Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL0207

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
21-01-2010
Zaaknummer
330134 - HA ZA 09-469
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BR3130, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Formele rechtskracht bestemmingsplan. Onrechtmatige mededeling gemeente? Vereenzelviging rechtspersonen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 330134 / HA ZA 09-469

Vonnis van 20 januari 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ETGROEN B.V.,

gevestigd te Roelofarendsveen,

eiseres,

advocaat mr. F.M.L. Dekkers,

tegen

de rechtspersoon naar publiek recht

GEMEENTE KAAG EN BRAASSEM,

gevestigd te Roelofarendsveen,

gedaagde,

advocaat mr. J.J. Turenhout.

Partijen zullen hierna Etgroen en de Gemeente genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 27 november 2008 met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- het tussenvonnis van 8 april 2009, waarin een comparitie van partijen is bevolen;

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 28 oktober 2009 en de daarin genoemde stukken;

- de akte van de Gemeente.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

De Gemeente Alkemade is als gevolg van een gemeentelijke herindeling per 1 januari 2009 deel gaan uitmaken van de gemeente Kaag en Braassem. In het navolgende wordt onder "de Gemeente" mede de toenmalige gemeente Alkemade begrepen.

Etgroen is op 17 juli 2000 opgericht. Haar enige aandeelhouder en bestuurder is de besloten vennootschap de Veense Regenboog Beheer B.V.. Etgroen is opgericht ten behoeve van de ontwikkeling en verkoop van recreatiewoningen op het terrein aan de Aderweg te Roelofarendsveen. Op dit terrein, dat ten tijde van de oprichting van Etgroen al dan niet indirect in eigendom was van de huidige directeur van Etgroen, [directeur], waren stacaravans geplaatst. Het terrein werd geëxploiteerd en onderhouden door de besloten vennootschap Rekra-Stee 'Wijde Aa' B.V., hierna aan te duiden als: Rekra Stee. Thans zijn op het westelijke deel van het terrein 74 recreatiewoningen gerealiseerd, terwijl er op het oostelijke deel van het terrein nog stacaravans staan. De gemeenschappelijke voorzieningen worden nog immer beheerd door Rekra Stee.

Op 16 februari 1995 heeft Rekra Stee aan de Gemeente verzocht om medewerking "om de caravanbestemming van ons terrein uit te breiden met de bestemming zomerhuizen".

Op 30 maart 1998 heeft de raad van de Gemeente het bestemmingsplan Landelijk Gebied Oost Plus vastgesteld. De bestemming van het terrein aan de Aderweg is daarin gewijzigd naar verblijfsrecreatieve doeleinden met subbestemming "zomerhuizen." Op de plankaart is in dit verband opgenomen "vRz 15%". In de planvoorschriften is onder de kop "max. aantal per bestemmingsvlak" opgenomen "aantal zoals aanwezig op het moment van ter-inzage-legging van het ontwerp-plan". Het bestemmingsplan is op 17 november 1998 door gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland goedgekeurd en na een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 13 april 2000 onherroepelijk geworden.

Op 16 juli 1999 schreef de Gemeente aan Architectenbureau Van Rijn\Partners, in welk bedrijf de huidige directeur van Etgroen zijn activiteiten als architect uitoefent, onder meer:

"Als gevolg van het bovenstaande zijn wij van mening dat de bebouwing met zomerhuizen derhalve mogelijk is tot het op de plankaart aangegeven percentage."

Op 21 september 2000 is aan Etgroen een vergunning verleend voor de bouw van twee (model)woningen.

Op 29 maart 2001 heeft Etgroen een aanvraag ingediend om een bouwvergunning voor het oprichten van 74 recreatiewoningen op het westelijke deel van het terrein aan de Aderweg te Roelofarendsveen. Op 27 juni 2001 schreef de Gemeente aan Etgroen in antwoord hierop onder meer:

" Naar aanleiding van de door u ingediende aanvraag voor de bouw van 74 zomerwoningen op het perceel Aderweg 8, delen wij u het volgende mede.

