Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL0590

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-01-2010
Datum publicatie
26-01-2010
Zaaknummer
09-4841 / 340161
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gezamenlijk gezag is in het belang van minderjarige. Bepaling hoofdverblijfplaats minderjarige bij vader op grond van artikel 1:253a, eerste en tweede lid, BW.. Bepaling zorgregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: 09-4841

Zaaknummer: 340161

Datum beschikking: 15 januari 2010

Gezag

Beschikking op het op 12 mei 2009 ingekomen verzoek van:

[de vader]

wonende te [woonplaats], gemeente [X.],

advocaat: mr. J.H.F. Overkleeft te Hoorn.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder]

wonende te [woonplaats]

advocaat: mr. N.A. de Wit te Lisse.

Procedure

Bij beschikking van deze rechtbank en kamer d.d. 25 november 2009 is iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag en de hoofdverblijfplaats aangehouden tot 1 maart 2010 pro forma, in afwachting van de resultaten van de mediation.

De rechtbank heeft wederom kennis genomen van de stukken, waaronder thans ook:

- de brief d.d. 8 december 2009 van de zijde van de vader.

Op 8 januari 2010 is de behandeling voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader, [zijn echtgenote] - die als belanghebbende is aangemerkt - en zijn advocaat alsmede de moeder en haar advocaat. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) was mevrouw E.K.M. Bakker aanwezig. Van de zijde van de vader en de moeder zijn pleitnotities overgelegd.

Om proceseconomische redenen is de zaak gevoegd behandeld met de vordering in kort geding (zaaknummer 355181 / KG ZA 09-1759) en het verzoek tot ondertoezichtstelling (met zaak- en rekestnummer 355466 / JE RK 09-3511).

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist.

Vast staat dat partijen het er tijdens de voorgaande behandeling ter terechtzitting van 28 oktober 2009 over eens waren dat de minderjarige voorlopig bij de vader zou verblijven en dat binnen redelijke termijn zou worden gezocht naar een voor de minderjarige geschikte woonvorm. Teneinde de onderlinge communicatie te verbeteren en het geschil omtrent het gezamenlijk gezag en de hoofdverblijfplaats van de minderjarige op te lossen hebben partijen gekozen voor mediation. Thans is gebleken dat de mediation niet is gestart, naar zeggen van de man omdat hij daarin geen heil meer zag vanwege het feit dat de moeder de minderjarige na de omgang in het weekend van 28 en 29 november 2009 zonder overleg niet naar de vader heeft teruggebracht.

Vast staat dat de moeder de minderjarige zonder overleg met de vader bij een logeergezin, de familie [A.] heeft ondergebracht en de minderjarige om die reden van school is veranderd. De moeder stelt deze eenzijdige beslissing te hebben moeten nemen in verband met een door de man verstuurde mail waarin hij heeft gedreigd te stoppen met de opvang van de minderjarige als de moeder door de vader gehanteerde huisregels en tijden niet wil respecteren. Ter terechtzitting heeft de moeder haar eenzijdige beslissing om de minderjarige elders te plaatsen nader toegelicht, stellende dat zij zich ook zorgen maakte over het welzijn van de minderjarige. Volgens de moeder zou de minderjarige lijden onder de gespannen situatie en verstoorde communicatie tussen zijn ouders en is zijn huidige verblijf in een neutraal gezin - in overleg met Stichting MEE en het Advies en Meldpunt Kindermishandeling - dan ook in zijn belang.

Hoewel vast staat dat de communicatie tussen partijen op dit moment is verstoord, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een onaanvaardbaar risico dat de minderjarige klem of verloren zal raken tussen zijn ouders. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is immers gebleken dat de verstoorde communicatie en de gespannen situatie tussen partijen hoofdzakelijk worden veroorzaakt door de onduidelijkheid over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en het gebrek aan heldere afspraken over (tijdstippen van) contacten tussen de moeder en de minderjarige. Nu de rechtbank - zoals hierna zal worden overwogen - hierover een eindbeslissing zal geven en partijen vanaf heden derhalve de gewenste duidelijkheid zullen hebben, gaat de rechtbank er van uit dat daarmee de grootste obstakels voor een constructieve wijze van communiceren over de minderjarige uit de weg zijn geruimd.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het gezamenlijk gezag in het belang van de minderjarige is, nu de minderjarige - zoals hierna zal worden overwogen - zijn hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben. Teneinde de zorg voor de minderjarige praktisch te kunnen uitoefenen dient de vader - in samenspraak met de moeder - gezagsbeslissingen over de minderjarige te kunnen nemen. Hierbij kan gedacht worden aan het aanmelden voor een voor de minderjarige geschikte woonvorm en speciaal (vervolg)onderwijs.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek van de vader tot gezamenlijk ouderlijk gezag op grond van artikel 1:253c, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek toewijzen.

Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige overweegt de rechtbank als volgt.

Ter terechtzitting is gebleken dat de minderjarige gezien de wachtlijsten pas op lange termijn (over drie tot acht jaar) in een voor hem geschikte woonvorm kan worden geplaatst. De rechtbank is van oordeel dat er tot die tijd duidelijkheid dient te komen over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige. Hoewel de moeder heeft gesteld dat de minderjarige voor langere tijd bij de familie [A.] kan verblijven, is de rechtbank van oordeel dat deze logeerplaats niet de voorkeur verdient boven een plaatsing bij vader.

