Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BL0192

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-01-2010
Datum publicatie
22-01-2010
Zaaknummer
AWB 07/47648 AWB 08/20466 AWB 08/20467
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ten behoeve van eiseres heeft de minister van Buitenlandse Zaken op 28 december 2006 een individueel ambtsbericht uitgebracht. De minister van Buitenlandse Zaken heeft bij brief van 5 juni 2007 aangegeven dat het individueel ambtsbericht dient te worden gelezen in het licht van (de tweede alinea van paragraaf 5.1.2 van) het algemeen ambtsbericht inzake Azerbeidzjan van juli 2004 (hierna: het algemeen ambtsbericht). In deze alinea is vermeld dat Azerbeidzjanen van wie meer dan alleen de vader of moeder etnisch Armeens was zijn gederegistreerd. Nu eiseres een vader heeft die etnisch Azeri is, dienen volgens verweerder zowel de gegevens van eiseres als van haar vader in de Azerbeidzjaanse registers te zijn vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze laatste aanname evenwel onvoldoende gemotiveerd. Desgevraagd ter zitting heeft verweerder niet kunnen toelichten op welke wijze de hiervoor vermelde passage in het algemeen ambtsbericht dat op grote schaal Azerbeidzjanen ‘van wie meer dan alleen de vader of moeder etnisch Armeens was’ zijn gederegistreerd, moet worden gelezen. Zonder nadere toelichting valt niet uit te sluiten dat een persoon met - bijvoorbeeld - een etnisch Armeense moeder, een etnisch Azeri vader én een ander etnisch Armeens familielid (bijvoorbeeld een grootouder), destijds in Azerbeidzjan is beschouwd als een persoon ‘van wie meer dan alleen de vader of moeder etnisch Armeens’ is. In dat laatste geval is evenmin, althans niet zonder nader onderzoek, uit te sluiten dat de gegevens van eiseres en haar vader uit de registers in Azerbeidzjan zijn gederegistreerd.

Voorts blijkt uit paragraaf 5.1.2. van het algemeen ambtsbericht dat het gebruikelijk was dat personen van wie ‘na controle was gebleken dat ze reeds lange tijd niet meer woonachtig waren op het geregistreerde adres (…) ambtshalve uit te schrijven.’ Verweerder heeft desgevraagd ter zitting niet kunnen toelichten of onder het begrip ‘uitschrijven’ hetzelfde dient te worden verstaan als onder het begrip ‘deregistreren’. Zou dat het geval zijn, dan zou het feit dat eiseres reeds op tweejarige leeftijd Azerbeidzjan heeft verlaten zonder hiernaar terug te keren kunnen verklaren dat zij niet meer in de registers in Azerbeidzjan (ook niet als ‘uitgeschrevene’) staat vermeld.

Bovendien heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit het asielrelaas van eiseres ten onrechte niet inhoudelijk beoordeeld op de enkele grond dat haar identiteit en afkomst niet geloofwaardig zijn. Hoewel bij twijfel aan de identiteit en nationaliteit van een vreemdeling veelal niet meer kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de vluchtmotieven omdat deze vaak slechts betekenis hebben tegen de achtergrond van herkomst, identiteit en nationaliteit, zal verweerder in dit geval de geloofwaardigheid van de door eiseres gestelde bedreiging tijdens de presentatie aan de Armeense autoriteiten op 13 juni 2005 wel dienen te beoordelen. De identiteit en afkomst van eiseres zijn weliswaar doorslaggevend bij de beantwoording van de vraag of zij enkel vanwege haar etnisch Azeri-afkomst in het dagelijks leven in Armenië problemen zal ondervinden, maar zij staan los van de vraag of eiseres tijdens de presentatie bij de Armeense autoriteiten is bedreigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittinghoudende te Utrecht

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 07/47648

AWB 08/20466

AWB 08/20467

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van

inzake

[eiseres], geboren op [1972], eiseres,

mede ten behoeve van haar kinderen [kind 1], geboren op [1991], en [kind 2], geboren op [1995],

alle gesteld staatloos,

gemachtigde: mr. L.M. Straver, advocaat te Utrecht,

tegen een besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.P. Lamfers-van den Bos, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 10 december 2007 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 10 augustus 2005 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan haar en haar kinderen afgewezen. Eiseres heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 07/47648.