In het kader van de beoordeling van de bouwaanvraag hebben wij moeten constateren dat er sprake is van een tegenstrijdigheid in het van toepassing zijnde bestemmingsplan Landelijk Gebied Oost Plus. De plankaart en de bestemmingsomschrijving in artikel 15 van de planvoorschriften laten de bouw van nieuwe zomerwoningen toe, doch de bijbehorende bebouwingsvoorschriften geven aan dat het aantal zomerwoningen niet mag toenemen.

Wij hebben daarom geconcludeerd dat de ingediende bouwaanvraag op een formeel punt afwijkt van het geldende bestemmingsplan en dat daarom niet zondermeer kan worden overgegaan tot de afgifte van de gevraagde bouwvergunning.

(...)

Wij zijn van mening dat er sprake is van een kennelijke fout in het uit 1998 daterende bestemmingsplan. Bij de totstandkoming van dit plan is het expliciet de bedoeling geweest de bouw van nieuwe zomerwoningen op het betreffende terrein mogelijk te maken. Tijdens de voorbereidingsprocedure van het bestemmingsplan is alleen het percentage waarmee het bestemmingsvlak mag worden bebouwd besproken. De bestemming 'verblijfsrecreatieve doeleinden' met subbestemming 'zomerhuizen' is nimmer ter discussie geweest.

Wij hebben daarom het voornemen de tegenstrijdigheid in het bestemmingsplan op te heffen. Daartoe zal een procedure tot wijziging van het bestemmingsplan worden gestart die er op is gericht om het bebouwingsvoorschrift aan te passen aan de gegeven bestemming.(...)"

Op 22 november 2001 heeft de Gemeente Etgroen een last onder dwangsom opgelegd voor het geval op 26 november 2001 of op een andere datum, gestart zou worden met de bouw van 74 recreatiewoningen. Dit besluit is bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, sector bestuursrecht, van 11 januari 2002 geschorst.

Bij uitspraak van 22 februari 2002 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank een verzoek tot schorsing van de van rechtswege verleende bouwvergunning afgewezen.

Etgroen heeft 74 recreatiewoningen gebouwd.

De provinciale planologische commissie heeft in haar vergadering van 13 december 2001 het voorontwerpbestemmingsplan "Landelijk Gebied Oost plus 1e herziening" besproken. In een niet gedateerde brief aan de Gemeente is over deze vergadering onder meer opgenomen:

"(...) In het vigerende bestemmingsplan heeft het terrein al een "recreatieve bestemming". Het terrein is al jaren gedeeltelijk in gebruik voor recreatieve doeleinden waaronder 54 stacaravans. (...) In feite is dus in het vastgestelde plan de bestaande toestand voor wat betreft aantal zomerwoningen vastgelegd. Gedeputeerde Staten hebben daarmee ingestemd omdat dit in overeenstemming was met het provinciaal beleid, namelijk geen structurele uitbreiding van de verblijfsrecreatie ter plaatse. (...) Indien de omissie wel was opgemerkt dan had dat gelet op het toen reeds van kracht zijnde streekplan zeer waarschijnlijk ook niet tot goedkeuring geleid.

(...) Onze commissie deelt de visie van de IRO dat het voorliggende plan strijdig is met het provinciale en nationale ruimtelijk beleid. De zomerwoningen zijn als nieuwe ontwikkeling dan ook niet aanvaardbaar.

(...)."

In een brief van de inspecteur van de ruimtelijke ordening van 24 oktober 2001 aan de Gemeente met betrekking tot dezelfde voorgestelde 1e herziening van het bestemmingsplan Landelijke Gebied Oost Plus, is onder meer opgenomen:

"Uit het voorgaande blijkt tevens dat het voornemen voor het oprichten van een bungalowcomplex op de onderhavige locatie niet eerder aan mij kenbaar gemaakt is. Indien dit wel het geval zou zijn geweest dan had u, op dat moment, zeker van mij een reactie ontvangen. Het is derhalve juist dat thans de procedure van een bestemmingsplanherziening wordt gevoerd. De voorgestane wijziging acht ik echter niet in overeenstemming met het nationale ruimtelijk beleid en het provinciale beleid."

