Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL0896

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-01-2010
Datum publicatie
11-02-2010
Zaaknummer
09/900780-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd. Verdachte heeft samen met anderen [A] en [B], vanuit de auto van laatstgenoemde, op de openbare weg van hun vrijheid beroofd en van hun vrijheid beroofd gehouden. De slachtoffers is hierbij, naast lichamelijk letsel en pijn, doodsangst aangejaagd. Zij zijn met grof geweld uit hun auto gehaald, met vuurwapens bedreigd, geslagen met een hamer en geboeid in de kofferbak van een andere auto gegooid. Op één van de slachtoffers is zelfs gericht geschoten. De beide slachtoffers hebben gedacht dat hun laatste uur geslagen had. De rechtbank acht de kans dat er ook daadwerkelijk doden zouden zijn gevallen, als de politie niet zou hebben ingegrepen, reëel aanwezig. Gevangenisstraf voor de duur van vier jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/900780/08

Datum uitspraak: 26 januari 2010

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Frankrijk) op [geboortedatum] 1984,

adres: [adres]

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Zuid West – HvB De Torentijd

te Middelburg.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 28 januari 2009, 16 april 2009, 2 juli 2009, 17 augustus 2009, 16 oktober 2009 en 12 januari 2010.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. T.N.M. Kamps en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. I.N. Weski, advocaat te Rotterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de nacht van 23 oktober 2008 op 24 oktober 2008 te

's-Gravenhage en/of te Naaldwijk (gemeente Westland), tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk meer personen, althans

een persoon, genaamd [A] en[B], wederrechtelijk van de

vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, al dan niet met het

oogmerk (een) ander(en), te weten genoemde [A] en/of genoemde [B], te

dwingen iets te doen of niet te doen, immers heeft/is hij, verdachte tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- met (bivak)mutsen, althans op (bivak)mutsen gelijkende hoofddeksels, op het

hoofd en/of met een of meer (vuur)wapens in de hand, in de richting van de

auto waarin genoemde [A] en/of genoemde [B] zich bevonden, gerend;

en/of (vervolgens)

- met een (vuur)wapen geschoten op de knie van die [B]; en/of

- die [B] geslagen en/of gestompt en/of geschopt; en/of

- die [A] en/of die [B] uit de auto getrokken; en/of

- die [B] met een (blok)hamer geslagen;

en/of- de handen van die [A] en/of van die [B] geboeid (met handboeien);

en/of

- die [A] en/of die [B] in (de achterbak of kofferbak van) een auto

(Mercedes) gegooid; en/of

- tegen die [A] gezegd: "hoer, je hebt drugs van mij gestolen en ik wil

mijn drugs terug"; en/of (vervolgens)

- twee, althans een of meer (vuur)wapens gericht op, althans getoond aan, die

[A] en/of die [B]; en/of

- met twee, althans een of meer (vuur)wapens een maal of meermalen geschoten;

- tegen die [A] gezegd dat hij naar Frankrijk zou rijden en haar daar zou

afmaken; en/of

- tegen die [B] en/of die [A] gezegd dat zij moesten liggen omdat er

anders geschoten zou worden;

art 282 Wetboek van Strafrecht

art 282a lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de nacht van 23 oktober 2008 op 24 oktober 2008 samen met anderen [A] en [B] heeft gegijzeld – impliciet subsidiair hen wederrechtelijk van hun vrijheid heeft beroofd – door hen met geweld en onder bedreiging van vuurwapens geboeid in de achterbak van een auto te gooien.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte het impliciet primair tenlastegelegde feit heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft – zoals verwoord in haar pleitnota – geconcludeerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde feit, omdat hij aan de uitvoering geen wezenlijke bijdrage heeft geleverd en er dus geen sprake is geweest van het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving. Onder verwijzing naar het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna ook: EHRM) in de zaak Salduz heeft de raadsvrouw bepleit dat de door verdachte afgelegde verklaringen bij de politie van het bewijs dienen te worden uitgesloten, omdat verdachte niet is gewezen op de mogelijkheid van bijstand van een advocaat voorafgaand aan de verhoren.

Voorts heeft de raadsvrouw het verweer gevoerd dat de niet door verdachte ondertekende verklaringen vanwege het ontbreken van een verstaanbare tolk en de later ter zitting herroepen verklaring niet anders dan in strijd met artikel 6 EVRM kunnen worden gebruikt voor het bewijs.