Voor de minderjarige, die het syndroom van Down heeft, zijn rust en stabiliteit belangrijk. Nu de vader ter terechtzitting uitdrukkelijk heeft verklaard samen met zijn echtgenote voor de minderjarige te kunnen en willen zorgen totdat hij geplaatst kan worden in een voor hem geschikte woonvorm, en niet in geschil is dat de moeder zijn verzorging vanwege haar eigen psychische problematiek niet op zich kan nemen, acht de rechtbank het in het belang van de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats bij de vader te bepalen. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat de vader en zijn echtgenote sinds juli 2009 tot 29 november 2009 reeds voor de minderjarige hebben gezorgd en niet gesteld noch gebleken is dat het in die periode niet goed ging met de minderjarige. Voorts neemt de rechtbank bij haar beslissing in aanmerking dat de vader ter terechtzitting heeft verklaard dat hij de plek op de voormalige school van de minderjarige open heeft gehouden, zodat de minderjarige direct weer naar die school terug kan. De rechtbank tekent nog aan dat zij onder de gegeven omstandigheden geen aanleiding ziet voor een onderzoek door de raad en evenmin reden ziet voor het voorlopig doen voortduren van de opvang door de familie [A.], zoals door de raad bepleit. Daargelaten dat het naar het oordeel van de rechtbank in beginsel de voorkeur verdient dat een ouder -indien mogelijk- met de zorg over een kind wordt belast, staat vast dat de familie [A.] in mei 2010 voor acht weken op vakantie gaat, hetgeen op korte termijn al weer een tijdelijke opvang elders noodzakelijk zou maken, met alle onrust van dien voor de minderjarige.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader toewijzen, op grond van artikel 1:253a, eerste en tweede lid, BW.

Ter terechtzitting heeft de vader subsidiair om de benoeming van een bijzonder curator verzocht. Nu het primaire verzoek van de vader wordt toegewezen, behoeft het subsidiaire verzoek geen beoordeling en beslissing meer.

Hoewel in deze procedure geen formeel verzoek is gedaan tot vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) is die regeling wel onderwerp van debat geweest ter zitting in verband met de vordering ter zake in kort geding. Nu de hoofdverblijfplaats van de minderjarige wordt gewijzigd acht de rechtbank het dan ook -met partijen- in het belang van partijen en de minderjarige dat over de zorgregeling duidelijkheid komt, en zal de rechtbank dienaangaande een beslissing nemen. Partijen bleken het er ter zitting over eens dat de minderjarige in ieder geval een weekend per maand bij de familie [B.] dient door te brengen, zoals hij gewend is. Daarnaast wenste de moeder dat de minderjarige -evenals thans het geval is- twee weekenden per maand bij haar zal verblijven, waarmee de vader akkoord is. In geschil is slechts het tijdstip van terugbrengen naar de vader. De moeder stelt zich op het standpunt dat de minderjarige voor het avondeten dient terug te keren, omdat hij volgens haar anders de onterechte indruk krijgt dat hij nog bij haar mag blijven slapen. De vader wenst hem om zeven uur teruggebracht te zien, daar hij dan meer tijd heeft familie te bezoeken. De rechtbank oordeelt dat het belang van de minderjarige in dit geval dient te prevaleren, hetgeen met zich brengt dat hij voor het avondeten moet worden teruggebracht, zodat hij nog tijd heeft rustig te eten alvorens te gaan slapen. Overigens is het -anders dan de vrouw heeft betoogd- naar het oordeel van de rechtbank geen bezwaar de minderjarige incidenteel bij de buren af te zetten, nu onweersproken is gebleven dat zij bereid en in staat zijn zo nodig in te springen als de vader niet voor zeven uur terug kan zijn.

Dit leidt tot de volgende regeling:

- weekend 1: de minderjarige verblijft bij de moeder, van vrijdagmiddag tot zondag, waarbij de moeder de minderjarige op zondag om 17.30 uur bij de vader (dan wel op afspraak bij de buren) terugbrengt;

- weekend 2: de minderjarige verblijft bij de familie [B.];

- weekend 3: de minderjarige verblijft bij de moeder van vrijdagmiddag tot zondag, waarbij de moeder de minderjarige op zondag om 17.30 uur bij de vader (dan wel op afspraak bij de buurvrouw) terugbrengt;

- weekend 4: de minderjarige verblijft bij de vader,

en zo verder.

De rechtbank acht het voorts redelijk dat de moeder eenmaal per week op woensdag om 19.00 uur een belcontact (10 minuten) met de minderjarige kan hebben.

De rechtbank gaat er van uit dat partijen deze regelingen in het belang van de minderjarige zullen nakomen.

Beslissing

1. Geen rechterlijk bevel tot afgifte in procedures op verzoekschriften ingediend vanaf 1 april 1995. In de afgifte is vanaf die datum van rechtswege voorzien bij art.812 Rv [bij gezagsvoorziening na scheiding: jo art.827 lid 2 Rv].

2. M.i.v. 2 november 1995 ex art.1:245 jo 251 BW [Stb.240]: "Ouderlijk gezag" i.p.v. "voogdij" # "Toeziend voogdij" vervalt # "Voogdij" wordt door een ander dan een ouder uitgeoefend # Ook na scheiding van tafel en bed bepaalt de rechter -bij ontbreken v.e. verzoek tot gezamenlijke

uitoefening v.h. gezag of bij afwijzing van zo'n verzoek- aan welke ouder voortaan alleen het gezag over elk kind zal toekomen.

3. Zie verder 1:406, lid 2, BW.

De rechtbank:

* bepaalt dat [de moeder] en [de vader], voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen over de minderjarige:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats];

* bepaalt dat de minderjarige:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats],

de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vader;

* verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet, kinderrechter, bijgestaan door mr. M. Huisman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 januari 2010