Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL0999

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
11-02-2010
Zaaknummer
324670 - HA ZA 08-3850
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een advocaat heeft een beroepsfout begaan door in een bestuursrechtelijke procedure over de tegemoetkoming in de schade als gevolg van extreem zware regenval op 13 en 14 september 1998 niet tijdig de gronden van het hoger beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De voormalige cliënt vordert onder meer vergoeding van de als gevolg van de beroepsfout geleden schade, nader op te maken bij staat. De rechtbank beoordeelt of het hoger beroep, als de gronden daarvan tijdig zouden zijn ingediend, een redelijke kans van slagen zou hebben gehad. Daarvan is geen sprake. De rechtbank acht de mogelijkheid van schade bij de voormalige cliënt als gevolg van de beroepsfout niet aannemelijk. Ook het door de advocaat gedeclareerde honorarium betreft geen schade als gevolg van de beroepsfout. Niet gesteld of gebleken is dat er een ander belang is bij de gevorderde verklaring voor recht dat de advocaat toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de opdracht tot verlening van rechtsbijstand, zodat ook deze vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 324670 / HA ZA 08-3850

Vonnis van 20 januari 2010

in de zaak van

1. de besloten vennootschap

[A] Plants & Trends B.V.: verder te noemen eiser 1,

[Vestigingsplaats], [Gemeente],

2. C.W.L. [A],

[Woonplaats], [Gemeente],

eisers,

advocaat mr. J.A.M. van de Sande, te Rotterdam,

tegen

[Gedaagde],

[Woonplaats], [Gemeente],

gedaagde,

advocaat mr. M.C. van Kamp, te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser 1], [eiser 2] (tezamen ook eisers te noemen) en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 13 november 2008;

- de akte houdende producties aan de zijde van eisers;

- de conclusie van antwoord;

- het tussenvonnis van 11 maart 2009 waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

- de brief met bijlage van de advocaat van eisers van 15 augustus 2009;

- het proces-verbaal van comparitie van 1 september 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. Hiertoe is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

2. Relevante wet- en regelgeving

2.1. De Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen (hierna: WTS) luidt - voor zover hier relevant - als volgt:

(...)

Artikel 4

1. Een gedupeerde heeft recht op een tegemoetkoming in de hierna te noemen categorieën van schaden, voor zover de schade die hij heeft geleden, is ontstaan in het schadegebied en het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg is van een overstroming door zoet water, een aardbeving dan wel een ramp of zwaar ongeval waarop deze wet ingevolge artikel 3 van toepassing is verklaard, alsmede in de hierna te noemen categorieën van kosten die daarmee verband houden:

(...)

d. de schade aan de vaste en vlottende activa;

e. de teeltplanschade, waaronder wordt verstaan het financieel verlies dat is geleden door een mindere opbrengst dan redelijkerwijs mocht worden verwacht gedurende een bij ministeriële regeling te bepalen schadetermijn als gevolg van verlies of beschadiging van gewassen, waardoor een vermindering in kwantiteit of kwaliteit is ontstaan of als gevolg van het niet of niet tijdig kunnen uitvoeren van de voorgenomen teelt van gewassen;

(...)

i. de bereddingskosten per risico-adres, waaronder worden verstaan de kosten die de gedupeerde heeft gemaakt in verband met het treffen van maatregelen ter voorkoming of beperking van schade of kosten, voor zover verschuldigd aan derden of toe te rekenen aan arbeid in eigen beheer volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen regels;

j. de kosten voor opruiming per risico-adres, voor zover verschuldigd aan derden of toe te rekenen aan extra arbeid in eigen beheer volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen regels.

2. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat, met uitzondering van schade die het gevolg is van gederfde omzet, andere schade- en kostencategorieën dan de in het eerste lid genoemde voor een tegemoetkoming in aanmerking komen.

(...)

Artikel 5

1. De omvang van de schade en, voor zover nodig, van de kosten wordt door of onder verantwoordelijkheid van een door Onze Minister [de Minister van Binnenlandse Zaken, toevoeging rechtbank] aangewezen schade-expert, opgenomen en neergelegd in een schaderapport.

2. (...)

3. Al dan niet op verzoek van de gedupeerde kan de omvang van de schade en de kosten opnieuw door of onder verantwoordelijkheid van een schade-expert als bedoeld in het eerste lid worden opgenomen en neergelegd in een schaderapport. (...)

4. De kosten van het opnemen van de omvang van de schade en de kosten, bedoeld in het eerste en derde lid, komen voor rekening van het Rijk, met uitzondering van het opnemen, bedoeld in het derde lid, dat op verzoek van de gedupeerde is gedaan indien blijkt dat de omvang van de schade en de kosten in eerste instantie op juiste wijze is opgenomen.

Artikel 6

1. De hoogte van de tegemoetkoming wordt volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen regels:

a. voor zover het de schade betreft, berekend met inachtneming van de schaderapporten, bedoeld in artikel 5, en het tweede tot en met het vierde lid;

b. voor zover het de kosten betreft, berekend op basis van die kosten die in een redelijke verhouding staan tot de getroffen maatregelen die in de gegeven omstandigheden als noodzakelijk konden worden beschouwd, berekend met inachtneming van de schaderapporten, bedoeld in artikel 5, voor zover dit van toepassing is, en het tweede tot en met het vierde lid.

(...)

