Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL1115

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
29-01-2010
Zaaknummer
352002 / KG ZA 09-1549
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad overheid? Loopt eiser in geval van uitlevering naar de VS het risico op een schending van artikel 3 EVRM? Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 19 januari 2010,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 352002 / KG ZA 09-1549 van:

[eiser],

thans verblijvende in [verblijfplaats],

eiser,

advocaat mr. D.W.H.M. Wolters te Hoofddorp,

tegen:

de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te 's-Gravenhage.

0. Het procesverloop

Eiser heeft gedaagde op 23 november 2009 doen dagvaarden om op 11 januari 2010 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op deze datum inhoudelijk behandeld. Ter zitting is gedaagde in de gelegenheid gesteld twee e-mails in het geding te brengen waarop hij ter terechtzitting een beroep heeft gedaan. Bij (fax)brief van 11 januari 2010 heeft de advocaat van gedaagde deze e-mails vervolgens overgelegd. Vonnis is bepaald op heden.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 11 januari 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Eiser heeft de Amerikaanse nationaliteit.

1.2. Eiser is op 21 november 2008 op Schiphol aangehouden.

1.3. Bij nota nummer 7 van 21 januari 2009 hebben de Amerikaanse autoriteiten om de uitlevering van eiser verzocht, één en ander met het oog op zijn vervolging voor diverse feiten: deelneming aan een criminele organisatie en het in augustus 1992 vanuit Pakistan binnen het grondgebied van de Verenigde Staten van Amerika (VS) brengen van 22.680 kilogram cannabis.

1.4. Bij uitspraak van de rechtbank Haarlem van 31 maart 2009 heeft de rechtbank de uitlevering van eiser aan de VS toegestaan.

1.5. De Hoge Raad heeft bij arrest van 22 september 2009 de onder 1.4 genoemde uitspraak van de rechtbank Haarlem vernietigd, maar uitsluitend voor zover is verzuimd daarin een toepasselijke wetsbepaling te vermelden. Het cassatieberoep is voor het overige verworpen.

1.6. Bij e-mail van 13 oktober 2009 van een medewerkster van de Afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken (AIRS) van het ministerie van Justitie is, voor zover thans van belang, het volgende gevraagd aan de contactpersoon bij het Amerikaanse ministerie van Justitie (hierna: de contactpersoon):

"The lawyer of [eiser] states that extradition would be inhumane since he faces a life time prisonment (since he will be tried for the third time).

Is it correct that due to the third criminal case/conviction against him that the judge will have to apply the life time prisonment in that state or does he have a choice?

The competent judicial authority is the federal district court in Seattle, Washington."

1.7. In reactie op de onder 1.6 genoemde e-mail deelt de contactpersoon in de e-mail van 15 oktober 2009 het volgende mede aan voornoemd medewerkster van de AIRS:

"In answer to your question about the sentencing options for [eiser], once he's extradited, first, there is NO possibility of a mandatory life sentence. In addition, there is no "3 strikes" rule in the federal system. There is a statutory range of 10 years to life in prison (...); there are also federal sentencing guidelines. (...)."

1.8. Bij beschikking van 20 oktober 2009 heeft de minister van Justitie (hierna: de Minister) de uitlevering van eiser toegestaan (hierna: de beschikking). In 4.1.2 van de beschikking wordt overwogen:

" De Minister van Justitie sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank welke het verweer van de raadsman van de opgeëiste persoon heeft verworpen. Hiertoe werd door de rechtbank kort gezegd overwogen dat onvoldoende is gebleken dat aan de opgeëiste persoon geen andere dan een levenslange gevangenisstraf zal worden opgelegd. Dit is onlangs bevestigd door de Amerikaanse autoriteiten bij schrijven van 15 oktober 2009 waarin wordt aangegeven dat geenszins een verplichting voor de Amerikaanse rechter bestaat om een levenslange gevangenisstraf zal worden opgelegd in het onderhavige geval".

1.9. Eiser heeft op 4 januari 2010 een klacht ingediend bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).

1.10. Bij e-mail van 5 januari 2010 heeft een medewerkster van de AIRS (nogmaals) aan de contactpersoon de volgende vragen gesteld:

"[eiser] has three prior convictions to his name, (...). Supposedly all three convictions are for felony drug offenses.

Questions likely to be raised in the forthcomming summary proceedings:

1. Will the prior convictions mentioned above (if correct) lead to the mandatory term of life imprisonment without release?

2. Is such a mandatory term of life imprisonment "de jure and de facto reducible", does it leave "any prospect of release" or does it not? (...).

