Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL1593

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-01-2010
Datum publicatie
01-02-2010
Zaaknummer
FA RK 09-9680 / 353052
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2010:BL1778, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering. Het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige naar Slowakije is toegewezen.

De moeder heeft gehandeld in strijd met het gezagsrecht van de vader door de minderjarige zonder zijn toestemming naar Nederland over te brengen. Er is geen sprake van weigeringsgronden. Hoewel de sociaaleconomische omstandigheden in het land van herkomst minder gunstig zijn dan in Nederland, kan niet worden gesteld dat het kind hierdoor het risico loopt om te worden blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar. Kind (5 jaar) heeft niet die leeftijd en mate van rijpheid bereikt die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer

Rekestnummer : FA RK 09-9680

Zaaknummer : 353052

Datum beschikking : 7 januari 2010

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 24 november 2009 ingekomen verzoek van:

de Directie Justitieel Jeugdbeleid, Afdeling Juridische en Internationale Zaken van het Ministerie van Justitie, belast met de taak van Centrale Autoriteit als bedoeld in artikel 4 van de Wet van 2 mei 1990 (Staatsblad 202) tot uitvoering van het Haagse Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (Tractatenblad 1987, 139),

gevestigd te 's-Gravenhage,

verder te noemen: de Centrale Autoriteit,

optredend voor zichzelf en namens:

[de vader]

wonende te [woonplaats], Slowakije.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder]

wonende te [woonplaats]

advocaat: mr. T. Scholtus te 's-Gravenhage.

Procedure

Van de zijde van de vader is op 2 oktober 2009 bij de Centrale Autoriteit een verzoek ingediend tot teruggeleiding van de minderjarige [zoon A.] naar Slowakije. Op 24 november 2009 heeft de Centrale Autoriteit onderhavig verzoekschrift bij deze rechtbank ingediend.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- de brief met bijlagen d.d. 8 december 2009 van de Centrale Autoriteit;

- de brief met bijlagen d.d. 14 december 2009 van de Centrale Autoriteit;

- het verweerschrift.

Op 17 december 2009 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

- de Centrale Autoriteit in de persoon van mr. J.A. Krab;

- de moeder, bijgestaan door een tolk;

- de advocaat van de moeder.

Feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat tussen partijen het volgende vast.

Uit de moeder is geboren de minderjarige:

- [minderjarige A.] op 30 augustus 2004 te [geboorteplaats] (Slowakije).

De heer [C.] staat als vader op de geboorteakte van [zoon A.] vermeld.

De moeder heeft tevens een minderjarige zoon uit een eerdere relatie ([zoon B.]) over wie zij het gezag uitoefent.

De ouders zijn op 4 juni 2005 in Slowakije met elkaar gehuwd.

In juni 2008 is de moeder naar Nederland gegaan om werk te zoeken. De vader is met [zoon B.] en [zoon A.] in Slowakije blijven wonen.

In december 2008 is de relatie tussen de moeder en de vader geëindigd.

De moeder heeft [zoon B.] in diezelfde maand meegenomen naar Nederland. [zoon A.] bleef bij de vader in Slowakije wonen.

In mei 2009 heeft de moeder met [zoon B.] en [zoon A.] een week vakantie gehouden bij haar vader in Tsjechië. Na afloop hiervan is de moeder met beide kinderen naar Nederland gegaan.

Bij beslissing d.d. 5 juni 2009 heeft de rechtbank te Nové Zámky (Slowakije) bij wijze van voorlopige voorziening het volgende bepaald:

The Court ruled in remedial action, that the mother [...] must give the juvenile [zoon A.] [...] to the care of his father [...].

Er is nog niet definitief beslist.

De vader, de moeder en de minderjarige hebben de Slowaakse nationaliteit.

Verzoek en verweer

De Centrale Autoriteit heeft verzocht de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige naar Slowakije te bevelen, althans te bevelen dat de terugkeer van de minderjarige vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum zal geschieden, met dien verstande dat -indien de moeder nalaat de minderjarige terug te brengen naar Slowakije - de moeder de minderjarige met de benodigde reisdocumenten op een door de rechtbank te bepalen datum aan de vader dient af te geven zodat hij hem kan meenemen naar Slowakije.

Hiertoe is door de Centrale Autoriteit - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

* Nu de minderjarige in Slowakije is geboren en tot aan de ongeoorloofde overbrenging naar Nederland in Slowakije heeft gewoond, dient Slowakije als staat van het gewone verblijf van de minderjarige te worden aangemerkt.