Artikel 10

De beschikking tot het toekennen van een tegemoetkoming kan worden gewijzigd of ingetrokken, indien:

a. er feiten of omstandigheden zijn waarvan Onze Minister bij het nemen van die beschikking redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming lager zou zijn vastgesteld,

b. de hoogte van de toegekende tegemoetkoming onjuist was en de ontvanger dit wist of behoorde te weten, of

c. de ontvanger niet voldoet aan de plicht tot het verlenen van medewerking, bedoeld in artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2.2. De Regeling tegemoetkoming schade bij extreem zware regenval 1998 luidt als volgt:

(...)

Artikel 2

1. Deze regeling is van toepassing op de schade en kosten die zijn ontstaan als gevolg van de extreem zware regenval op 13 en 14 september 1998.

(...)

Artikel 14

De schadetermijn voor de teeltplanschade en de bedrijfsschade, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdelen e en f, van de wet wordt gerekend vanaf 13 september 1998 tot het moment waarop het bedrijf redelijkerwijs in staat moet worden geacht op zijn normale productieniveau te werken, rekening houdend met de geteelde gewassen of de gehouden diersoorten, doch maximaal tot een periode van 52 weken.

(...)

3. De feiten

3.1. Op 13 en 14 september 1998 was er in Zuid-West Nederland extreem zware regenval (hierna: de regenval), als gevolg waarvan eisers schade hebben geleden.

3.2. Bij brief van 17 december 1998 heeft de teammanager van Laser (de Dienst Landelijke service bij regelingen van het toenmalige Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij) voor de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de staatssecretaris) aan de Firma [A] (hierna: de Firma) het volgende bericht:

'(...)

In deze brief zijn gegevens verwerkt die geleid hebben tot een berekening van het VOORSCHOT. Op een later tijdstip krijgt U bericht over de definitieve tegemoetkoming.

(...)

De getaxeerde schade aan de bedrijfsinventaris en/of machines bedraagt: fl. 100000.00.

De getaxeerde teeltplanschade bedraagt: fl. 700000.00.

(...)

Van de getaxeerde schade wordt 65% vergoed met een eigen risico van maximaal fl. 10000.00.

Het eigen risico van deze aanvraag bedraagt: fl. 10000.00.

U heeft recht op een bedrag van f 790000.00.

(...)'

3.3. Bij brief van 5 februari 1999 heeft [B] van Mart-Goed B.V. namens de Firma aan Laser gevraagd een aanvullend voorschotbedrag over te maken op de rekening van de Firma in verband met het bijbouwen van een kas, een bouw die op de planning stond vóór de regenval.

3.4. Bij brief van 11 augustus 1999 heeft de staatssecretaris aan de Firma het volgende bericht:

'(...)

In deze brief zijn gegevens verwerkt van de DEFINITIEVE TAXATIE, die geleid hebben tot een herberekening van de tegemoetkoming.

(...)

De getaxeerde schade aan de bedrijfsinventaris en/of machines bedraagt: 18065.00.

De getaxeerde teeltplanschade bedraagt: fl. 1121801.00.

De getaxeerde bereddingskosten bedragen: fl. 840.00.

De getaxeerde opruimingskosten bedragen: fl. 4533.00.

De tegemoetkoming wordt berekend op basis van de totaal getaxeerde schade en kosten. Het totaal bedrag aan schade en kosten voor deze aanvraag bedraagt: fl. 1145239.00.

Van de getaxeerde schade wordt 65% vergoed met een eigen risico van maximaal fl. 10000.00.

Aan U is reeds eerder een bedrag uitbetaald of betaalbaar gesteld, namelijk: fl. 790000.00.

(...)

Het totaal reeds benut eigen risico van Uw voorgaande goedgekeurde schade-aanvragen bedraagt: fl. 10000.00.

U heeft recht op een bedrag van f 345239.00. (...)

(...)

Indien U het met de taxatiebedragen niet eens bent, kunt U LASER schriftelijk binnen 14 dagen na verzending van deze brief om een hertaxatie vragen.(...)'

3.5. Tegen de beslissing van 11 augustus 1999 heeft de Firma bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft de Firma op 24 augustus 1999 een verzoek om hertaxatie gedaan.

3.6. Bij brief van 11 november 1999 heeft drs. W.G. Zandvliet (hierna: Zandvliet), werkzaam bij BDO Walgemoed CampsObers, Belastingadviseurs (hierna: BDO), aan Laser Regio Noordwest het volgende bericht:

'(...)

Naar aanleiding van uw telefoongesprek d.d. 11 november 1999, met de heer H. Verbeek van ons kantoor vragen wij u om het volgende.

In dit telefoongesprek is naar voren gekomen dat na een verzoek om hertaxatie, Laser altijd een nieuwe beschikking afgeeft. Ook in het geval de hertaxatie, voor Firma [A], negatief uitvalt. Dit heeft onder meer tot gevolg dat het huidige bezwaarschrift kan worden ingetrokken en dat er eventueel na het vaststellen van de waterschade, na de hertaxatie, een nieuwe bezwaarschriftprocedure kan worden gevolgd.

(...)'

3.7. Bij brief van 29 maart 2000 heeft de teammanager van Laser aan de Firma bericht dat uit de hertaxatie is gebleken dat het bedrag dat aan de Firma als tegemoetkoming voor de geleden schade en de gemaakte kosten is betaald te hoog is en dat wordt overwogen een bedrag van NLG 951.979,- terug te vorderen.