3. Is a mandatory minimum sentence of 20 years de jure and de facto reducible or not? Since [eiser] is (...) now 64 years old, such a minimum sentence could be considered a life sentence as well. "

1.11. In reactie op de onder 1.10 genoemde e-mail deelt de contactpersoon in haar e-mail van 6 januari 2010 onder meer het volgende aan de medewerkster van de AIRS mede:

"1. The defendant is not facing a "mandatory" term of life imprisonment; rather, that is the maximum term that the Court may order. In order for the mandatory life term to be invoked, the U.S. Attorney must file an enhancement information under Title 21, United States Code, Section 851, (...). Historically, the United States Attorney in this district does not file an enhancement information under 21 U.S.C.851 unless the United States Attorney specifically finds, after a review of the defendant's conduct and criminal history, that the mandatory sentence is merited. The information is often not filed if the matter results in a plea agreement in which the defendant accepts responsibility for his actions.

2. Once the sentence is imposed, it is reducible under limited circumstances, including: a) under Rule 35 of the Federal Rules of Criminal Procedure, if within one year of sentencing, the government moves the Court to reduce the defendant's sentence based on the defendant's substantial assistance to the government after sentencing; and b) if the President grants the defendant a pardon under Article II, Section 2, of the United States Constitution.

3. The defendant faces a mandatory term of ten (10) years, not twenty (20) years, (...). The Court only has authority to sentence the defendant below the ten year term under the following limited circumstances (...). "

2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. Eiser vordert - zakelijk weergegeven - primair een verbod tot uitlevering aan de VS en subsidiair een verbod tot uitlevering aan de VS totdat het EHRM heeft beslist op het verzoek van eiser om niet uit te leveren hangende de klachtprocedure, dan wel (meer subsidiair) een beslissing te nemen die de voorzieningenrechter geraden voorkomt. Daarnaast maakt eiser aanspraak op de proceskosten.

2.2. Daartoe voert eiser - samengevat - het volgende aan. De uitlevering van eiser naar de VS levert een schending op van artikel 3 het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat er een reëel gevaar bestaat dat eiser wordt veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf zonder mogelijkheid van vrijlating. Eiser is immers drie maal eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten, zodat de Amerikaanse rechter verplicht is een levenslange gevangenisstraf op te leggen. Eiser heeft alsdan geen kans op vervroegde invrijheidstelling. Het is niet duidelijk of de Amerikaanse autoriteiten in de aan gedaagde gegeven reacties rekening hebben gehouden met de omstandigheid dat eiser drie keer eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Voorts is van belang dat eiser in de VS een gratieverzoek pas kan indienen nadat hij 5 jaar van de opgelegde straf heeft ondergaan. Gezien zijn strafrechtelijke verleden is de kans dat gratie zal worden verleend praktisch nihil. De facto wordt een aan eiser verplicht op te leggen levenslange gevangenisstraf dan ook niet verkort.

2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. In deze procedure moet de vraag worden beantwoord of gedaagde, door het verzoek van de VS om uitlevering van eiser te honoreren, zich schuldig maakt aan onrechtmatig handelen jegens eiser. De Minister heeft, als orgaan van gedaagde, volgens vaste jurisprudentie een eigen verantwoordelijkheid om al dan niet tot uitlevering te besluiten ondanks toelaatbaarverklaring door de rechter, waarbij de beleidsvrijheid van de Minister wordt ingeperkt door de verplichtingen die voortvloeien uit het EVRM. Voorts geldt dat een verdragsrechtelijke verplichting van gedaagde tot uitlevering - zoals hier in beginsel aanwezig is tegenover de VS - slechts dan wijkt voor de ingevolge artikel 1 EVRM op gedaagde rustende verplichting om de rechten van dit verdrag te verzekeren, indien (i) blijkt dat gedaagde door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig aan hem ingevolge het EVRM toekomend recht, en (ii) voorts naar aanleiding van een voldoende onderbouwd betoog is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk. Deze uitgangspunten gelden ook in dit geval, nu de VS weliswaar niet tot het EVRM maar wel tot het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) is toegetreden. Nu eiser tegen de beslissing is opgekomen met de stelling dat zijn uitlevering strijdig is met artikel 3 EVRM, brengt dit mee dat de burgerlijke rechter deze beslissing volledig dient te toetsen aan artikel 3 EVRM.

3.2. Aan de orde is de vraag of eiser in geval van uitlevering het risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. Hiertoe is het volgende van belang.