In een brief van 10 april 2002 aan de toenmalige advocaat van Etgroen schreef de toenmalige minister van VROM onder meer dat het bouwplan zijns inziens een onaanvaardbare aantasting van het Rijksbeleid inzake het buitengebied, meer in het bijzonder het Groene Hart, vormde.

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in een uitspraak van 11 februari 2004 onder meer geoordeeld dat het bepaalde in artikel 15 van de planvoorschriften meebracht dat er ter plaatse geen zomerhuizen gebouwd mochten worden.

Bij besluit van 22 december 2004 heeft (het college van burgemeester en wethouders van) de Gemeente aan Etgroen onder verlening van vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid Wet op de Ruimtelijke Ordening, een bouwvergunning verleend voor de bouw van 74 recreatiewoningen. Op 8 september 2005 heeft de Gemeente het daartegen gemaakte bezwaar afgewezen. Het daartegen gerichte beroep is door deze rechtbank, sector bestuursrecht, bij uitspraak van 20 september 2006 gegrond verklaard. Het daartegen gerichte hoger beroep van de Gemeente en van Etgroen is bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 15 augustus 2007 gegrond verklaard, waardoor, na ongegrondverklaring van de bij de rechtbank ingestelde beroepen, de op 22 december 2004 verleende bouwvergunning onherroepelijk is geworden.

Op 16 oktober 2007 is het bestemmingsplan Wijde Aa onherroepelijk geworden. Op basis van dit bestemmingsplan is bebouwing van het oostelijke gedeelte van het terrein aan de Aderweg niet mogelijk.

De vordering

Etgroen vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de Gemeente veroordeelt tot betaling van € 4.200.000,-, te vermeerderen met rente en onder veroordeling van de Gemeente in de kosten van het geding.

Aan die vordering legt zij - samengevat weergegeven - ten grondslag dat de Gemeente onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door in het bestemmingsplan Landelijk Gebied Oost Plus ten onrechte en in strijd met een daartoe strekkende toezegging niet de mogelijkheid van bouw van de recreatiewoningen op te nemen. Voorts heeft de Gemeente naar het oordeel van Etgroen onrechtmatig jegens haar gehandeld door de gemaakte fout in het bestemmingsplan niet zo spoedig mogelijk te herstellen en door ten onrechte een bouwstop op te leggen. Ook de vergunning voor de modelwoningen is in de visie van Etgroen onrechtmatig, terwijl tot slot de bebouwing van het oostelijke deel van het terrein op onrechtmatige wijze onmogelijk is gemaakt.

De Gemeente voert gemotiveerd verweer. Op stellingen en weren van partijen wordt hierna, waar nodig, nader ingegaan.

De beoordeling

Bij beoordeling van de vordering stelt de rechtbank voorop dat in het licht van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 11 februari 2004 moet worden aangenomen dat de bouw van de 74 recreatiewoningen in strijd met het bestemmingsplan Landelijk Gebied Oost Plus is geweest. Eerst met het onherroepelijk worden van de op 22 december 2004 verleende bouwvergunning is de situatie gelegaliseerd. Van een van rechtswege verleende bouwvergunning is geen sprake (geweest).

De rechtbank neemt bij beoordeling van de vordering voorts tot uitgangspunt dat het bestemmingsplan Landelijk Gebied Oost Plus formele rechtskracht heeft gekregen, zodat de rechtbank ervan moet uitgaan dat het bestemmingsplan naar wijze van totstandkoming en naar inhoud rechtmatig is geweest. De argumenten die Etgroen tegen dit uitgangspunt naar voren heeft gebracht zullen hierna, waar nodig, worden besproken.