3.8. Namens de Firma heeft Zandvliet van BDO bij brief van 6 april 2000 aan Laser gevraagd om een uitgewerkte en gedetailleerde motivering van het voornemen, met name om informatie over de wijze waarop welke schade tot welke hoogte is vastgesteld.

3.9. Bij brief van 2 mei 2000 heeft mr. M.J. Smaling van DAS Rechtsbijstand, als medegemachtigde van de Firma, gereageerd op het voornemen van Laser. Zandvliet van BDO heeft bij brief van 3 mei 2000 gereageerd op het voornemen van Laser, waarbij op de afzonderlijke schadesoorten is ingegaan.

3.10. De staatssecretaris heeft de Firma bij brief van 26 juli 2000 het volgende bericht:

'(...) Uw brief [ontvangen op 4 mei 2000, toevoeging rechtbank] heb ik voorgelegd aan de onafhankelijke schade-expert. Bijgevoegd vindt u zijn reactie. Hieruit is gebleken dat er een wijziging heeft plaatsgevonden in de getaxeerde schade, welke is meegenomen in deze beslissing.

Uit Uw reactie blijkt echter niet dat het bedrag aan voorschot terecht is verleend of dat er omstandigheden zijn om niet terug te vorderen.

De regeling biedt mij geen mogelijkheden om van de gestelde voorwaarden af te wijken en de aanvraag in zijn geheel goed te keuren.

(...)

De getaxeerde schade aan bedrijfsinventaris en/of machines bedraagt: fl. 42.342,00.

De getaxeerde teeltplanschade bedraagt: fl. 152.974,00.

De getaxeerde bereddingskosten bedragen: fl. 1.420,00.

De getaxeerde opruimingskosten bedragen: fl. 14,00.

(...)

Het totaal bedrag aan schade en kosten voor deze aanvraag bedraagt exclusief eventuele evacuatiekosten: fl. 196.750,00.

Van de getaxeerde schade wordt 65% vergoed met een eigen risico van maximaal

f 10.000,-. Het eigen risico van deze aanvraag bedraagt: fl. 10.000,00.

U heeft recht op een bedrag van fl. 186.750,00.

Aan U is reeds eerder een bedrag uitbetaald of betaalbaar gesteld, namelijk: fl. 1.145.239,00. (...)

Derhalve vorder ik van de reeds uitbetaalde tegemoetkoming een bedrag van fl. 948.489,00 terug. Hiermee komt mijn brief van 11 augustus 1999 (...) te vervallen.

(...)'

3.11. Bij brief van 4 september 2000 heeft "[A](1)" bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 juli 2000.

3.12. Het rapport met bijlagen van drs. A.M. Vreugdenhil RA van BDO Accountants aan [eiser 1] van 24 februari 2003 luidt als volgt:

'(...)

Ingevolge uw opdracht hebben wij de in dit rapport opgenomen berekening van de schade als gevolg van wateroverlast na de hevige regenval van 12, 13 en 14 september 1998, evenals de toelichting daarop, van Firma [A] samengesteld en beoordeeld.

(...)

4. Uitkomsten verrichte werkzaamheden

Op grond van ons onderzoek van de berekening van de waterschade en de gegevens waarop de uitgangspunten en schattingen zijn gebaseerd is ons niets gebleken op grond waarvan wij zouden moeten concluderen dat de berekening van de waterschade ad HFL 2.538.325 (€ 1.151.842) en de daarbij behorende uitgangspunten en schattingen geen redelijke basis vormen voor het uiteindelijke schadebedrag.

(...)'

3.13. Bij besluit van 7 november 2003 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) de bezwaren van [eiser 2] tegen het besluit van 26 juli 2000 gedeeltelijk gegrond verklaard, de tegemoetkoming bepaald op een bedrag van fl. 542.236,- en een bedrag van fl. 593.003,- teruggevorderd.

3.14. Tegen de beslissing op bezwaar van 7 november 2003 heeft [eiser 2] bij brief van 15 december 2003 beroep ingesteld. In beroep heeft [eiser 2], samengevat en voor zover nu nog relevant, het volgende aangevoerd. Aangezien hij ook nu nog negatieve gevolgen ondervindt van de regenval, dient de minister uit te gaan van de op grond van de WTS maximaal mogelijke schadetermijn van 52 weken in plaats van een schadetermijn van 34 weken. Volgens [eiser 2] is een afspraak met Laser gemaakt over het berekenen van de schade, in die zin dat BDO een schadeberekening zou maken en GAB Robbins daarop commentaar zou leveren, waarna de schade van [eiser 2] zou worden vastgesteld. Deze afspraak dient te worden nagekomen. De minister stelt ten onrechte dat er geen sprake is van reformatio in peius, omdat er een nieuwe beslissing in primo zou zijn genomen na de hertaxatie. Dit kan de minister in redelijkheid niet aan [eiser 2] tegenwerpen, omdat het bezwaar tegen de beslissing van 11 augustus 1999 onder druk van Laser door [eiser 2] is ingetrokken. [eiser 2] heeft voorts beroepsgronden ingediend over de berekening van de teeltplanschade, voor wat betreft Spathiphyllum, groeivertraging, Anthurium en de hogere koopprijs van halfwasproducten. Geen gronden zijn ingediend tegen de berekening van de omzetschade. Ten aanzien van de nieuw gebouwde kas stelt [eiser 2] dat hij geen bouwkosten in rekening wil brengen, maar dat het redelijk is indien aan hem een vergoeding wordt toegekend voor de periode dat de nieuwe kas geen extra productieruimte gaf omdat deze werd gebruikt voor de opruimwerkzaamheden als gevolg van de regenval. Als bereddingskosten zou een bedrag van € 1,- per m² aan [eiser 2] moeten worden uitgekeerd, terwijl hem bovendien niet met recht kan worden tegengeworpen dat hij geen formulieren kan overleggen over het aantal gewerkte uren. Dit kan van hem onder de gegeven omstandigheden in de periode van en na de regenval niet worden gevergd. [eiser 2] biedt aan een en ander te bewijzen door middel van getuigenverklaringen. Hetzelfde geldt ten aanzien van de opruimingskosten. Tot slot wil [eiser 2] gecompenseerd worden voor het verlies van de MPS A-status.