1.2 Verweerder heeft bij besluit van 8 mei 2008 het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 10 december 2007 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder ambtshalve beslist dat eiseres en haar kinderen niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken”. Eiseres heeft tegen het besluit van 8 mei 2008 beroep bij deze rechtbank ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 08/20466.

1.3 Eiseres heeft de rechtbank tevens verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat uitzetting achterwege dient te blijven totdat op het beroep onder nummer AWB 08/20466 is beslist. Dit verzoek om voorlopige voorziening is geregistreerd onder nummer AWB 08/20467.

1.4 De gedingen zijn behandeld ter zitting van 3 december 2009, waar eiseres in persoon is verschenen. Eiseres en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep onder nummer AWB 07/47648

2.1 De rechtbank stelt vast dat eiseres op 19 september 2001 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft aangevraagd. Op 8 juli 2004 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Leeuwarden, het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 oktober 2004 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) het hoger beroep van eiseres ongegrond verklaard en de uitspraak van 8 juli 2004 bevestigd.

2.2 Uit de jurisprudentie van de AbRS (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008, LJN: BC7124) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

2.3 Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.4 De rechtbank zal gelet op voormeld toetsingkader allereerst beoordelen of sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin.

2.5 Eiseres heeft als nieuwe feiten aangevoerd dat zij tijdens haar presentatie aan de Armeense autoriteiten op 13 juni 2005 is bedreigd. Tijdens deze presentatie bleek dat de Armeense medewerkers op de hoogte waren van de inhoud van het asieldossier van eiseres. Aan eiseres is te kennen gegeven dat zij bij terugkomst in Armenië verantwoording zou moeten afleggen over haar in Nederland afgelegde verklaringen. Er werd gedreigd dat haar tong en die van haar kinderen kleiner gemaakt zou worden, aldus eiseres.

2.6 De rechtbank overweegt dat feitelijk sprake is van een nieuw asielrelaas op grond van feiten en omstandigheden, die - als ze zich hebben voorgedaan - dateren van na de eerdere besluitvorming. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door eiseres aangevoerde omstandigheden als nieuw gebleken feiten aan te merken als bedoeld in rechtsoverweging 2.3. Om die reden komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep van eiseres.

2.7 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat van het asielrelaas van eiseres een positieve overtuigingskracht dient uit te gaan, omdat eiseres, net als in de eerste asielprocedure, geen documenten ter staving van haar identiteit en nationaliteit heeft kunnen overleggen. Verweerder heeft aan eiseres artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) tegengeworpen.

2.8 Eiseres heeft aangevoerd dat artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw niet opnieuw met dezelfde argumentatie in de tweede asielprocedure kan worden tegengeworpen. Eiseres heeft aantoonbaar pogingen ondernomen om alsnog in het bezit te worden gesteld van documenten. Eiseres heeft bij brief van 17 juli 2009 een gewaarmerkte kopie van een herhaalde geboorteakte, voorzien van originele apostille en gelegaliseerd, overgelegd.

2.9 De rechtbank overweegt dat het bij tegenwerping van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw gaat om alle documenten die in het kader van de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling van belang kunnen zijn. Het is aan de vreemdeling om alle reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden te overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. Vaststaat dat eiseres in het bezit is geweest van haar originele geboorteakte en dat zij deze tijdens de reis naar Nederland is kwijtgeraakt. Gelet hierop heeft verweerder in redelijkheid aan eiseres mogen tegenwerpen dat zij haar geboorteakte niet bij haar aanvraag heeft overgelegd. Van het relaas dient derhalve positieve overtuigingskracht uit te gaan.

