Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL2091

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
04-02-2010
Zaaknummer
FA RK 09-9709 / 353130
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gemeenschappelijk verzoek echtscheiding; tussenbeschikking met verwijzing naar zitting; incompleet ouderschapsplan; geen daadwerkelijk controleerbare afspraken.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 815
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2010/206
FJR 2010, 63

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 09-9709

Zaaknummer: 353130

Datum beschikking: 13 januari 2010

Scheiding

Beschikking op het op 23 november 2009 ingekomen gemeenschappelijk verzoek van:

[de man]

wonende te [woonplaats]

advocaat: mr. W. Römelingh te 's-Gravenhage,

en

[de vrouw]

wonende te [woonplaats]

advocaat: mr. W. Römelingh te 's-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift.

Verzoek

Het verzoek strekt tot echtscheiding met opname van de door verzoekers onderling getroffen regeling van hun betrekkingen na de echtscheiding.

Beoordeling

Ouderschapsplan

Door verzoekers is een echtscheidingsconvenant overgelegd met daarin opgenomen afspraken met betrekking tot de minderjarige. Daarnaast hebben verzoekers een ouderschapsplan overgelegd.

De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.

Op 1 maart 2009 is de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding in werking getreden. Eén van de uitgangspunten in deze wet is dat ouders die willen scheiden, bij hun verzoek tot echtscheiding een ouderschapsplan moeten overleggen. In artikel 815 Rv staan eisen geformuleerd waaraan een dergelijk ouderschapsplan moet voldoen:

(...)

3. In het ouderschapsplan worden in ieder geval afspraken opgenomen over:

a. de wijze waarop de echtgenoten de zorg- en opvoedingstaken, bedoeld in artikel 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, verdelen of het recht en de verplichting tot omgang, bedoeld in artikel 377a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek vormgeven;

b. de wijze waarop de echtgenoten elkaar informatie verschaffen en raadplegen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige kinderen;

c. de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen.

4. Het verzoekschrift vermeldt over welke van de gevraagde voorzieningen overeenstemming is bereikt en over welke van de gevraagde voorzieningen een verschil van mening bestaat met de gronden daarvoor. Tevens vermeldt het verzoekschrift op welke wijze de kinderen zijn betrokken bij het opstellen van het ouderschapsplan.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de achterliggende gedachte bij het ouderschapsplan is dat ouders bij een voorgenomen echtscheiding vroegtijdig nadenken over de invulling van het ouderschap na de echtscheiding en hierover goede afspraken maken opdat onnodige conflicten nadien worden voorkomen. In de Memorie van toelichting wordt gesproken over "daadwerkelijk controleerbare" afspraken. Hieruit leidt de rechtbank af dat de afspraken in het ouderschapsplan concreet moeten worden ingevuld en dat bij te vaag geformuleerde onderdelen van het ouderschapsplan om concretisering kan worden verzocht.

De rechtbank constateert dat het overgelegde ouderschapsplan ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de informatie- en consultatieregeling niet voldoet aan de eisen van artikel 815 Rv nu geen sprake is van daadwerkelijk controleerbare afspraken. De rechtbank zal de zaak naar een nader te bepalen terechtzitting verwijzen, teneinde verzoekers hieromtrent te horen.

De rechtbank is verder van oordeel dat door ouders met een minderjarige vanaf de leeftijd van 5 jaar in hoofdlijnen en op een bij zijn leeftijd passende wijze kan worden gesproken over het feit dat zij gaan scheiden en wat daarvan de gevolgen zijn voor de minderjarige. Uit het verzoekschrift blijkt niet dat de ouders een dergelijk gesprek met [minderjarige] hebben gevoerd.

Gelet op (artikel 8 van) het EVRM staat het ouders in beginsel vrij om hun ouderschap - ook na echtscheiding - in te vullen op de wijze die zij het beste achten. Deze vrijheid is echter niet onbeperkt. Uit de Memorie van toelichting blijkt dat de wetgever heeft beoogd dat "bij een verzoek tot echtscheiding de rechter toetst of de gemaakte afspraken in het belang van het kind zijn. De ambtshalve toets van het belang van het kind is noodzakelijk, omdat bij de totstandkoming van onderlinge afspraken tussen scheidende partijen het mogelijk is dat de eigen belangen van de ouders de overhand krijgen boven die van de minderjarige kinderen". De rechter zal de door partijen gemaakte afspraken met name dienen te toetsen aan (artikel 3 van) het IVRK. Indien de rechter voorshands van oordeel is dat de gemaakte afspraken in strijd zijn met het belang van de minderjarige, zal de rechter om een nadere toelichting vragen of de zaak naar zitting verwijzen om partijen hieromtrent te horen.

In casu is in het ouderschapsplan als uitgangspunt opgenomen dat de minderjarige de niet-verzorgende ouder zo vaak kan bezoeken als zij zelf wil. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke regeling bij jonge kinderen kan leiden tot een loyaliteitsconflict, omdat de kinderen als het ware telkens moeten kiezen voor de ene of de andere ouder. In het algemeen zijn kinderen onder de leeftijd van 14 jaar gebaat bij een concrete regeling die door de ouders is opgesteld. In de voorgestelde regeling wordt het initiatief voor het contact met de niet-verzorgende ouder echter bij het jonge kind (5 jaar) gelegd. De rechtbank wil daarom deze regeling met de ouders bespreken ter terechtzitting, waar ook de zittingsvertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming de rechtbank en de ouders advies kan geven.

Beslissing

De rechtbank:

houdt de behandeling van het verzoek tot echtscheiding met opname van de door verzoekers onderling getroffen regeling van hun betrekkingen na de echtscheiding aan tot de terechtzitting van 15 maart 2010 te 13.30 uur.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A. van Steen, tevens kinderrechter, bijgestaan door

G.B. van de Bunt als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2010.