3.3 Bewijsuitsluiting

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting onder verwijzing naar het arrest van het EHRM in de zaak Salduz bepleit dat de door de verdachte tegenover de politie afgelegde verklaringen van het bewijs dienen te worden uitgesloten, omdat verdachte niet is gewezen op de mogelijkheid van bijstand van een advocaat voorafgaand aan de verhoren. De rechtbank overweegt hierover het navolgende. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 juni 2009 (LJN: BH3079) als uitgangspunt geformuleerd dat een door de politie aangehouden verdachte aan artikel 6 EVRM een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit, een advocaat te raadplegen. Behoudens in het geval dat hij uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend, doch in elk geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen als door het EHRM bedoeld, zal hem binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid moeten worden geboden dat recht te verwezenlijken. De verdachte dient dan ook, voorafgaande aan zijn eerste verhoor, gewezen te worden op dit recht. Niet-naleving van deze regels zal, in geval van een verweer terzake, moeten leiden tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen en van het bewijsmateriaal dat is verkregen als rechtstreeks gevolg daarvan.

In de onderhavige zaak stelt de rechtbank vast dat is verzuimd verdachte voorafgaand aan het eerste verhoor in de gelegenheid te stellen een advocaat te raadplegen. De rechtbank zal daarom de door verdachte op 25 oktober 2008 om 13:30 uur1 afgelegde verklaring niet gebruiken voor het bewijs.

Gebleken is dat verdachte ten tijde van zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 27 oktober 2008 om 13:06 uur inmiddels door zijn toenmalige raadsvrouw was bezocht.2 Niet is gebleken dat verdachte na raadpleging van zijn raadsvrouw op zijn eerdere verklaringen is teruggekomen. Ook tijdens de behandeling ter terechtzitting heeft verdachte zijn proceshouding niet gewijzigd. De rechtbank ziet aldus geen reden om die verklaringen die de verdachte heeft afgelegd nadat hij een advocaat heeft kunnen raadplegen en nadat hem de cautie is gegeven ook van het bewijs uit te sluiten. De rechtbank zal, waar nodig, deze latere verhoren dan ook voor het bewijs gebruiken.

Voor zover de raadsvrouwe naar voren heeft gebracht dat de verklaringen bij de politie afgelegd door verdachte niet zijn ondertekend omdat hij geen verstaanbare tolk ter beschikking heeft gehad, wijst de rechtbank erop dat van dat laatste uit de op ambtseed door verbalisanten opgemaakte processen–verbaal van de verhoren niet is gebleken. Bovendien verklaart verdachte tijdens zijn verhoor op 30 oktober 2008 niet wezenlijk anders dan drie dagen eerder bij de rechter-commissaris. De raadsvrouwe heeft haar stelling dat verdachte ook ten tijde van de voorgeleiding bij de rechter-commissaris niet overeenkomstig een vrije wil kon worden gehoord niet nader onderbouwd. Voor wat betreft de verstaanbaarheid van de tolk bij de voorgeleiding bij de rechter-commissaris merkt de rechtbank nog op dat uit het proces-verbaal van dat verhoor daarvan niets is gebleken. Bovendien is ter zitting van 12 januari 2010 gebruik gemaakt van dezelfde tolk, en niet is gebleken dat verdachte en de tolk elkaar niet goed zouden hebben begrepen.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank leidt uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende af.3

In de nacht van 23 op 24 oktober 2008 kwam er omstreeks 0.50 uur bij de politie Haaglanden een melding binnen van een vechtpartij op de [adres] te ‘s-Gravenhage. Daarbij zou geschoten worden en er zou een vrouw op de grond liggen die in de achterbak van een voertuig zou worden getrokken. Het zou om een donkere Mercedes van het type ML gaan. Verbalisanten in een surveillanceauto zagen kort nadien op de kruising Loosduinse Uitleg met de [straat] te ’s-Gravenhage een donkere Mercedes met hoge snelheid op hen af rijden. Zij zetten de achtervolging in en gaven het kenteken [kenteken] aan de meldkamer door, waarna deze auto ook door andere surveillance eenheden werd gezien en achtervolgd.