* De ouders oefenen naar Slowaaks recht gezamenlijk het gezag over de minderjarige uit.

* De moeder heeft de minderjarige zonder toestemming van de vader overgebracht naar Nederland waarmee zij handelt in strijd met het gezagsrecht.

Gelet op het voorgaande meent de Centrale Autoriteit dat er sprake is van ongeoorloofde overbrenging als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag), zodat ingevolge artikel 12 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige naar Slowakije dient te volgen. De Centrale Autoriteit is van mening dat zich in de onderhavige zaak geen van de in het Verdrag voorziene uitzonderingen voordoet op grond waarvan teruggeleiding van de minderjarige naar Slowakije achterwege zou moeten blijven.

De moeder heeft verweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht het verzoek van de Centrale Autoriteit af te wijzen, kosten rechtens.

Volgens de moeder is er geen sprake van ongeoorloofde overbrenging nu de vader heeft ingestemd met de overbrenging naar en het verblijf van [zoon A.] in Nederland. Voorts heeft zij aangevoerd dat er een ernstig risico bestaat dat [zoon A.] door de terugkeer naar Slowakije zal worden blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel dat hij op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand zal worden gebracht nu de vader niet in staat is de verzorging van [zoon A.] op een wijze uit te oefenen die naar maatstaven van aanvaarbaarheid kan worden gevergd terwijl hij er tevens een nodeloos hardhandige wijze van opvoeding op nahoudt. Tot slot is de moeder van mening dat rekening moet worden gehouden met het gegeven dat [zoon A.] bezwaar heeft tegen zijn terugkeer naar Slowakije.

Beoordeling

Bevoegdheid

Het verzoek van de Centrale Autoriteit is gebaseerd op het Verdrag. Nederland en Slowakije zijn beide partij bij het Verdrag.

Ingevolge artikel 11 lid 1a van de Wet van 2 mei 1990 (Stb. 202) tot uitvoering van het Haags Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (hierna: de Uitvoeringswet) is de kinderrechter van de rechtbank binnen wier rechtsgebied het kind zijn werkelijke verblijfplaats heeft, bevoegd tot kennisneming van alle zaken met betrekking tot de toepassing van - onder meer - het Verdrag.

Nu de minderjarige zijn werkelijke verblijfplaats in [woonplaats moeder] heeft, is deze rechtbank bevoegd om van het verzoek van de Centrale Autoriteit kennis te nemen.

Inhoudelijke beoordeling

Het Verdrag heeft - voor zover hier van belang - tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Gelet op het voorgaande dient de rechtbank allereerst te beoordelen of de minderjarige ten tijde van de door de Centrale Autoriteit gestelde overbrenging zijn gewone verblijfplaats in Slowakije had.

Nu de minderjarige vanaf zijn geboorte tot aan zijn vertrek naar Nederland in mei 2009 in Slowakije woonachtig was, staat naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam vast dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige onmiddellijk vóór zijn overbrenging in Slowakije was.

Uit de verklaring als bedoeld in artikel 15 van het Verdrag afgegeven op 11 november 2009 door het Centre for the International Legal Protection of Children and Youth te Bratislava (Slowakije) blijkt het volgende met betrekking tot het Slowaakse gezagsrecht:

[...] As you could see in the Affidavits of the Slovak family law [...] the parental rights and obligations belongs to both parents jointly, irrespective of whether the minor child is born in or out of wedlock or whether they live together or not. The applicant has the same parental rights and obligations in respect of the applicant's child as the defendant. The mother and the father of the minor child are in principle equal in the exercise of their parental rights and obligations. [...] The removal or retention of the minor child from the Slovak Republic by a parent who has the parental rights and obligations without the consent of the other parent who has also the parental rights and obligations is wrongful [...].

De moeder heeft gesteld dat op deze verklaring geen acht mag worden geslagen, nu zij niet is betrokken bij de totstandkoming hiervan. Nu het echter gaat om een verklaring van een onafhankelijke autoriteit in Slowakije inzake het eigen toepasselijke recht, gaat de rechtbank aan de stelling van de moeder voorbij. Niet is op grond van het Verdrag vereist dat de moeder als belanghebbende bij de totstandkoming van die verklaring is betrokken.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat beide ouders gezamenlijk het gezag over [zoon A.] uitoefenden op het moment van zijn overbrenging naar Nederland.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vader het gezagsrecht ten tijde van de overbrenging daadwerkelijk uitoefende, dan wel zou hebben uitgeoefend, indien die overbrenging niet zou hebben plaatsgevonden.