3.15. Bij besluit van 27 december 2004 heeft de minister het besluit van 7 november 2003 gewijzigd en de bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard. De minister heeft hiertoe het volgende overwogen:

'(...)

De onderhavige beslissing op bezwaar wijkt inhoudelijk op drie punten af van mijn beslissing van 7 november 2003, namelijk voor wat betreft de tegemoetkoming in de teeltplanschade, voor wat betreft de tegemoetkoming in de schade aan het gronddoek en voor wat betreft de huur van een vervangende heftruck in oktober 1998. De toelichting op deze wijzigingen kunt u lezen bij de desbetreffende onderdelen. (...)

Op basis van de gecorrigeerde berekening, zoals hiervoor en op de bijgevoegde eindtaxatie bescheiden is weergegeven, bedraagt uw teeltplanschade fl. 584.472,-, de tegemoetkoming inzake bedrijfsinventaris fl. 107.936-, de tegemoetkoming inzake bereddingskosten fl. 6.595,- en de tegemoetkoming inzake opruimingskosten fl. 14.883,-. (...)

Het totaal aan getaxeerde schade en kosten dat voor een tegemoetkoming in aanmerking komt bedraagt fl. 713.886,-. Conform artikel 13 van de regeling bedraagt het ingehouden eigen risico fl. 10.000,-. Het totale bedrag van de tegemoetkoming bedraagt dan fl. 703.886,-.

(...)

Aan u was reeds een totaalbedrag betaalbaar gesteld van fl. 1.135.239,-. Tot op heden heeft u dit bedrag renteloos onder u gehouden.

De door LASER ingestelde terugvordering d.d. 26 juli 1999 van fl. 948.489,- komt hiermee te vervallen.

Van u wordt thans nog teruggevorderd een bedrag van fl. 431.353,- zijnde € 195.739,-.

3.16. Het tegen de beslissing op bezwaar van 7 november 2003 ingestelde beroep, dat mede wordt geacht te zijn gericht tegen het besluit van 27 december 2004, is door deze rechtbank, sector bestuursrecht, bij uitspraak van 18 maart 2005 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe het volgende overwogen, waarbij met 'eiser' [eiser 2] en met 'verweerder' de minister wordt aangeduid:

'(...)

De rechtbank stelt vast dat het besluit van 11 augustus 1999 is ingetrokken omdat de werkelijke schade bij de door eiser zelf gevraagde hertaxatie lager is gebleken. Het wettelijk stelsel voorziet in de mogelijkheid dat de schade, al dan niet door middel van een hertaxatie, lager wordt gewaardeerd.

Mede gelet op de inlichtingenplicht van eiser leidt dit tot de conclusie dat de bevoegdheid tot intrekking als bedoeld in artikel 10 onder a van de WTS mocht worden gebruikt. Eisers stelling dat van een verboden reformatio in peius sprake is, gaat niet op.

(...)

De rechtbank acht deze stelling [te weten dat verweerder zich bij de vaststelling van de schade ten onrechte en in strijd met eerder gemaakte afspraken niet heeft gebaseerd op het in opdracht van eiser door BDO opgestelde rapport van 7 juni 1999, toevoeging rechtbank] niet houdbaar nu het, gezien artikel 5, eerste lid, van de WTS, tot de taak van verweerder behoort om de schade vast te stellen en neer te leggen in een schaderapport. Alleen al daarom is het niet mogelijk met partijen afspraken over de schadevaststelling te maken. Het is de rechtbank niet gebleken dat dergelijke afspraken zijn gemaakt. Dit lijkt ook niet aannemelijk nu het rapport van BDO een andere systematiek heeft en niet uitgaat van het in de wet vastgelegde vergoedingenkader.

(...)

Teeltplanschade

(...)