Ondertussen had de politie op de [weg] te Naaldwijk een tankwagen dwars over de weg laten zetten om een blokkade te vormen. De Mercedes is in Naaldwijk aangekomen en achter de tankwagen langs gereden, waarna er door de politie schoten op het voertuig zijn gelost. Vervolgens is de Mercedes tegen de vangrail tot stilstand gekomen. Er zijn in het donker geklede personen uit de Mercedes gestapt en weggerend. De politie heeft waarschuwingschoten gelost. In de Mercedes werden een man en een vrouw aangetroffen. Zij hadden beiden handboeien om. De man was gewond aan zijn gezicht.4 In een tuin en in de rietkraag van een sloot in de omgeving werden twee in het donker geklede mannen aangehouden nadat zij waren weggerend voor de politie. Een ervan was [C].5

De andere was verdachte.6

De Mercedes bleek van Luxemburgse afkomst te zijn en was in 2007 in Nantes gestolen.

In de auto lagen Franse kentekenplaten met kenteken [kenteken].7 De op de Mercedes aangetroffen kentekenplaten met kenteken [kenteken] bleken tussen 23 oktober 2008 20.00 uur en 24 oktober 2008 9.00 uur in de [adres] in Rotterdam te zijn gestolen.8 In de Mercedes werden onder andere aangetroffen: twee vuurwapens (een [type] en een [type]), een bebloede vuisthamer (rechts achter), 3 paar handboeien alsmede 2 rollen tape.9

Op 25 oktober 2008 werd door een getuige bij de politie verklaard dat op 24 oktober 2008 rond 00:45 uur op de [straat] in ’s-Gravenhage twee auto’s achter elkaar stonden en dat er een stuk of vier mensen rond de voorste auto liepen. De achterste auto was een zwarte van het type SUV. De personen waren druk met een meisje. Het meisje was in paniek en gilde op een hysterische manier. Na ongeveer 6 minuten hoorde hij een schot en daarna was het meteen stil. De zwarte auto reed langs de voorste auto weg richting Loosduinse Hoofdstraat en sloeg de Lozerlaan op. De politie reed achter de zwarte auto aan die met hoge snelheid wegreed.10

Op 24 oktober 2008 werd op [straat] ter hoogte van de [adres] te 's-Gravenhage een grijze Renault [type] aangetroffen met kenteken [kenteken]. In de auto aan de bestuurderszijde werden meerdere bloedspetters aangetroffen. Tevens zat er bloed op de handgreep boven de bestuurdersstoel. Ook buiten de auto, op het wegdek, werden meerdere bloedsporen aangetroffen.11

De in de genoemde Mercedes aangetroffen vrouw was [A]. Zij heeft in de nacht van 24 oktober 2008 aangifte gedaan en verklaard dat zij op donderdagavond 23 oktober 2008 met [voornaam] (de rechtbank begrijpt: [B]) en [voornaam] (de rechtbank begrijpt: [verdachte], verdachte) had afgesproken in café de [café] in Rotterdam. Zij is daar met [B] in zijn Renault naar toe gereden. Verdachte kwam na hen aan en zat veel aan de telefoon. Een vriendin van [A], [D], kwam bij hen zitten. Na middernacht zijn ze met zijn vieren in de Renault van [B] weggegaan en hebben [D] naar huis gebracht aan de [straat] in Den Haag. Nadat ze vanaf de [straat] weer wegreden, stonden ze ineens stil. Achter de Renault stond een Mercedes. Zij zag een aantal mannen met bivakmutsen rennen, waarna ze door een dikker iemand met een bivakmuts uit de auto werd getrokken. Ze hoorde [B] schreeuwen en zag dat ook hij uit de auto werd getrokken. Ze zag dat een van de mannen een blokhamer bij zich had en dat [B] geslagen werd. Ze kreeg handboeien om en werd achterin de Mercedes gegooid. Zij heeft een aantal schoten gehoord. Ze heeft minimaal twee zwarte wapens en een hamer gezien. Op een gegeven moment werd ook [B], die zich heftig verzette, bij haar in de achterbak van de auto gegooid. Als ze opkeek, zag ze dat iemand een wapen op haar richtte. Toen ze allebei in de achterbak lagen zei verdachte dat hij naar Frankrijk zou rijden en dat hij haar daar af zou maken.12

De in de Mercedes aangetroffen man was [B]. Hij heeft in de nacht van 24 oktober 2008 aangifte gedaan en verklaard dat hij die avond met een vriendin genaamd [A] naar de [café] in Rotterdam is gegaan. Na een half uur kwam een bekende van hem, [verdachte], verdachte, erbij en die stelde voor om naar Den Haag te gaan.

