Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL1712

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-01-2010
Datum publicatie
02-02-2010
Zaaknummer
W 2 / 2010
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek in verband met telefonisch contact tussen rechtbank en bestuursorgaan zonder medeweten van de vreemdeling en zijn gemachtigde; afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

B E S L I S S I N G

als bedoeld in artikel 8:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek tot wraking, ingediend op 26 januari 2010 door mr. W.P.R. Peeters, advocaat te Rijsbergen, namens de vreemdeling [naam vreemdeling], geboren op [geboortedatum], met de Guinese nationaliteit, verblijvende in het detentiecentrum te [naam detentiecentrum].

1. Procesverloop

1.1. Op de zitting van de rechtbank ’s-Gravenhage, zitting houdende te Roermond, van 26 januari 2010 heeft de behandeling plaatsgevonden van het vervolgberoep met registratienummer 10/1281 in het kader van de (voortduring van de) bewaring van de vreemdeling [naam vreemdeling], voornoemd, die is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Peeters.

1.2. Namens de vreemdeling is door de gemachtigde een verzoek tot wraking gedaan als bedoeld in artikel 8:15 van de Awb van de behandelend rechter, mr. [naam rechter].

1.3. Van het wrakingsverzoek is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een kopie is verstrekt aan mr. Peeters voornoemd. De hiervoor genoemde rechter heeft de wrakingskamer laten weten dat zij niet in het wrakingsverzoek berust en dat zij niet wenst te worden gehoord. [naam rechter] heeft een schriftelijke reactie op het verzoek ter kennis van de wrakingskamer gebracht. Afschrift daarvan is aan mr. Peeters gestuurd. Mr. Peeters heeft zijn standpunt voorafgaand aan de behandeling door de wrakingskamer schriftelijk toegelicht.

1.4. De wrakingskamer heeft het verzoek op 27 januari 2010 ter openbare zitting behandeld. Bij deze behandeling is mr. Peeters verschenen. Mr. Peeters heeft ten overstaan van de wrakingskamer het verzoek toegelicht.

2. De feiten

Ter zitting op 26 januari 2010 is aan mr. Peeters een nader ingekomen brief, gedateerd 25 januari 2010, met als bijlage een voortgangsrapportage van 22 januari 2010, van verweerder overhandigd. Naar aanleiding van de mededeling dat die brief met bijlage ook aan hem per fax is toegestuurd heeft mr. Peeters met zijn kantoor gebeld en vernomen dat die brief met bijlage inderdaad laat in de namiddag is aangekomen. Mr. Peeters heeft voorts in de brief van verweerder van 25 januari 2010 gelezen dat die brief een reactie is op een telefonisch verzoek van de zijde van de rechtbank, van welk verzoek hij geen kennis heeft gehad. Mr. Peeters heeft vervolgens namens de vreemdeling een wrakingsverzoek ingediend.

3. De gronden van het wrakingsverzoek

3.1. Mr. Peeters heeft aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de vreemdeling dan wel zijn gemachtigde niet op de hoogte is gesteld van telefonische navraag van de zijde van de rechtbank bij verweerder en dat er op die grond sprake is van vooringenomenheid. In zijn schriftelijke en mondelinge toelichting heeft mr. Peeters verklaard dat de eisende partij geen enkel zicht heeft op welke vraag of vragen er in het kader van de aangevoerde beroepsgronden zijn gesteld en op wat er verder is besproken. Daarbij is bij de eisende partij de indruk gewekt dat mogelijk verweerder de gelegenheid heeft gekregen om een andere rapportage in te brengen die alsnog de beslissing van verweerder (beter) zou kunnen ondersteunen. De schijn van partijdigheid bij de behandelend rechter is bij de vreemdeling en zijn gemachtigde gewekt nu zij geen wetenschap hebben van hetgeen is besproken tussen de rechter, dan wel de griffier, en verweerder en dat min of meer toevallig naar voren is gekomen dat er telefonisch contact is geweest.

3.2. Mr. Peeters heeft in zijn brief van 27 januari 2010 verzocht om een last tot toevoeging af te geven in deze wrakingsprocedure.