Bij het bepalen van de factoren [van de in de 'Beleidsregels voor de toekenning van teeltplanschade op grond van de Regeling tegemoetkoming schade bij extreem zware regenval 1998' van 29 oktober 1998, Staatscourant 30 oktober 1998, nr. 208, bepaalde formule A x B x C - D, toevoeging rechtbank] is verweerder, zoals onweersproken is gesteld, uitgegaan van de door eiser zelf aangeleverde gegevens, te weten de aan- en verkoopcijfers, de gemiddelde teeltduur per gewas en het aantal planten per vierkante meter. Niet gebleken is dat hierbij van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Ten aanzien van de gemiddelde teeltduur stelt de rechtbank vast dat verweerder in het herziene besluit van 27 december 2004 alsnog is uitgegaan van de opgave van eiser zoals verwoord in diens brief van 6 mei 2004. Deze aanpassing, die mede consequenties heeft gehad voor het bepalen van de beginvoorraden, heeft geleid tot een hogere tegemoetkoming in de teeltplanschade zodat verweerder in zoverre aan het beroep is tegemoetgekomen. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank voor de normaaluitval in redelijkheid kunnen baseren op de toepasselijke KWIN-normen. Dat de kosten van halfwas anthurium niet zijn vergoed acht de rechtbank niet onredelijk. Verweerder heeft terecht gesteld dat het hier om niet vergoedbare bedrijfsschade gaat. Het beroep op deze onderdelen treft dan ook geen doel. De rechtbank stelt tenslotte vast dat verweerder in het bestreden besluit op het onderdeel van de geschatte besparing van 10% aan arbeid en teeltkosten aan het beroep is tegemoetgekomen door het bijbehorende bedrag van fl. 53.717,- niet meer in mindering te brengen op het bruto schadebedrag.

Activaschade

(...)

De geclaimde kosten die samenhangen met het niet doorgaan van de bouw van de extra kas heeft verweerder terecht buiten beschouwing gelaten nu de brief van Mart-Goed B.V. van 5 februari 1999 niet anders kan worden gelezen dan dat het plan voor de bouw van de kas reeds voor de regenval bestond.

(...)

Bereddings- en opruimingskosten

De rechtbank is van oordeel dat deze kosten, voor zover de gevraagde specificaties daarvan ontbreken, in redelijkheid niet zijn vergoed. Dat bewijsstukken van facturen worden verlangd is op zichzelf geen onredelijke eis. Daarnaast heeft verweerder ter zitting onweersproken gesteld dat tijdens de door hem georganiseerde voorlichtingsbijeenkomsten is benadrukt dat alle facturen van specificaties moeten zijn voorzien, bij gebreke waarvan niet tot vergoeding wordt overgegaan. De overige kosten die eiser ter zake heeft geclaimd zijn alsnog door verweerder vergoed (kosten van de vervangende heftruck gedurende de maand oktober 1998 alsmede de huurkosten van de pomp bij Van Etten) zodat op die onderdelen aan het beroep is tegemoetgekomen.

Overige kosten

Aangezien de overige kosten die door eiser zijn geclaimd niet passen binnen het vergoedingenkader van de wettelijke regeling zijn deze kosten terecht buiten beschouwing gelaten.

(...)'

3.17. Bij brief van 21 april 2005 heeft mr. J.C.A. Stevens, de toenmalige advocaat van [eiser 2], hoger beroep op nader aan te voeren gronden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) tegen de uitspraak van deze rechtbank van 18 maart 2005.

3.18. De Afdeling heeft [eiser 2] in de gelegenheid gesteld de gronden van het hoger beroep alsnog in te dienen. De hiertoe gestelde termijn is door de Afdeling laatstelijk verlengd tot en met 18 augustus 2005.

3.19. Tussen 21 april 2005 en 18 augustus 2005 is [eiser 2] van advocaat gewisseld en is [gedaagde] als zijn advocaat gaan optreden. De door [gedaagde] gefaxte gronden van het hoger beroep zijn door de Afdeling op 19 augustus 2005 kort na middernacht ontvangen, dus buiten de gestelde termijn. In het appelschrift heeft [gedaagde] namens [eiser 2] en [eiser 1] de Afdeling verzocht om, samengevat:

- de uitspraak van deze rechtbank, sector bestuursrecht, van 18 maart 2005 en zo nodig de besluiten van de minister van 7 november 2003 en 27 december 2004 te vernietigen;

- de minister te veroordelen tot het vergoeden van alle mogelijke kosten, waaronder advocaatkosten en BDO-kosten, op basis van een nader in te dienen kostenbegroting;

- primair: de door appellanten geleden schade ten gevolge van de regenval vast te stellen op Fl. 2.538.325,-, althans een nader aan te geven bedrag op grond van een ander in te dienen rapport van BDO;

subsidiair: een of meer deskundigen te benoemen om de door appellanten geleden schade ten gevolge van de gebeurtenis vast te stellen;

meer subsidiair: verweerder opdracht te geven om de door appellanten geleden schade ten gevolge van de gebeurtenis opnieuw vast te stellen.

3.20. [gedaagde] heeft namens [eiser 2] en [eiser 1] in hoger beroep twee grieven aangevoerd:

'(...)

Grief 1

Ten onrechte heeft verweerder bij besluiten d.d. november 2003 en 27 december 2004 de schade bij appellanten vastgesteld op respectievelijk Fl. 542.236,- en Fl. 703.000,- op basis waarvan de rechtbank in haar uitspraak d.d. 18 maart 2005, waarvan appèl, het beroep ongegrond heeft verklaard en derhalve de schadevaststelling door verweerder d.d. 27 december 2004 op een bedrag van Fl. 703.886,- heeft bevestigd.

(...)

Grief 2 Strijd met beginselen van behoorlijk bestuur

(...)'

3.21. Ter onderbouwing van de grieven heeft [gedaagde] namens [eiser 2] en [eiser 1] het volgende - samengevat - aangevoerd:

- Bij [eiser 2] en [eiser 1] bestaat twijfel over de deskundigheid en de zorgvuldigheid van de minister in deze kwestie. De verrichte taxaties zijn onvoldoende gemotiveerd en op onderdelen tegenstrijdig. Er is sprake van meer plantuitval dan waarmee de minister nu rekening heeft gehouden. Alleen al met betrekking tot het plantmateriaal bedraagt de schade ongeveer fl. 1.000.000,-.