3.3. Ter onderbouwing van zijn stelling dat de Amerikaanse rechter gezien zijn strafrechtelijk verleden verplicht is om een levenslange gevangenisstraf op te leggen, heeft eiser onder meer een "opinion" gedateerd 7 januari 2010 van een Amerikaanse strafrechtadvocaat overgelegd (productie 10 bij de brief van 8 januari 2010 van de zijde van eiser). Gedaagde betwist dat de Amerikaanse rechter verplicht is om een levenslange gevangenisstraf aan eiser op te leggen en heeft ter onderbouwing van zijn verweer de onder 1.6, 1.7, 1.10 en 1.11 genoemde e-mails overgelegd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, anders dan eiser heeft betoogd, uit deze e-mails genoegzaam blijkt dat rekening is gehouden met de omstandigheid dat eiser drie keer eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Voorts wordt in deze e-mails aangegeven dat de Amerikaanse rechter niet verplicht is om een levenslange gevangenisstraf aan eiser op te leggen, maar dat deze straf ten hoogste kan worden opgelegd. De behandelend Amerikaanse officier zal daartoe wel een speciaal verzoek bij het gerecht moeten indienen. Tevens wordt in deze e-mails aangegeven dat aan eiser minimaal een straf van 10 jaar opgelegd zal moeten worden en niet een minimumstraf van 20 jaar, zoals eiser stelt. Met gedaagde is de voorzieningenrechter van oordeel dat gedaagde op de juistheid van de in deze e-mails verstrekte informatie mag afgaan. Eiser heeft onvoldoende bijzondere omstandigheden aangevoerd die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat aan (de kundigheid van) het oordeel van de Amerikaanse autoriteiten op dit punt moet worden getwijfeld. Dat de hiervoor bedoelde Amerikaanse strafrechtadvocaat in zijn "opinion" conludeert dat "the sentence most likely to be imposed will be a life sentence or a sentence which, given the amount of years that could and/or would be imposed, would amount to a life sentence", is onvoldoende om in dit kort geding, waar geen plaats is door, bijvoorbeeld, een deskundigenonderzoek, tot een ander oordeel te kunnen komen.

Overigens kan een levenslange gevangenisstraf, ervan uitgaande dat deze, zoals door eiser gesteld, opgelegd zal worden, op zichzelf niet per definitie onmenselijk zijn dan wel in strijd met artikel 3 EVRM geacht worden. Dit kan evenwel anders zijn als er geen enkel uitzicht op vrijlating bestaat. Dat deze situatie zich hier thans voordoet is, mede gezien hetgeen hierna onder 3.4 wordt overwogen, niet in hoge mate aannemelijk geworden.

3.4. Voorts is van belang dat eiser in de VS de mogelijkheid heeft, ook na oplegging van een levenslange gevangenisstraf, om een gratieverzoek bij de president van de VS in te dienen. Dit betekent dat er een voorziening bestaat ter verkorting van een opgelegde levenslange gevangenisstraf. Ter zitting heeft gedaagde nog verklaard dat het Amerikaanse systeem van gratieverlening vergelijkbaar is met het Nederlandse systeem van gratieverlening. Tegenover de gemotiveerde betwisting door gedaagde heeft eiser zijn stelling dat de kans dat aan eiser gratie wordt verleend nihil is en dat een verkorting thans in feite illusoir is, onvoldoende aannemelijk gemaakt. Aan de omstandigheid dat President Bush jr. nauwelijks gratie heeft verleend en President Obama nog helemaal geen gratie heeft verleend, kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Ook de omstandigheid dat eiser nu 66 jaar is en pas op zijn 71e jaar een gratieverzoek kan indienen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Eiser is immers ruim tien jaar voortvluchtig geweest en de consequenties van deze keuze dient in het kader van dit kort geding voor zijn risico te blijven.

3.5. De omstandigheid dat eiser in de VS in een zwaar beveiligde inrichting terecht zal komen, zoals eiser stelt, maakt het vorenstaande evenmin anders. Alleen wanneer er sprake zou zijn van een dreigende schending van artikel 3 EVRM zou aanleiding kunnen bestaan om het besluit van de Minister onrechtmatig te oordelen. Van een dergelijke dreigende schending is niet gebleken. Ook hier geldt het vertrouwensbeginsel, op grond waarvan ervan moet worden uitgegaan dat de VS de fundamentele rechten die in het EVRM en het IVBPR zijn neergelegd, zullen respecteren, ook al zijn zij geen partij bij het EVRM. Eiser heeft ook niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat de detentieomstandigheden in de VS in het algemeen zodanig zijn dat een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM dreigt. Overigens heeft gedaagde ter zitting toegezegd dat hij bij de uitlevering van eiser aan de VS aandacht zal vragen voor een goede behandeling van het psychisch lijden van eiser. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat gedaagde deze toezegging gestand zal doen.

3.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat onvoldoende is gebleken van dreigende schending van atrikel 3 EVRM, op grond waarvan de uitlevering van eiser aan de VS niet zou kunnen worden toegestaan. De primaire vordering zal daarom worden afgewezen.

3.7. De subsidiaire vordering van eiser om de uitlevering te verbieden zolang nog niet is beslist op zijn bij het EVRM ingediende klacht, is niet toewijsbaar. In artikel 35 lid 1 EVRM wordt bepaald dat het EHRM een zaak pas in behandeling kan nemen nadat alle nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput. Toewijzing zou dan ook leiden tot een onbepaald uitstel, omdat er dan geen sprake is van een verdragsschending waarover bij het EHRM geklaagd kan worden. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een (andere) voorziening in deze zaak op te leggen.

3.8. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.078,--, waarvan

€ 816,-- aan salaris advocaat en € 262,-- aan griffierecht;

- verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2010.

adz