4. Het standpunt van mr. [naam rechter]

[naam rechter] heeft in haar schriftelijke reactie van 27 januari 2010 verklaard dat verweerder bij de door hem te maken belangenafweging in aanmerking heeft genomen dat de vreemdeling ongewenst is verklaard zonder de daarop betrekking hebbende stukken over te leggen. De rechtbank, in de persoon van de zittinggriffier, heeft verweerder telefonisch verzocht alsnog die stukken over te leggen. Van dat verzoek is geen telefoonnotitie opgemaakt. In zijn reactie op dat verzoek heeft verweerder aangegeven dat er geen sprake was van een ongewenstverklaring. [naam rechter] heeft gesteld dat hoewel de gang van zaken niet geheel zorgvuldig is verlopen, nu is verzuimd een telefoonnotitie op te maken en deze aan de gemachtigde van de vreemdeling toe te sturen, dit gebrek naar haar mening niet van dien aard is dat daarmee de rechterlijke onpartijdigheid in het geding zou zijn.

5. De beoordeling van het verzoek

5.1. De wrakingskamer beoordeelt of er sprake is van een feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden in de zin van artikel 8:15 van de Awb. Voor zover is beoogd te stellen dat de behandelend rechter met het door de zittinggriffier opvragen van de onderbouwende stukken bij verweerder de schijn van partijdigheid zou hebben gewekt, is de wrakingskamer van oordeel dat deze beslissing vanuit proceseconomie kan worden verantwoord. Een dergelijke procesbeslissing levert in beginsel dan ook geen feit of omstandigheid op waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Dit is alleen anders, indien een dergelijke beslissing of de motivering daarvan een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert (subjectieve partijdigheid), althans dat de bij een partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (objectieve partijdigheid). In het verzoek om stukken die dienen ter onderbouwing van een geponeerde stelling in het kader van een bewaringsbeslissing ziet de wrakingskamer, zeker in het bestuursrechtelijke kader, geen aanwijzing voor vooringenomenheid, laat staan een zwaarwegende aanwijzing.

5.2. Voor zover mr. Peeters in het feit dat de vreemdeling en zijn gemachtigde niet op de hoogte zijn gesteld van (de inhoud en de omvang van) het verzoek aan verweerder aanleiding heeft gezien het wrakingsverzoek in te dienen, heeft de behandelend rechter de processuele onzorgvuldigheid erkend. Ook in dat gebrek ziet de wrakingskamer echter geen aanwijzing voor vooringenomenheid.

5.3. Voor zover mr. Peeters heeft gesteld dat hij niet kan vaststellen of er meer is gevraagd dan alleen stukken met betrekking tot de ongewenstverklaring van de vreemdeling, is de wrakingskamer van oordeel dat er geen aanleiding is te veronderstellen dat niet alleen is gevraagd om stukken met betrekking tot de ongewenstverklaring. Onderbouwing van het standpunt dat er niet meer en anders is gevraagd is niet mogelijk.

5.4. De wrakingskamer is niet bevoegd een last tot toevoeging als bedoeld in artikel 100 van de Vreemdelingenwet 2000 af te geven voor een wrakingsprocedure. Voor de lopende beroepszaak onder registratienummer 10/1281 is een last tot toevoeging afgegeven en onderhavige procedure is een sequeel van die procedure. Het ten behoeve van dezelfde vreemdeling indienen van een wrakingsverzoek betreft een werkzaamheid die voortvloeit uit die beroepszaak en die zich voordoet tijdens de behandeling daarvan.

5.5. De wrakingskamer komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat er geen grond is voor het aannemen van objectiveerbare partijdigheid of een objectiveerbare schijn van partijdigheid bij de in persoon gewraakte rechter mr. [naam rechter]. Op grond van het bovenstaande is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek ongegrond is en daarom moet worden afgewezen.

6. Beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank:

verklaart het verzoek tot wraking van mr. [naam rechter], ongegrond en wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.J. Voncken (voorzitter), mr. L.J.A. Crompvoets en mr. J.J.M. Wassenberg, bijgestaan door J.N. Buddeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2010.

Tegen de beslissing van de wrakingskamer staat geen rechtsmiddel open.