- De minister lijkt bij het bepalen van de schade te zijn uitgegaan van de verkeerde Anthuriumkwaliteit en -variëteit. Hierdoor is uitgegaan van een te lage gemiddelde veilingprijs en is een te laag schadebedrag per vierkante meter vastgesteld.

- De minister is de afspraak om de schaderapportage van BDO als uitgangspunt te nemen niet nagekomen.

- Na voltooiing van de vervroegde bouw van de kas konden [eiser 2] en [eiser 1] de schade in de ten tijde van de regenval bestaande kassen herstellen. Een deel van de bouwkosten en de gebruikskosten komt daarom voor vergoeding in aanmerking.

- De schade aan de bedrijfsinventaris, de teeltplanschade, de bereddingskosten en de opruimingskosten zijn door de minister onjuist vastgesteld. De bereddingskosten bedragen veel meer dan de vastgestelde fl. 840,-. Er zijn waterpompen gehuurd en de kosten van extra personeel bedroegen fl. 143.325,-. Het tijdelijk parkeren van de planten in de nieuw gebouwde kas ging ten koste van de uitbreidingscapaciteit, terwijl het niet mogelijk was een geschikte ruimte te huren voor het tijdelijk parkeren van de planten. Er moet een reële huurprijs voor het gebruik van de kas in aanmerking worden genomen.

- Omdat het aanvankelijk toegekende voorschot onvoldoende was, is de privéwoning van [eiser 2] met hypotheek bezwaard en is voor fl. 100.000,- een beroep gedaan op de ledenrekening.

- De kosten van de in opdracht van [eiser 2] en [eiser 1] opgestelde rapporten dienen op grond van artikel 5 WTS voor rekening van de minister te blijven.

- Er is strijd met het rechtsbeginsel reformatio in peius, omdat [eiser 2] en [eiser 1] als gevolg van hun verzoek om hertaxatie in een (financieel) onvoordeliger positie zijn terecht gekomen. Er was geen situatie als bedoeld in artikel 10 WTS.

- In de besluiten van de minister en de uitspraak van de rechtbank is onvoldoende gemotiveerd waarom er sprake zou zijn van een situatie als bedoeld in artikel 10 WTS, waarom de minister herhaaldelijk tot andere schadetaxaties kwam en waarom steeds verschillende schadeposten werden meegenomen.

- De minister heeft gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.

3.22. De Afdeling heeft bij uitspraak van 2 december 2005 het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het hiertegen gedane verzet door [eiser 2] is door de Afdeling bij uitspraak van 31 mei 2006 ongegrond verklaard.

4. Het geschil

4.1. Eisers vorderen, samengevat:

I de verklaring voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de opdracht tot verlening van rechtsbijstand; meer in het bijzonder tot het instellen van hoger beroep bij de Afdeling tegen de uitspraak van deze rechtbank, sector bestuursrecht, van 18 maart 2005;

II de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat;

III de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 8.513,52 ter zake van door [gedaagde] gedeclareerd en door eisers betaald honorarium, vermeerderd met rente en kosten.

4.2. Eisers voeren daartoe - samengevat - het volgende aan. [gedaagde] heeft een beroepsfout gemaakt door niet tijdig de gronden van het hoger beroep in te dienen. Primair is het uitsluitend aan het toerekenbaar tekortschieten van [gedaagde] te wijten dat het ingestelde hoger beroep door de Afdeling niet gegrond is verklaard en dat de Afdeling niet heeft geoordeeld dat de door eisers geleden schade als gevolg van de regenval ruim fl. 2.200.000,- bedraagt. Subsidiair dient aan [gedaagde] toegerekend te worden dat hun de goede kans is ontnomen op een succesvolle procedure bij de Afdeling. Reeds het ontnemen van de goede kans om met succes de door hen gestelde schade vergoed te krijgen leidt tot schade. De schade bestaat niet alleen hierin dat de beschikking houdende de lagere toekenning van schadeloosstelling in stand is gebleven, maar ook hierin dat ten onrechte de aanvankelijke beschikking is ingetrokken én dat de Afdeling niet een uitspraak heeft gedaan over de door eisers gemotiveerd verdedigde hogere vergoeding. Tot slot stellen eisers dat geen finale kwijting is verleend ten aanzien van de eindafrekening met [gedaagde].

4.3. [gedaagde] erkent de beroepsfout, maar betwist dat deze tot schade bij eisers heeft geleid. Hij stelt dat ook bij tijdige indiening van de gronden van het hoger beroep:

a) het hoger beroep door de Afdeling ongegrond zou zijn verklaard; althans

b) de gevolgen van het bestreden besluit bij eventuele vernietiging van de aangevallen uitspraak door de Afdeling in stand zouden zijn gelaten; althans

c) inhoudelijk niet een voor eisers gunstiger besluit zou zijn genomen door de minister bij vernietiging van zowel de aangevallen uitspraak als het bestreden besluit.

5. De beoordeling

5.1. Partijen zijn ter comparitie van 1 september 2009 overeengekomen dat de zaak wordt voortgezet op naam van [eiser 2] en dat eventuele schade van [eiser 1] aan hem wordt toegerekend. De rechtbank zal partijen hierin volgen. De rechtbank acht daarnaast aannemelijk dat met de Firma bedoeld is [eiser 1] en zal bij de beoordeling dan ook daarvan uitgaan.