Er reed een meisje mee dat hij kende uit de [café]. Ze zijn vanuit Rotterdam naar de woning van het meisje in ’s-Gravenhage gereden. Nadat ze het meisje hadden thuis gebracht zei verdachte dat hij moest plassen. Toen hij langs de kant stopte, werden alle deuren geopend door 4 of 5 personen. [A] werd uit de auto getrokken. De man die bij zijn portier stond richtte een wapen op zijn knie en maakte een schietbeweging. Hij hoorde het wapen klikken. Hij werd van alle kanten aangevallen en met een kleine moker op zijn hoofd, zijn knieën en de rest van zijn lichaam geslagen. Hij werd geschopt en gestompt door vijf personen. Hij werd geboeid en in de kofferbak gegooid van de auto die achter zijn auto stond. [A] lag ook in die kofferbak. Toen hij in de kofferbak lag, werd er plankgas gegeven. Er werd gezegd dat hij moest gaan liggen, omdat er anders geschoten zou worden. Het was een open kofferbak. Hij is tot drie keer toe over de achterbank heen in de richting van de bestuurder gesprongen. Hij heeft een ruk aan het stuur gegeven, waardoor de auto tegen een vangrail aan tot stilstand kwam.13

Verdachte heeft ter terechtzitting van 12 januari 2010 verklaard dat hij voorin als passagier in de Mercedes heeft gezeten. Voorts heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij op de [adres] te Den Haag uit de Renault [type] is gestapt. Vervolgens werden de portieren waar [B] en [A] zaten door mannen opengetrokken. Er ontstond vervolgens een worsteling tussen [B] en die mannen. Hierna werd [A] door één van de mannen uit de auto getrokken. Meerdere mannen waren met [B] bezig. Verdachte zag een pistool. Tenslotte werd [A] in de Mercedes gelegd.Verdachte is voorin de Mercedes gestapt. Wij wilden hen alleen bang maken. Zij hadden iets gestolen en wij wilden [B] en [A] laten zien dat zij dat niet hadden moeten doen.14

Ook bij de rechter-commissaris heeft verdachte verklaard dat hij de slachtoffers heeft meegenomen omdat hij hen, samen met de anderen, op een donkere plek angst wilde aanjagen. Verdachte heeft een vuurwapen gezien. Verdachte heeft gezien dat de slachtoffers werden geboeid. Verdachte zegt de anderen niet te kennen, alleen zijn vriend [C].15 Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat ook [E], die hij kende erbij was.

Bij de rechter-commissaris heeft verdachtes medeverdachte, [C], verklaard dat hij op 23 oktober 2008 met een bekende, genaamd [E], vanuit Nantes voor een paar dagen naar Amsterdam is gekomen. Ze hebben die avond in een restaurant in Amsterdam twee vrienden van [E] ontmoet. Op een gegeven moment zijn ze in de auto van die vrienden, een zwarte Mercedes SUV, naar Rotterdam gereden. In Rotterdam zochten ze naar café [café]. Ze zijn gestopt en [E] en één van de vrienden zijn uitgestapt. Toen ze terugkwamen had [E] een plastic zak bij zich. Ze zijn naar een donkere plek gereden.