2.10 Verweerder heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat eiseres na de presentatie bij de Armeense autoriteiten een laissez passer voor Armenië heeft gekregen. Nu zij echter heeft gesteld uit Azerbeidzjan afkomstig te zijn en nooit in Armenië geregistreerd te hebben gestaan, bestaat volgens verweerder twijfel over de identiteit van eiseres en over de vraag of zij etnisch Azeri is en oorspronkelijk uit Azerbeidzjan komt. Om die reden heeft verweerder aan de minister van Buitenlandse Zaken verzocht een individueel ambtsbericht op te stellen, dat op 28 december 2006 is uitgebracht. Naar aanleiding van het individueel ambtsbericht heeft verweerder overwogen dat eiseres onjuiste gegevens over haar afkomst heeft verstrekt. Nu de identiteit en afkomst van eiseres daarmee niet geloofwaardig zijn, stelt verweerder niet toe te komen aan een inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas van eiseres en van de problemen die zij als gestelde Azeri bij uitzetting naar Armenië zou kunnen ondervinden.

2.11 Eiseres heeft hiertegen aangevoerd dat verweerder om onjuiste redenen een individueel ambtsbericht omtrent haar identiteit en afkomst heeft laten opstellen. De conclusies uit het individueel ambtsbericht kunnen daarom volgens eiseres niet worden betrokken bij de besluitvorming over haar asielaanvraag. Bovendien heeft verweerder in de eerste asielprocedure de identiteit en afkomst van eiseres niet betwist en is het afgegeven laissez passer op haar naam - een Azeri-naam - gesteld.

2.12 De rechtbank overweegt dat tussen partijen vaststaat dat verweerder in de eerste asielprocedure niet heeft betwist dat eiseres de Azerbeidzjaanse nationaliteit bezit. Na de presentatie van eiseres aan de Armeense autoriteiten op 13 juni 2005 hebben deze autoriteiten ten behoeve van eiseres een laissez passer afgegeven, waarop is vermeld dat zij in Armenië is geboren. Gelet op deze feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de besluitvorming in de eerste asielprocedure, heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat voldoende grond bestaat voor twijfel aan de verklaringen van eiseres omtrent haar afkomst. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om een individueel ambtsbericht te laten opstellen omtrent de identiteit en afkomst van eiseres.

2.13 Ten aanzien van de stelling van eiseres dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door op 12 april 2007 een voornemen kenbaar te maken, terwijl verweerder nog in afwachting was van een antwoord van de minister van Buitenlandse Zaken over de interpretatie van het individueel ambtsbericht, overweegt de rechtbank dat - wat daar ook van zij - eiseres hierdoor niet in haar belangen is geschaad. Eiseres heeft immers in haar zienswijze kunnen reageren op het antwoord van de minister van Buitenlandse Zaken van 5 juni 2007.

2.14 Uit het individueel ambtsbericht blijkt dat de geboorte van eiseres, de geboorte of het overlijden van haar vader, het overlijden van haar moeder en de geboorte of het overlijden van haar echtgenoot niet in de betreffende registers in Azerbeidzjan zijn vermeld. In het individueel ambtsbericht is vermeld dat Armeniërs uit de registers zijn geschrapt. Naar aanleiding van een brief van verweerder van 1 mei 2007 heeft de minister van Buitenlandse Zaken bij brief van 5 juni 2007 aangegeven dat het individueel ambtsbericht dient te worden gelezen in het licht van (de tweede alinea van paragraaf 5.1.2 van) het algemeen ambtsbericht inzake Azerbeidzjan van juli 2004 (hierna: het algemeen ambtsbericht). In deze alinea is vermeld dat Azerbeidzjanen van wie meer dan alleen de vader of moeder etnisch Armeens was zijn gederegistreerd. Nu eiseres een vader heeft die etnisch Azeri is, dienen volgens verweerder zowel de gegevens van eiseres als van haar vader in de Azerbeidzjaanse registers te zijn vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze laatste aanname evenwel onvoldoende gemotiveerd. Desgevraagd ter zitting heeft verweerder niet kunnen toelichten op welke wijze de hiervoor vermelde passage in het algemeen ambtsbericht dat op grote schaal Azerbeidzjanen ‘van wie meer dan alleen de vader of moeder etnisch Armeens was’ zijn gederegistreerd, moet worden gelezen. Zonder nadere toelichting valt niet uit te sluiten dat een persoon met - bijvoorbeeld - een etnisch Armeense moeder, een etnisch Azeri vader én een ander etnisch Armeens familielid (bijvoorbeeld een grootouder), destijds in Azerbeidzjan is beschouwd als een persoon ‘van wie meer dan alleen de vader of moeder etnisch Armeens’ is. In dat laatste geval is evenmin, althans niet zonder nader onderzoek, uit te sluiten dat de gegevens van eiseres en haar vader uit de registers in Azerbeidzjan zijn gederegistreerd.