De rechtbank stelt voorts vast dat uit in elk geval de brief van 16 juli 1999 aan Architectenbureau Van Rijn\Partners en uit de brief van 27 juni 2001 aan Etgroen moet worden afgeleid dat het college van burgemeester en wethouders voornemens was de bouw van recreatiewoningen op het terrein aan de Aderweg mogelijk te maken. Het bestemmingsplan zoals het uiteindelijk door de gemeenteraad is vastgesteld en door gedeputeerde staten is goedgekeurd maakte die bouw, naar thans met zekerheid kan worden vastgesteld, niet mogelijk. In elk geval de uitlatingen van het college van burgemeester en wethouders tegenover Architectenbureau Van Rijn\Partners in de brief van 16 juli 1999 zijn in zoverre onjuist geweest. Hoewel moet worden vastgesteld dat de Gemeente, door in eerste instantie uitlatingen als in de brief van 16 juli 1999 te doen, vervolgens de bouwvergunning voor de modelwoningen te verlenen en daarna een last onder dwangsom met betrekking tot de voorgenomen bouw van de overige woningen op te leggen, een weinig koersvast beleid heeft gevolgd, kan de vordering van Etgroen niet slagen. Aan die conclusie ligt het volgende ten grondslag.

Etgroen kiest in de eerste plaats als basis voor haar vordering dat er ten aanzien van de bouw van de recreatiewoningen toezeggingen door ambtenaren van de Gemeente zijn gedaan en dat het bestemmingsplan Landelijk Gebied Oost Plus met die toezeggingen in strijd en daarmee onrechtmatig bleek. De vordering kan op deze grondslag reeds niet slagen nu Etgroen eerst is opgericht nadat het bestemmingsplan onherroepelijk was geworden. De Gemeente stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat een onrechtmatig handelen gelegen in een mogelijke fout in het bestemmingsplan - wat er van dat betoog verder in het licht van de formele rechtskracht van het bestemmingsplan ook zij - niet jegens Etgroen onrechtmatig kan zijn geweest nu Etgroen ten tijde van die gestelde fout nog niet bestond.

In het verlengde van dit oordeel moet worden geoordeeld dat de discussie over aard en waarde van gestelde toezeggingen van ambtenaren van de Gemeente niet relevant is nu die toezeggingen in elk geval niet aan Etgroen zijn gedaan. Een daarop gestoeld handelen of nalaten kan opnieuw niet jegens Etgroen onrechtmatig zijn geweest.

Het feit dat de directeur en (indirecte) aandeelhouder van Etgroen dezelfde is als de directeur en indirect aandeelhouder van Van Rijn\Partners en/of Rekra Stee maakt dit niet anders nu die personele unie geen vereenzelviging van vennootschappen of overgang van vorderingen ten gevolge heeft en gesteld noch gebleken is dat Etgroen anderszins in de rechten of de positie van enige andere betrokken vennootschap is getreden. De vraag of de directeur van Etgroen, de vennootschap Van Rijn\Partners en/of Rekra Stee enig recht aan de gestelde uitlatingen van ambtenaren van de Gemeente kan ontlenen ligt niet in deze procedure ter beoordeling voor.

Het bovenstaande brengt mee dat nog slechts de verwijten aan de Gemeente relevant zijn die zien op gedragingen in de periode na oprichting van Etgroen. Ten overvloede overweegt de rechtbank ten aanzien van de gestelde uitlatingen van de kant van de Gemeente in de periode voor de oprichting van Etgroen als volgt. Naar vaste jurisprudentie strekt het beginsel van formele rechtskracht van een bestemmingsplan zich uit over uitlatingen of zelfs toezeggingen gedaan met betrekking tot dat bestemmingsplan. Dat is slechts anders indien de bewuste uitlatingen zelfstandig, dus los van het onherroepelijk geworden besluit, onrechtmatig zijn te achten. De rechtbank stelt vast dat zowel de door Etgroen gestelde en door de Gemeente betwiste uitlatingen van de ambtenaren van de Gemeente als de berichtgeving in de brief van 16 juli 1999 een interpretatie bevatten van het bestemmingsplan. Een dergelijke interpretatie, gedaan zowel voor als na het moment van vaststelling van het bestemmingsplan, kan niet los van het bestemmingsplan worden gezien. De gestelde uitlatingen en de uitlatingen in de brief van 16 juli 1999 kunnen dan ook, hoezeer ook onjuist, in het licht van de formele rechtskracht van het bestemmingsplan niet onrechtmatig worden geacht.

