478,54 en/of € 1.865.806,45 als gevolg van het bindend advies van de Restitutiecommissie van oktober 2008. Deze bijzondere financiële omstandigheden behoren naar het oordeel van de rechtbank echter niet tot de door de wetgever met art. 4:134 BW bedoelde en te beschermen “persoonlijke of maatschappelijke belangen” die kunnen leiden tot de conclusie dat ongewijzigde instandhouding van de last tot tentoonstelling in het Museum Bredius van het gedeelte “De Aartsengel Rafaël” ongerechtvaardigd zou zijn geworden.

4.11. Die gemeentelijke financiële belangen van € 622.478,54 en/of € 1.865.806,45 betreffen immers de financiële uitkomst van het verdelingsgeschil tussen de Gemeente en [erfgename Goudstikker] over hun gezamenlijke eigendom van “Het huwelijk van Tobias en Sarah”. Dat verdelingsgeschil staat echter in deze rekestprocedure die strekt tot opheffing van de testamentaire last die rust op het gedeelte“De Aartsengel Rafaël” niet ter beoordeling van de rechtbank. De argumenten die de Gemeente en [erfgename Goudstikker] aan dat verdelingsgeschil ontlenen - zoals hun ongelijke mede-eigendomsverhouding van 24% tegenover 76%, en de overigens zonder behoorlijke onderbouwing door de Gemeente gestelde onmacht om € 1.865.806,45 te (doen) financieren ter uitkoop van [erfgename Goudstikker] - moet en zal de rechtbank bij de toetsing aan de maatstaven van artikel 4:134 BW dan ook buiten beoordeling laten.

4.12. De Gemeente en [erfgename Goudstikker] hebben verder gewezen op het algemeen maatschappelijk belang bij naleving van het Nederlandse restitutiebeleid en bij naleving van het besluit van de Staatsecretaris en het advies van de Restitutiecommissie in dit concrete geval over onder meer NK 2726. Het Nederlandse restitutiebeleid in algemene zin is echter een belang dat primair de Staat aangaat en niet zozeer de Gemeente en/of [erfgename Goudstikker]. Bovendien is het in dit specifieke geval zo dat tussen partijen vaststaat dat in december 2005 en februari 2006 achtereenvolgens zowel de Restitutiecommissie als de Staatssecretaris om welke redenen dan ook bij het Advies en het Besluit in de zaak Goudstikker klaarblijkelijk in het geheel niet hebben onderkend dat het werk NK 2726 (“Het gebed van Tobias en Sarah”) als zelfstandig schilderij al sinds 1996 feitelijk en juridisch niet meer bestond, maar op de voet van art. 5:14 lid 2 BW onderdeel was geworden van een nieuw en veel waardevoller herenigd werk van Jan Steen.

4.13. In dit specifieke geval waren het Advies en het Besluit ten aanzien van NK 2726 dus met andere woorden gebaseerd op een onjuist uitgangspunt. Het staat voor de rechtbank niet vast dat bij een juist uitgangspunt gelet op het publiek belang bij zowel het behoud van het in alle opzichten veel waardevoller herenigd werk “De huwelijksnacht van Tobias en Sarah” als ook bij respectering van testamentaire lasten op aan overheidslichamen zoals de Gemeente gelegateerde werken exact hetzelfde besluit tot feitelijke restitutie van NK 2726 aan ANC genomen zou zijn. Deze bijzonder ongelukkige gang van zaken rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank echter géén opheffing van de testamentaire last op het gedeelte “De Aartsengel Rafaël” ten koste van de Bredius-collectie, maar pleit naar het oordeel van de rechtbank veeleer voor een financiële oplossing aan de bron van het conflict tussen [erfgename Goudstikker], de Staat en de Gemeente, waarbij onder respectering van de testamentaire last en de bedoelingen van Abraham Bredius het herenigde werk van Jan Steen voor het Museum Bredius en het Nederlands openbaar kunstbezit kan worden behouden. Het weer feitelijk lossnijden van “Het gebed van Tobias en Sarah” uit “De huwelijksnacht van Tobias en Sarah” ter strikte naleving van het op een onjuist uitgangspunt gebaseerd Advies en Besluit van de Staat over NK 2726 is immers ook volgens de vier procespartijen geen redelijk alternatief.

4.14. De Gemeente en [erfgename Goudstikker] hebben tenslotte nog gewezen op het maatschappelijk belang van naleving van het bindend advies van de Restitutiecommissie van oktober 2008. Dat bindend advies is echter in feite slechts een vastlegging van een voorwaardelijke schikking tussen de Gemeente en [erfgename Goudstikker] ter beslechting van hun verdelingsgeschil, dat naar het oordeel van de rechtbank (zie hiervoor rechtsoverwegingen 4.10 en 4.11) niet behoort te leiden tot de verzochte gedeeltelijke opheffing van de testamentaire last door de rechtbank. Daarbij verdient nog opmerking dat ook de Restitutiecommissie een voorkeur heeft uitgesproken voor een financiële uitkoop van de mede-eigendom van [erfgename Goudstikker] door de Gemeente, overigens zonder in te gaan op de eventuele aanspraken van [erfgename Goudstikker] en/of de Gemeente jegens de Staat in dit bijzondere geval.

4.15. Ook overigens behoren de onvoorziene bijzondere omstandigheden van dit concrete geval – waaronder de hereniging in 1996 blijkbaar zonder dat de toenmalige mede-eigenaren de Staat en de Gemeente over de juridische gevolgen daarvan zoals eventuele aanspraken van derden en de reikwijdte van de testamentaire last van Abraham Bredius behoorlijke contractuele afspraken hebben gemaakt – naar het oordeel van de rechtbank voor risico en rekening van de Gemeente, de Staat en [erfgename Goudstikker] te blijven in de zin van de wetsartikelen 6:258 lid 2 BW en 4:134 lid 3 BW. Ook die beslissing sluit het meest aan bij de bedoelingen van de erflater Abraham Bredius en bij het maatschappelijk belang dat is gediend bij zo veel mogelijk respectering van testamentaire lasten op aan musea of overheidslichamen gelegateerde kunstwerken, aanzienlijk meer althans dan het door de Gemeente nog voorgestelde alternatief voor de besteding van de door haar van [erfgename Goudstikker] onder voorwaarde van opheffing van de last te ontvangen € 622.478,54 (zie hiervoor rechtsoverweging 3.1).

4.16. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de slotsom dat dit verzoek van de Gemeente moet worden afgewezen. Een beslissing over de proceskosten is door geen van de vier procespartijen verzocht en zal de rechtbank mede daarom achterwege laten (zie artikel 289 Rv).

5. De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door de mrs. H. Wien, W.G. de Boer en C.H. van Dijk, en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2010 in het bijzijn van de griffier mr. E. van Zijll.