In de plastic zak bleken Nederlandse kentekenplaten te zitten. [E] heeft [C] gevraagd de kentekenplaten om te wisselen. Op de vraag van [C] waarom dat moest, antwoordde [E] dat ze problemen hadden met mensen, dat ze het wilden regelen en dat die mensen als ze hen zouden zien met Franse kentekenplaten zouden vluchten. [C] heeft vervolgens de kentekenplaten gemonteerd. Toen werd [C] gevraagd om te gaan rijden. Hij moest vanaf Rotterdam een Renault [type] achtervolgen, maar niet te dicht op de auto gaan zitten. Dat duurde ongeveer 15 tot 20 minuten. Nadat de Renault mensen had afgezet, moest hij in een stille straat heel dicht op de Renault gaan rijden en seinen met de koplampen. De Renault is gestopt en hij ook. [E] en zijn vrienden zijn uitgestapt en hij is in de auto blijven zitten. Hij zag dat de mannen naar het bestuurdersportier van de Renault renden. [E] richtte een pistool op de bestuurder en er ontstond een vechtpartij. Eén van de vrienden hielp [E]. De andere vriend had een bivakmuts op en ook een pistool. Hij heeft een vrouw uit de auto getrokken, naar de Mercedes gesleurd en in de kofferbak van de Mercedes gegooid. Er werd geweld gebruikt tegen die vrouw en de bestuurder. Er werd geslagen en geschopt. Hij zag dat de bestuurder van de Renault was geboeid. Toen moest hij van [E] wegrijden. Verdachte was naast hem gaan zitten in de Mercedes. Kort daarna zag hij een politiewagen en [E] riep dat [C] moest doorrijden. Op een gegeven moment zag hij een blokkade. Hij moest doorrijden en de blokkade ontwijken. Op hetzelfde moment is de bestuurder van de Renault [type] plotseling voorin de auto opgedoken en heeft hij het stuur gegrepen. De auto is tegen de vangrail tot stilstand gekomen. [C], [E] en de vrienden zijn de auto uitgestapt en weggerend.16

De rechtbank is van oordeel dat het bovenstaande gekwalificeerd moet worden als een wederechtelijke vrijheidsberoving. Anders dan de officier van justitie, is zij van oordeel dat er van gijzeling geen sprake is, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat het de bedoeling was de slachtoffers iets af te dwingen, te dwingen iets te doen of te laten. In het dossier bevindt zich immers slechts één verklaring waaruit zou kunnen blijken dat de ontvoering mogelijk te maken had met een gestolen partij hasj.

Hoewel op grond van het bovenstaande is gebleken dat verdachte de gewelddadigheden niet zelf heeft gepleegd, is de rechtbank van oordeel dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving. Verdachte heeft mede uitvoering gegeven aan een kennelijk zorgvuldig voorbereid plan om de slachtoffers te ontvoeren.

Zo heeft hij de slachtoffers uitgenodigd om, volgens zijn zeggen, een en ander uit te praten en heeft hij met beide slachtoffers plaatsgenomen in de auto, merk Renault [type], eigendom van [B], het mannelijke slachtoffer. Verdachte heeft verklaard [A] te hebben meegenomen om haar, samen met anderen, angst aan te jagen op een donkere plek. Op het moment dat de Renault [type] stopte naar aanleiding van de lichtsignalen van de achterop komende donkere Mercedes bestormden mannen met vuurwapens en bivakmutsen de Renault [type]. Verdachte zag dat beide slachtoffers uit de auto werden getrokken en werden vastgebonden met tie-rips. Verder zag hij dat er een schot gelost werd. Van het toegepaste geweld heeft verdachte zich op geen enkel moment gedistantieerd. In plaats daarvan heeft verdachte tegen [A] gezegd dat hij naar Frankrijk zou rijden en dat hij haar daar af zou maken. Verdachte heeft vervolgens plaatsgenomen op de bijrijderplaats van de donkere Mercedes. Naar het oordeel van de rechtbank is in het geheel niet gebleken dat verdachte werd gedwongen om in de Mercedes plaats te nemen. Ook nadat de donkere Mercedes na een wilde achtervolging door de politie tot stilstand kwam, heeft verdachte zich niet overgegeven aan de politie maar is gevlucht om zich vervolgens in de rietkraag van een sloot te verschuilen.

Voor medeplegen is vereist dat meerdere daders bewust hebben samengewerkt aan een strafbaar feit en dat zij dit gezamenlijk hebben uitgevoerd. Voor de vereiste gezamenlijke uitvoering is echter niet nodig dat de medepleger aan alle delictshandelingen deelneemt. Ondersteunende handelingen kunnen ook medeplegen opleveren als de samenwerking maar nauw en volledig is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is in casu sprake geweest van een nauwe en volledige samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders. Verdachte heeft de slachtoffers en zijn mededaders bijeengebracht. Hij wist dat de ontvoering zou plaatsvinden. Zijn bijdrage aan het geheel is naar het oordeel van de rechtbank zodanig groot en wezenlijk dat gesproken moet worden van medeplegen.