Met betrekking tot de periode na oprichting van Etgroen stelt Etgroen in de eerste plaats dat uit de brief van de Gemeente van 27 juni 2001 blijkt dat de Gemeente erkent dat er een fout in het bestemmingsplan zat. Daarmee werpt zij de vraag op of een uitzondering moet worden aangenomen op de formele rechtskracht van het bestemmingsplan. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend nu op grond van het bovenstaande, naar de Gemeente terecht stelt, van een erkenning van onrechtmatigheid jegens Etgroen geen sprake kan zijn geweest, terwijl bovendien niet is voldaan aan het uit de jurisprudentie van de Hoge Raad voortvloeiende vereiste dat een erkenning van onrechtmatigheid van een beschikking (zodat op dit punt geen geschil bestaat, dat voor beslissing door een bestuursrechter in aanmerking komt) moet hebben plaatsgevonden vóór het verstrijken van de termijnen voor het aanwenden van de openstaande bestuursrechtelijke rechtsmiddelen. De rechtbank voegt daar, deels ten overvloede, het volgende aan toe.

Uit de over en weer in het geding gebrachte stukken moet de conclusie worden getrokken dat het oogmerk van het college van burgemeester en wethouders is geweest de bouw van recreatiewoningen op het terrein aan de Aderweg mogelijk te maken. Met die vaststelling is niet gezegd dat een van dat oogmerk afwijkend bestemmingsplan onjuist of onrechtmatig is. Het is immers niet het college dat een bestemmingsplan vaststelt, maar de gemeenteraad, terwijl het vastgestelde bestemmingsplan goedkeuring van gedeputeerde staten behoeft. Dat brengt mee dat, naar de Gemeente terecht betoogt, ook als in de brief van het college een erkenning van een fout in het bestemmingsplan moet worden gelezen (en niet slechts een onjuiste uitleg van de planvoorschriften, welke onjuiste uitleg op zichzelf geen schade heeft veroorzaakt), geenszins vaststaat dat een bestemmingsplan dat conform het voornemen van het college de bouw van recreatiewoningen op het terrein aan de Aderweg mogelijk maakte, de eindstreep zou hebben gehaald.

De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de Gemeente in 2001 heeft getracht het bestemmingsplan zodanig te wijzigen dat de bouw van de recreatiewoningen alsnog mogelijk werd. Op dat voornemen is gereageerd door de inspecteur ruimtelijke ordening en de provinciale planologische commissie. Uit de reacties is niet alleen af te leiden dat een wijziging van het bestemmingsplan op weinig bijval kon rekenen, maar ook dat het in 1998 goedgekeurde bestaande bestemmingsplan slechts door gedeputeerde staten is goedgekeurd omdat bouw van recreatiewoningen volgens dat plan niet mogelijk was. De kans dat een bestemmingsplan dat de bouw van de recreatiewoningen mogelijk maakte - zo dat door de raad van de Gemeente zou zijn vastgesteld - door gedeputeerde staten zou zijn goedgekeurd moet in het licht daarvan uiterst gering worden geacht. Ook als, met andere woorden, aangenomen zou moeten worden dat de Gemeente jegens Etgroen toezeggingen zou hebben gedaan in een bestemmingsplan de bouw van recreatiewoningen mogelijk te maken, is het niet waarschijnlijk dat het tot legale bouw van de woningen zou zijn gekomen

Vervolgens resteert de vraag of de Gemeente op andere wijze dan zij heeft gedaan de inmiddels gestarte en later voltooide bouw van de recreatiewoningen had moeten legaliseren. Uitgangspunt daarbij dient te zijn dat hierboven is vastgesteld dat de Gemeente jegens Etgroen geen toezeggingen heeft gedaan en dat activiteiten van de Gemeente om tot legalisering te komen in zoverre jegens Etgroen onverplicht zijn verricht. De rechtbank heeft onder 4.10 vastgesteld dat er blijkbaar een concept voor een herziening van het bestemmingsplan is geweest dat de bouw alsnog mogelijk maakte en dat dit concept op grote weerstand bij hogere overheden stuitte. Dat de Gemeente dat concept niet (verder) in procedure heeft gebracht kan haar, gelet op de kansloosheid daarvan toentertijd, niet worden verweten. Voor de conclusie dat de Gemeente vervolgens eerder dan in 2004 de reeds gerealiseerde bouw had kunnen en moeten legaliseren heeft Etgroen onvoldoende feiten gesteld tegenover het verweer van de Gemeente op dit punt, dat onder verwijzing naar gewijzigd beleid van de hogere overheden inhoudt dat eerst toen legalisering mogelijk is geworden.