2.15 Voorts blijkt uit paragraaf 5.1.2. van het algemeen ambtsbericht dat het gebruikelijk was dat personen van wie ‘na controle was gebleken dat ze reeds lange tijd niet meer woonachtig waren op het geregistreerde adres (…) ambtshalve uit te schrijven.’ Verweerder heeft desgevraagd ter zitting niet kunnen toelichten of onder het begrip ‘uitschrijven’ hetzelfde dient te worden verstaan als onder het begrip ‘deregistreren’. Zou dat het geval zijn, dan zou het feit dat eiseres reeds op tweejarige leeftijd Azerbeidzjan heeft verlaten zonder hiernaar terug te keren kunnen verklaren dat zij niet meer in de registers in Azerbeidzjan (ook niet als ‘uitgeschrevene’) staat vermeld.

2.16 Bij het voorgaande neemt de rechtbank nog in aanmerking dat eiseres in beroep een gewaarmerkte kopie van een herhaalde geboorteakte heeft overgelegd, waarin staat dat zij geboren is in Azerbeidzjan. Verweerder heeft zich over de geboorteakte op het standpunt gesteld dat dat document niet aangemerkt kan worden als een identiteitsdocument in de zin van paragraaf C4/3.6.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), omdat het document geen pasfoto bevat. Hoewel de rechtbank verweerder volgt in zijn vaststelling dat een geboorteakte niet kan worden aangemerkt als een identiteitsdocument in de zin van paragraaf C4/3.6.2 van de Vc, kan dit document naar het oordeel van de rechtbank wél dienen ter onderbouwing van de stelling van eiseres dat zij in Azerbeidzjan geboren is. De geboorteakte is derhalve wel relevant bij de beoordeling van de vraag of aan de constatering in het individueel ambtsbericht dat eiseres en haar vader niet in de registers voorkomen de juiste conclusie - te weten dat eiseres niet afkomstig is uit Azerbeidzjan - is verbonden. In het licht van hetgeen in de rechtsoverwegingen 2.14 en 2.15 is overwogen, had het op de weg van verweerder gelegen naar de overlegde gewaarmerkte kopie van de herhaalde geboorteakte nader onderzoek te laten verrichten door de minister van Buitenlandse Zaken, te meer nu Bureau Documenten in het onderzoeksrapport van 26 augustus 2009 hiertoe ook heeft geadviseerd.

2.17 De rechtbank concludeert dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat de identiteit en afkomst van eiseres (en daarmee van haar kinderen) niet geloofwaardig zijn.