Voor zover de raadsvrouwe met het door haar genoemde Meer en Vaart principe heeft bedoeld te bepleiten dat het dossier ruimte laat voor een andere lezing van de feiten, verwerpt de rechtbank dit verweer. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de lezing van de verdediging niet opgaat nu verdachte niet slechts toevallig aanwezig was, maar dat -zoals hiervoor ook weergegeven- hij daadwerkelijk een wezenlijk aandeel heeft gehad bij het strafbare feit.

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen dat:

hij in de nacht van 23 oktober 2008 op 24 oktober 2008 te 's-Gravenhage en/of te Naaldwijk (gemeente Westland), tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk personen, genaamd [A] en [B], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte tezamen en in vereniging met anderen

- met (bivak)mutsen op het hoofd in de richting van de auto waarin genoemde [A] en genoemde [B] zich bevonden, gerend;

en vervolgens

- met een (vuur)wapen geschoten op de knie van die [B]; en

- die [B] geslagen en gestompt en geschopt; en

- die [A] en die [B] uit de auto getrokken; en

- die [B] met een (blok)hamer geslagen; en

- de handen van die [A] en van die [B] geboeid (met handboeien); en

- die [A] en/of die [B] in (de achterbak of kofferbak van) een auto gegooid; en

en vervolgens

- twee vuurwapens gericht op, althans getoond aan, die [A] en die [B]; en

- tegen die [A] gezegd dat hij naar Frankrijk zou rijden en haar daar zou afmaken; en

- tegen die [B] en die [A] gezegd dat zij moesten liggen omdat er anders geschoten zou worden.

De raadsvrouw heeft ter zitting van 12 januari 2010 het voorwaardelijk verzoek gedaan om de aangevers/slachtoffers als getuigen te horen, indien de rechtbank hun verklaringen voor het bewijs zou bezigen.

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende noodzaak is om de aangevers als getuigen te horen en maakt voor het bewijs gebruik van de verklaringen van de aangevers.

De rechtbank acht de verklaringen van de aangevers betrouwbaar nu deze herhaaldelijk zijn gehoord en consistent verklaren. Bovendien worden de verklaringen ondersteund door de verklaringen van verdachte, zijn medeverdachte [C] en de getuigen [getuige 1]17, [getuige 2]18, [getuige 3]19 en [getuige 4]20.

4. De strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten en van de verdachte uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf/maatregel

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging verwijst in haar pleitnota naar diverse uitspraken en verzoekt de rechtbank hiermee bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden.

Ook verzoekt de verdediging - bij datum van de uitspraak - de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen nu verdachte al 15 maanden in voorlopige hechtenis zit, althans te schorsen onder door de rechtbank te bepalen voorwaarden. De raadsvrouw doet bovendien een beroep op artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering.

6.3 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie verzet zich, gelet op haar strafeis, tegen opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.

6.4. Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Voorts heeft de rechtbank gelet op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank merkt hierbij nog het volgende op.

Verdachte heeft samen met anderen [A] en [B], vanuit de auto van laatstgenoemde, op de openbare weg van hun vrijheid beroofd en van hun vrijheid beroofd gehouden. De slachtoffers is hierbij, naast lichamelijk letsel en pijn, doodsangst aangejaagd. Zij zijn met grof geweld uit hun auto gehaald, met vuurwapens bedreigd, geslagen met een hamer en geboeid in de kofferbak van een andere auto gegooid.

Op één van de slachtoffers is zelfs gericht geschoten. De beide slachtoffers hebben gedacht dat hun laatste uur geslagen had. De rechtbank acht de kans dat er ook daadwerkelijk doden zouden zijn gevallen, als de politie niet zou hebben ingegrepen, reëel aanwezig. Verdachte heeft bij het plegen van het delict geen oog gehad voor de gevolgen van zijn handelen, niet alleen voor de slachtoffers, maar ook voor degenen die van het geweld aan de [adres] getuige zijn geweest. Het in het openbaar plegen van dergelijk geweld roept heftige gevoelens van onveiligheid en angst op in het leven van burgers die er getuige van zijn en versterkt gevoelens van onveiligheid en angst in de maatschappij.