Etgroen heeft betoogd dat de bouwvergunning voor de twee modelwoningen onrechtmatig is geweest. De Gemeente heeft daar tegenin gebracht dat die bouwvergunning formele rechtskracht heeft gekregen. Dat kan Etgroen - nu zij in de vergunning gekregen heeft wat zij had gevraagd en er voor haar dus geen aanleiding was daartegen op te komen - niet worden tegengeworpen. Wel moet worden geconcludeerd dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat die bouwvergunning tot enige schade heeft geleid. Veeleer is het tegendeel aannemelijk nu met die bouwvergunning de op zichzelf tot december 2004 onmogelijke bouw van uiteindelijk 74 recreatiewoningen is ingeleid. Voor zover het betoog van Etgroen zo moet worden begrepen dat zij zich de kosten van de bouw van de overige woningen bespaard zou hebben indien de bouwvergunning voor de modelwoningen was geweigerd, stuit dat betoog af op het feit dat de Gemeente in haar brief van 27 juni 2001 ten aanzien van die overige woningen terecht heeft aangegeven geen bouwvergunning te kunnen verlenen. Etgroen heeft er zelf voor gekozen niettemin de bouw te starten en voort te zetten, hetgeen voor haar rekening komt.

In haar akte ten behoeve van de comparitie heeft Etgroen aangevoerd dat de Gemeente haar heeft bewogen ondanks het ontbreken van een vergunning met de bouw van de recreatiewoningen te beginnen. De Gemeente heeft dat weersproken. Tegenover die betwisting heeft Etgroen aan dit betoog onvoldoende feiten ten grondslag gelegd die dat betoog kunnen dragen. Voor een bewijsopdracht is dan geen ruimte.

Voor zover het betoog van Etgroen nog zo moet worden begrepen dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door in 2001 een bouwstop (last onder dwangsom) op te leggen stuit dit betoog af op het feit dat die bouwstop onderwerp van een bestuursrechtelijke procedure is geweest, zodat er voor een afzonderlijk oordeel daarover in een civiele procedure geen ruimte is.

Etgroen verwijt de Gemeente tot slot dat het oostelijke deel van het terrein aan de Aderweg niet met recreatiewoningen kan worden bebouwd. De Gemeente heeft daartegen terecht aangevoerd dat die onmogelijkheid thans het gevolg is van het bestemmingsplan Wijde Aa, en dat het op de weg van Etgroen had gelegen tegen dat bestemmingsplan op te komen. Nu zij dat niet heeft gedaan en het bestemmingsplan inmiddels onherroepelijk is geworden, moet worden geconcludeerd dat in elk geval de formele rechtskracht van dit bestemmingsplan aan toewijzing van de vordering op dit punt in de weg staat.

Het bovenstaande brengt mee dat de vordering moet worden afgewezen. Hetgeen door partijen overigens is aangevoerd kan onbesproken blijven, terwijl er voor het opdragen van bewijs geen grond is.

Etgroen zal als in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding worden veroordeeld. De daarover gevorderde wettelijke rente zal als onweersproken worden toegewezen.

De beslissing

De rechtbank

- wijst de vordering af;

- veroordeelt Etgroen in de kosten van het geding aan de zijde van de Gemeente begroot op € 4.938,- aan verschotten en € 8.027,50 (2,5 punt x tarief VIII) aan salaris van de advocaat en in de nakosten, begroot op € 131,-, te vermeerderen met € 68,- aan salaris en met de deurwaarderskosten gemaakt voor de betekening van dit vonnis, in geval Etgroen niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit vonnis heeft voldaan, en deze proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. van der Helm en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2010.