De moeder stelt zich echter op het standpunt dat zij niet in strijd met het gezagsrecht van de vader heeft gehandeld nu hij heeft ingestemd met het vertrek van [zoon A.] naar Nederland. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat het aanvankelijk de bedoeling van beide ouders was om met het hele gezin naar Nederland te emigreren zodra de moeder in Nederland de zaken op orde zou hebben. De moeder is van mening dat de latere breuk tussen de ouders aan die gezamenlijke keuze om naar Nederland te verhuizen niet afdoet.

De rechtbank is van oordeel dat voor zover sprake is geweest van instemming van de vader, deze instemming alleen betrekking had op de situatie waarin het gehele gezin naar Nederland zou vertrekken. Door het verbreken van de relatie tussen de ouders is er sprake van een wijziging van omstandigheden die van dien aard is dat de oorspronkelijke tussen partijen gemaakte afspraken zijn achterhaald. Daarmee is de grondslag aan de aanvankelijke instemming van de vader komen te ontvallen. Nu de moeder ter zitting heeft verklaard dat de vader na het verbreken van de relatie nimmer heeft ingestemd met een vertrek van [zoon A.] naar Nederland, en integendeel zelfs expliciet te kennen heeft gegeven dat [zoon A.] bij hem diende te blijven, kan niet worden geoordeeld dat de vader heeft ingestemd met de overbrenging van de minderjarige naar Nederland.

Nu de moeder de minderjarige zonder toestemming van de vader naar Nederland heeft overgebracht, komt de rechtbank tot het oordeel dat deze overbrenging in strijd met het gezagsrecht van de vader is geschied.

Derhalve dient de overbrenging van de minderjarige naar Nederland aangemerkt te worden als ongeoorloofd als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag. Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van de minderjarige naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, dient ingevolge artikel 12 van het Verdrag in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.

De moeder heeft betoogd dat er sprake is van de uitzonderingen zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b en artikel 13 lid 2 van het Verdrag.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag

Beoordeeld moet worden of de moeder heeft aangetoond dat er een ernstig risico bestaat dat de minderjarige door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad brengen doel en strekking van het Verdrag mee dat voormelde weigeringsgrond restrictief moet worden toegepast en dat de rechter van de aangezochte staat de in de bepaling van artikel 13 lid 1 sub b gestelde strenge voorwaarden niet reeds vervuld mag achten louter op grond van zijn oordeel dat het belang van het kind in het land van herkomst minder goed gediend is dan in het land van de aangezochte rechter.

De moeder heeft betoogd dat de vader niet in staat is de verzorging van [zoon A.] op een wijze uit te oefenen die naar maatstaven van aanvaarbaarheid kan worden gevergd. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de vader reeds gedurende lange tijd werkloos is, dat hij een gokverslaving heeft en dat hij niet beschikt over eigen huisvesting doch inwoont bij zijn ouders. Volgens haar klemt dit temeer omdat een goed sociaal zekerheidsstelsel in Slowakije ontbreekt. Voorts heeft de moeder gesteld dat de vader er een nodeloos hardhandige wijze van opvoeding op nahoudt.