De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte hier ten lande geen justitiële documentatie op zijn naam heeft staan.

Nu de rechtbank de officier van justitie niet volgt met betrekking tot de kwalificatie van het strafbare feit en de officier van justitie haar eis heeft gebaseerd op gijzeling, zal de rechtbank reeds om die reden een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie gevorderd. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking enerzijds dat verdachte zelf bij de ontvoering geen geweld heeft gebruikt en anderzijds dat zijn bijdrage aan het feit groter was dan van [C], die -naar de rechtbank heeft begrepen- in eerste aanleg is veroordeeld tot 3 jaar en zes maanden gevangenisstraf.

De rechtbank houdt er voorts rekening mee dat verdachte inmiddels 15 maanden in voorlopige hechtenis zit, echter wijst erop dat de aanhoudingen van de zittingen de laatste keren steeds zijn gedaan op verzoek van de verdediging.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor na te melden duur passend en geboden.

7. De inbeslaggenomen goederen

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage A aan dit vonnis is gehecht) onder 1, 2, 4, 6, 7, 8 en 9 genummerde voorwerpen verbeurd zullen worden verklaard, het onder 5 genummerde voorwerp zal worden teruggegeven aan de rechthebbende en het onder 12 genummerde voorwerp zal worden teruggegeven aan de verdachte.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de in beslag genomen goederen zoveel mogelijk terug te geven aan verdachte.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1, 2, 4, 6, 7, 8 en 9 genummerde voorwerpen verbeurd verklaren, aangezien met behulp van deze voorwerpen de bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid.

De rechtbank zal de teruggave, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, aan de rechthebbende gelasten van het op de beslaglijst onder 5 genummerde voorwerp, voor zover dat inmiddels nog niet is geschied.

De rechtbank zal de teruggave, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, aan de verdachte gelasten van het op de beslaglijst onder 12 genummerde voorwerp,

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

33, 33a, 47, 57 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank, verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

Medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd.

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1, 2, 4, 6, 7, 8 en 9 genummerde voorwerpen;

gelast de teruggave aan de rechthebbende van het op de beslaglijst onder 5 genummerde voorwerp, voor zover dat inmiddels nog niet is geschied;

gelast de teruggave aan de verdachte van het op de beslaglijst onder 12 genummerde voorwerp.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. E.C. van Veen, voorzitter,

J.J.P. Bosman en D. Nobel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P.B. Vos, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 januari 2010.

1 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 166 t/m 170.

2 Proces-verbaal van verhoor verdachte (inbewaringstelling) d.d. 27 oktober 2008.

3 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s betreffen dit de pagina’s van de doorgenummerde (pagina’s 1 t/m 386) processen-verbaal van politie Haaglanden, genummerd 1534/2008/56115-56, 1534/2008/56115-92, 1534/2008/56115-128/II, 1534/2008/56115-155/3e vervolg, 1534/2008/56115- 160/4e vervolg, het methodieken-dossier (pagina’s 1 t/m 107) met het nummer 1534/2008/56115-127, en het doorgenummerde proces-verbaalmet bijlagen van de forensisch technische sporenonderzoeken (pagina’s 1 t/m 261) met nummer PL1563/2008/24124 -114.

4 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 24 oktober 2008, p. 94/95, p.98/99, p.100 t/m 106.

5 Proces-verbaal Aanhouding, d.d. 24 oktober 2008, p. 81.

6 Proces-verbaal Aanhouding, d.d. 24 oktober 2008, p. 71.

7 Proces-verbaal [F], p. 378-379 en Forensisch Dossier p. 80.

8 Proces-verbaal Aangifte d.d. 24 oktober 2008, p. 312.

9 Forensisch Dossier, p. 15 t/m 17.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 oktober 2008, p. 156.

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 109.

12 Proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 24 oktober 2008, p. 111 e.v.

13 Proces-verbaal van aangifte d.d. 24 oktober 2008, p.115.

14 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 1 november 2008, p. 201 t/m 204.

15 Verklaring verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 27 oktober 2008 .

16 Verklaring [C] bij de rechter-commissaris d.d. 16 juni 2009.

17 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 oktober 2008, p. 120.

18 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 oktober 2008, p. 122.

19 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 oktober 2008, p. 156.

20 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 oktober 2008, p. 147.