5.2. [gedaagde] erkent dat hij een beroepsfout heeft begaan door niet tijdig de gronden van het hoger beroep in te dienen bij de Afdeling, zodat zijn aansprakelijkheid in zoverre vaststaat en vordering I in beginsel toewijsbaar is. Het geschil betreft dan in de kern de vraag of, en zo ja in hoeverre, [eiser 2] schade heeft geleden als gevolg van het niet tijdig indienen van de gronden van het hoger beroep tegen de uitspraak van deze rechtbank van 18 maart 2005. [eiser 2] wenst de schade als gevolg van de beroepsfout van [gedaagde] in een schadestaatprocedure begroot te zien.

5.3. Voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat (vordering II) is - voor wat het element schade betreft - voldoende dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is (vgl. HR 20 oktober 1995, NJ 1996, 235). Derhalve moet worden beoordeeld of het hoger beroep, als de gronden daarvan tijdig zouden zijn ingediend, een redelijke kans van slagen zou hebben gehad, in die zin dat na vernietiging van de uitspraak van 18 maart 2005 het beroep tegen de besluiten van de minister van 7 november 2003 en 27 december 2004 gegrond zou zijn verklaard en de tegemoetkoming in de schade als gevolg van de regenval zou zijn bepaald op een hoger bedrag dan fl. 703.886,-. Hierover overweegt de rechtbank, uitgaande van de door [eiser 2] bij de Afdeling ingediende gronden van het hoger beroep, het volgende.

5.4. Voorop staat dat de wettelijke regeling niet uitgaat van volledige schadevergoeding, maar van een tegemoetkoming in de categorieën van schade die de WTS noemt. Voor zover [eiser 2] in hoger beroep heeft gesteld dat ten onrechte niet alle door hem geleden schade is vergoed, zou dit niet tot gegrondverklaring van het hoger beroep hebben geleid.

5.5. De rechtbank volgt [eiser 2] niet in zijn stelling dat de minister niet bevoegd was het besluit van 11 augustus 1999 in te trekken en de tegemoetkoming in de schade te wijzigen. Ingevolge artikel 10 WTS heeft de minister de bevoegdheid om de tegemoetkoming na een hertaxatie op een lager bedrag vast te stellen dan aanvankelijk was toegekend. De mogelijkheid om de tegemoetkoming in de schade te wijzigen in voor de gedupeerde negatieve zin past ook in het systeem van de wet, op grond waarvan kort na de schadeveroorzakende gebeurtenis aan de gedupeerde een voorschot wordt toegekend, dat later - na grondiger onderzoek - in voorkomende gevallen kan worden gecorrigeerd. Nu de minister door de hertaxatie beschikte over andere gegevens dan bij de aanvankelijke schadevaststelling en de minister voorts van oordeel was dat de tegemoetkoming in de schade als gevolg hiervan op een lager bedrag moest worden vastgesteld, was hij op grond van artikel 10, aanhef en onder a, WTS bevoegd de beschikking van 11 augustus 1999 in te trekken en de tegemoetkoming op een lager bedrag vast te stellen bij besluit van 26 juli 2000. Gelet hierop is de verlaging als zodanig niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.

5.6. Anders dan [eiser 2] in hoger beroep heeft gesteld is er naar het oordeel van de rechtbank, gelet op hetgeen onder 5.5 is overwogen, evenmin sprake van reformatio in peius, laat staan van een onaanvaardbare vorm daarvan. Dat [eiser 2] het tegen de beslissing van 11 augustus 1999 ingediende bezwaar op advies van Laser zou hebben ingetrokken - wat van deze stelling van [eiser 2] ook zij - mist in dit verband relevantie. In de na 26 juli 2000 op bezwaar genomen besluiten heeft de minister de tegemoetkoming in de schade en kosten steeds verhoogd, zodat ook ten aanzien van die besluiten geen sprake is van reformatio in peius.

5.7. [eiser 2] heeft in hoger beroep zijn stelling dat met de minister is afgesproken dat de omvang van de tegemoetkoming in de schade zou worden gebaseerd op het in opdracht van [eiser 2] door BDO opgestelde rapport, onvoldoende onderbouwd. Het is overigens ook niet aannemelijk dat een dergelijke afspraak zou zijn gemaakt, nu artikel 5 lid 1 WTS geen ruimte laat voor het maken van een afwijkende afspraak over de vaststelling van de tegemoetkoming in de schade en de kosten en het rapport van BDO bovendien de systematiek van de wet niet volgt.

5.8. Voor zover [eiser 2] in hoger beroep heeft gesteld dat het rapport van BDO tegenbewijs levert tegen de bevindingen van de door de minister ingeschakelde schade-expert, overweegt de rechtbank als volgt. Voor het met vrucht leveren van tegenbewijs moet aan een als contra-expertise ingebracht rapport als eis worden gesteld dat de door de gedupeerde ingeschakelde deskundige de wettelijke methode voor het berekenen van de tegemoetkoming in de schade en de kosten toepast. Nu BDO een afwijkende methode van schadeberekening heeft toegepast, kan dit rapport geen afbreuk doen aan de door de staatssecretaris en de minister gebruikte rapportages.