2.18 Bovendien heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit het asielrelaas van eiseres ten onrechte niet inhoudelijk beoordeeld op de enkele grond dat haar identiteit en afkomst niet geloofwaardig zijn. Hoewel bij twijfel aan de identiteit en nationaliteit van een vreemdeling veelal niet meer kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de vluchtmotieven omdat deze vaak slechts betekenis hebben tegen de achtergrond van herkomst, identiteit en nationaliteit, zal verweerder in dit geval de geloofwaardigheid van de door eiseres gestelde bedreiging tijdens de presentatie aan de Armeense autoriteiten op 13 juni 2005 wel dienen te beoordelen. De identiteit en afkomst van eiseres zijn weliswaar doorslaggevend bij de beantwoording van de vraag of zij enkel vanwege haar etnisch Azeri-afkomst in het dagelijks leven in Armenië problemen zal ondervinden, maar zij staan los van de vraag of eiseres tijdens de presentatie bij de Armeense autoriteiten is bedreigd.

2.19 Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van 10 december 2007, voor zover daarbij de aanvraag om een verblijfsvergunning is afgewezen, wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank draagt verweerder daarom op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak.

Ten aanzien van het beroep onder nummer AWB 08/20466

2.20 Verweerder heeft in het bestreden besluit geweigerd om eiseres en haar kinderen ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken te verlenen, omdat eiseres haar identiteit en afkomst niet heeft aangetoond en ten behoeve haar een laissez passer is verstrekt. Toegang tot Armenië lijkt derhalve gewaarborgd.

2.21 Onder verwijzing naar de rechtsoverwegingen 2.14 tot en met 2.16 stelt de rechtbank vast dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat de identiteit en afkomst van eiseres (en daarmee van haar kinderen) niet geloofwaardig is.

2.22 Voorts overweegt de rechtbank - onder verwijzing naar rechtsoverweging 2.18 - dat niet zonder nadere motivering aan eiseres kan worden tegengeworpen dat zij met behulp van een laissez passer kan vertrekken naar Armenië.

2.23 Voor zover verweerder ten slotte in het bestreden besluit aan eiseres heeft willen tegenwerpen dat zij haar originele geboorteakte tijdens haar reis naar Nederland is kwijtgeraakt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder dit niet (meer) aan eiseres kan tegenwerpen nu eiseres een gewaarmerkte kopie van een herhaalde geboorteakte heeft overgelegd waarnaar verweerder - zoals in rechtsoverweging 2.16 is overwogen - nader onderzoek zal moeten laten verrichten

2.24 Het bestreden besluit is derhalve onvoldoende gemotiveerd.

2.25 Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van 8 mei 2008 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt ook hiervoor een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak.

Ten aanzien van het verzoek onder nummer AWB 08/20467

2.26 Gegeven de beslissing inzake het beroep onder nummer AWB 08/20466 is er geen aanleiding meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

Ten aanzien van de beroepen en de voorlopige voorziening

2.27 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. De kosten zijn op grond van het bepaalde over samenhangende zaken in artikel 3 in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.288,- (2 punten voor de beroepschriften, 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt 322,-).

2.28 Aangezien ten behoeve van eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

2.29 Uit de gegrondverklaring volgt ingevolge artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dat verweerder het betaalde griffierecht ad tweemaal € 145,- dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

ten aanzien van de beroepen:

verklaart het beroep onder nummer AWB 07/47648 gegrond;

vernietigt het besluit van 10 december 2007, voor zover daarbij de aanvraag om een verblijfsvergunning is afgewezen;

draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiseres en haar kinderen van 10 augustus 2005, met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding ten bedrage van € 644,-, te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht;

verklaart het beroep onder nummer AWB 08/20466 gegrond;

vernietigt het besluit van 8 mei 2008;

draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres en haar kinderen van 4 januari 2008, met inachtneming van deze uitspraak;

bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding ten bedrage van € 322,-, te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht.

De voorzieningenrechter:

ten aanzien van de gevraagde voorlopige voorziening:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 322,-, te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht.

Aldus vastgesteld door mr. K.J. Veenstra en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2010.

De griffier: De rechter:

mr. K.S. Smits mr. K.J. Veenstra

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Tegen deze uitspraak staat, voor zover die betreft het verzoek om een voorlopige voorziening, ingevolge artikel 37, tweede lid, aanhef en onder d, Wet op de Raad van State geen hoger beroep open.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.