Door de Centrale Autoriteit is in reactie op het betoog van de moeder naar voren gebracht dat de moeder de vader aanvankelijk kennelijk wel in staat achtte om in Slowakije voor de minderjarige te zorgen, terwijl niet is gebleken van omstandigheden die ertoe leiden dat hij hiertoe thans niet meer in staat kan worden geacht. De Centrale Autoriteit heeft voorts betwist dat de vader de minderjarige op hardhandige wijze zou opvoeden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Hoewel de rechtbank het aannemelijk acht dat de sociaaleconomische omstandigheden in Slowakije minder gunstig zijn dan in Nederland, is zij van oordeel dat de moeder niet heeft aangetoond dat [zoon A.] hierdoor daadwerkelijk het risico loopt te worden blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar. De rechtbank betrekt hierbij het gegeven dat de vader kennelijk reeds werkloos was in de periode dat de moeder voor werk in Nederland verbleef en hij alleen de verzorging en opvoeding van de minderjarige voor zijn rekening nam, terwijl gesteld noch gebleken is dat hierin destijds een risico was gelegen als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag. Ook hetgeen de moeder heeft gesteld omtrent de huisvestingsproblematiek en de gokverslaving van de vader, acht de rechtbank onvoldoende om tot de conclusie te komen dat de minderjarige door terugkeer naar Slowakije in een ondragelijke toestand zou komen te verkeren. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking dat de moeder de mogelijkheid heeft om samen met de minderjarige naar Slowakije terug te keren. Tot slot overweegt de rechtbank dat gesteld noch gebleken is dat de minderjarige door de wijze van opvoeding door de vader reeds in zijn ontwikkeling is geschaad en door terugkeer naar Slowakije (wederom) zal worden blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar of op andere wijze in een ondragelijke toestand zal worden gebracht. De enkele stelling van de moeder ter terechtzitting dat [zoon A.] in Slowakije "klapjes" van de vader kreeg, kan naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval niet tot die conclusie leiden. Dat geldt temeer nu de moeder ter zitting zelf heeft verklaard dat de vader de minderjarige niet mishandelt.

De rechtbank komt derhalve tot het oordeel dat geen sprake is van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat in de, naar de rechtbank begrijpt reeds aanhangige, procedure in Slowakije dient te worden beslist over het ouderlijk gezag over en de verblijfplaats van [zoon A.].

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Verdrag

De rechtbank zal thans ingaan op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 lid 2 van het Verdrag. Ingevolge dit artikel kan de rechtbank weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn of haar mening rekening wordt gehouden.

De moeder heeft verzocht om [zoon A.] (vijf jaar) te horen. Volgens haar verzet [zoon A.] zich tegen terugkeer naar Slowakije. De Centrale Autoriteit acht de minderjarige echter te jong om door de rechtbank of door de raad voor de kinderbescherming te worden gehoord.

De rechtbank stelt voorop dat het gerechtvaardigd is om met de mening van kinderen rekening te houden indien zij oud en rijp genoeg zijn om de gevolgen van hun wensen op korte en lange termijn te overzien. In zijn algemeenheid acht de rechtbank kinderen van vijf jaar hiertoe, gelet op hun geestelijke ontwikkeling, niet oud en rijp genoeg. Bijzondere omstandigheden kunnen evenwel tot het oordeel leiden dat een kind van deze leeftijd wel die mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn of haar mening rekening wordt gehouden.

Nu gesteld noch gebleken is dat van zodanige bijzondere omstandigheden sprake is, komt de rechtbank tot het oordeel dat [zoon A.] niet die leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden. Gelet hierop zal de rechtbank, zoals zij ter terechtzitting reeds heeft beslist, [zoon A.] niet horen. De rechtbank ziet bijgevolg ook geen aanleiding om de Raad voor de Kinderbescherming ter zake een onderzoek te laten verrichten. De door de moeder gestelde omstandigheid dat [zoon A.] telefonisch zijn mening kenbaar zou hebben gemaakt aan de vader, maakt dit oordeel niet anders. Gelet hierop gaat de rechtbank voorbij aan het beroep van de moeder op de weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Verdrag.

Conclusie

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat er geen sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag, terwijl er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van de minderjarige naar Nederland en de indiening van het onderhavige verzoekschrift.

Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat de overbrenging van de minderjarige naar Nederland ongeoorloofd is geschied, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te worden gelast. De rechtbank acht het hierbij in het belang van de minderjarige dat de moeder samen met de minderjarige naar Slowakije zal terugkeren.

Ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet is deze beslissing van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad.

Datum van terugkeer

Tot slot dient de rechtbank een beslissing te nemen omtrent de datum van terugkeer van de minderjarige naar Slowakije. De rechtbank acht het in het belang van de minderjarige dat de terugkeer naar Slowakije eerst op 4 februari 2010 zal plaatsvinden, zodat de minderjarige op zijn terugkeer kan worden voorbereid en een eventuele uitspraak in hoger beroep kan worden afgewacht.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

gelast de terugkeer van de minderjarige:

[minderjarige A.] geboren op 30 augustus 2004 te [geboorteplaats] (Slowakije),

naar Slowakije op 4 februari 2010;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. F.J. Verbeek, B. Meijer en M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, kinderrechters, bijgestaan door mr. A.W. Spee als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 januari 2010.

Van deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet verdragen internationale ontvoering van kinderen) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.