5.9. Anders dan [eiser 2] stelt, kan uit artikel 5 WTS niet een recht op vergoeding van de door [eiser 2] gemaakte kosten voor het rapport van BDO worden afgeleid. Op grond van genoemde bepaling komen de kosten van de door de minister aangewezen schade-expert voor rekening van het Rijk, niet de kosten van een door de gedupeerde ingeschakelde deskundige. Dit geldt temeer nu het rapport van BDO, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet kan afdoen aan de vaststelling van de tegemoetkoming door de minister.

5.10. [eiser 2] heeft in hoger beroep voorts gronden aangevoerd tegen de vaststelling van de teeltplanschade. Hij heeft echter geen gronden aangevoerd tegen het oordeel van deze rechtbank in de gewraakte uitspraak dat de minister bij het bepalen van de factoren van de formule A x B x C - D is uitgegaan van de door [eiser 2] zelf geleverde gegevens, te weten de aan- en verkoopcijfers, de gemiddelde teeltduur per gewas en het aantal planten per vierkante meter, en dat niet is gebleken dat hierbij van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Onder die omstandigheid kan hetgeen [eiser 2] in hoger beroep heeft gesteld over de vaststelling van de teeltplanschade niet afdoen aan de uitspraak van 18 maart 2005.

5.11. De door [eiser 2] gestelde bereddingskosten en opruimingskosten zijn slechts gedeeltelijk vergoed, namelijk voor zover hij facturen van deze kosten heeft overgelegd. Het door de minister gevoerde beleid, dat inhoudt dat deze kosten slechts worden vergoed na overlegging van facturen, is niet onaanvaardbaar. Nu het bij de tegemoetkoming in de schade bij de regenval - mogelijk - gaat om veel verzoeken, mag de minister omwille van de werkbaarheid van de gedupeerden verlangen dat zij hun schade door middel van facturen bewijzen. [eiser 2] heeft geen omstandigheden gesteld op grond waarvan de minister in zijn geval had moeten afwijken van het gevoerde beleid en hem in de gelegenheid had moeten stellen om de bereddingskosten op een andere wijze, bijvoorbeeld door het horen van getuigen, te bewijzen.

5.12. Nu de plannen voor de bouw van de extra kas gelet op de brief van Mart-Goed B.V. van 5 februari 1999 al vóór de regenval bestonden, heeft de rechtbank op goede gronden overwogen dat de kosten van de bouw van de kas niet voor vergoeding in aanmerking komen. Deze kosten zijn immers niet gemaakt als gevolg van de regenval.

De gebruikskosten van de kas komen evenmin voor vergoeding in aanmerking, nu [eiser 2] heeft verklaard dat de bouw van de kas aanvankelijk voor een later moment was gepland. Er is dus geen sprake van het niet of niet tijdig kunnen uitvoeren van de voorgenomen teelt van gewassen als bedoeld in artikel 4 lid 1 onder e WTS, aangezien er nog geen teelt van gewassen in de kas was voorgenomen in de periode na de regenval.

5.13. [eiser 2] heeft in het hoger beroep verder gesteld dat hij zijn privéwoning heeft moeten bezwaren met hypotheek en dat hij voor fl. 100.000,- een beroep heeft gedaan op de ledenrekening, omdat het aanvankelijk door de minister toegekende voorschot te laag was. Daargelaten de vraag of het voorschot te laag was vastgesteld, overweegt de rechtbank dat dit geen categorie van schade betreft die recht geeft op een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 4 WTS.

5.14. Gelet op het voorgaande zou het hoger beroep, als de gronden daarvan tijdig zouden zijn ingediend, geen redelijke kans van slagen hebben gehad.

5.15. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de mogelijkheid van schade bij [eiser 2] als gevolg van de beroepsfout van [gedaagde] niet aannemelijk. Daarom zal de gevorderde veroordeling van [gedaagde] tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat, (vordering II) worden afgewezen.

5.16. De vordering om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van het door hem gedeclareerde en door [eiser 2] betaalde honorarium (vordering III) zal eveneens worden afgewezen. Het gedeclareerde honorarium betreft geen schade die [eiser 2] heeft geleden als gevolg van de beroepsfout van [gedaagde]. Indien [gedaagde] geen beroepsfout zou hebben gemaakt, moest [eiser 2] immers ook het honorarium aan [gedaagde] betalen.

5.17. Onder deze omstandigheden heeft [eiser 2] geen belang bij de gevorderde verklaring voor recht (vordering I). Een zodanig (ander) belang is in elk geval niet gesteld noch gebleken. Deze vordering zal dus ook worden afgewezen.

5.18. [eiser 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [gedaagde] tot dusverre begroot op € 1.207,-, waarvan € 303,- aan griffierecht en € 904,- aan salaris advocaat (twee punten à € 452,-, volgens tarief II)

6. De beslissing

De rechtbank:

6.1. wijst de vorderingen af;

6.2. veroordeelt [eiser 2] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.207,-;

6.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. H.F.M. Hofhuis, G.P. Kleijn en J.L. Verbeek en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2010.

(1) Blijkens de onweersproken gebleven verklaring van [eiser 2] tijdens de comparitie, is hiermee gedoeld op hem, [eiser 2]. De rechtbank zal in het vervolg telkens waar in de stukken sprake is van "[A]" lezen: [eiser 2]. In het proces-verbaal van de comparitie van 1 september 2009 is per abuis in plaats van "[A]" "[C]" vermeld. De rechtbank zal hiervoor ook [eiser 2] lezen.